blog | werkgroep caraïbische letteren

Ik was er bij en moest het doen…

door Han Dehne

Al in 1916 bouwde Shell een olieraffinaderij midden op Curaçao. Decennialang dumpte het de afvalproducten in een nabijgelegen baai. Tegenwoordig heet de plek ‘het asfaltmeer’. Het water is bedekt met een laag asfalt van negentig centimeter dik. Giftige stoffen vloeien het grondwater in.

 

Op Curaçao ligt er asfalt op de wegen, maar vooral in het asfaltmeer. Ja, het exotisch pareltje heeft een heus asfaltmeer, een smerige en trieste asfaltopslag, eufemistisch ‘meer’ genoemd. Het is geen natuurlijk meer, nee, het is een feeëriek geschenk van de Koninklijke Shell aan de bevolking van Curaçao.

Het exacte jaartal weet ik niet meer, maar in ongeveer 1973 ontstond in dat meer een enorme brand. Het gekke is dat hierover ik nergens iets kan vinden op Internet. Of ik zoek niet goed of het is een verzwegen hoofdstukje in de geschiedenis van toen nog de Shell.

Zo’n brand is heel erg gevaarlijk en kan catastrofaal aflopen. Immers het asfaltmeer dat brandt wordt door de enorme hitte zodanig verhit dat het omhoog komt en het meer kan doen overlopen. In dat geval zou een groot deel van dat brandend asfalt de stad in kunnen stromen. Ik praat over enorme hoeveelheden.

De Brandweer van het eiland was massaal uitgerukt voor bluswerkzaamheden. Maar het meer was alleen bereikbaar over uiterst smalle dijkjes en die brachten onmiddellijk moeilijkheden met zich mee. De eerste bluswagen die op dat dijkje reed kantelde al na een 50 meter op zijn kant en blokkeerde daarmee de verdere toegang tot de brandhaard.
Daarmee was de Brandweer van het Eiland uitgeschakeld en kon de brand zich steeds verder uitbreiden.

Onmiddellijk werd hierna de spoedhulp ingeroepen van de Koninkijke Marine die in twee kazernes beschikte over brandploegen die waren samengesteld uit personeel van de Marine en het Korps Mariniers.
Ikzelf was aangesteld als de brandmeester van de ploeg die op de Marinierskazerne Suffisant bestond en de andere ploeg kwam van de Marinebasis Parera onder leiding van Ron Lapré (woont nog steeds op Curaçao).

Wij beiden beschikten over nogal sterke draagbare handpompen, voldoende Ossenbloed, de enige vloeistof waarmee deze brand verstikt kon worden, een kleine boot en ruim voldoende slanglengtes om het blussen over te nemen en uit te voeren op de wijze zoals dat bij de Marine gebeurde.

Ik kan u verzekeren dat het een helse en zeer gevaarlijke zaak voor ons was. De hitte was enorm, de wind zorgde er voor dat steeds opnieuw op andere punten de vlammen weer gingen branden.
Met mijn eigen ploeg wisten wij een flink deel vanaf de kant te stikken met het Ossenbloed. Maar met beide teams uren en uren bezig te zijn geweest maakte Ron Lapré met de beschikbare boot de beslissing om in het meer te gaan liggen en het bijna onbereikbare deel van het brandend asfalt te gaan blussen. Daar is en was heel veel moed voor nodig omdat het niet van gevaar ontbloot was. Wij hadden natuurlijk ook de plicht om onze medewerkers niet in levensgevaar te brengen.

Na heel veel moeite was de brand onder controle en het grootste gevaar geweken. Op dat moment praktisch vlak voordat de duisternis inviel gingen de wolken boven ons open en stortte de regen zich op ons, maar vooral en grotendeels op de laatste restjes van de kleine brandhaarden.
Curaçao werd op die manier gered van iets dat gemakkelijk tot een superramp had kunnen ontwikkelen.

Deze geschiedenis mag zich natuurlijk nooit meer herhalen, edoch helaas bestaat het meer nog steeds en je kan alleen maar hopen dat er niets gebeurt.

[overgenomen van Facebook, 7 februari 2018]

on 20.05.2019 at 7:12
Tags: / /

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter