blog | werkgroep caraïbische letteren

Honderd jaar Arubaans toneel (3)

In een serie afleveringen publiceert CU een geschiedenis van het Arubaanse toneel in de twintigste eeuw, geschreven door Wim Rutgers.

Het vroegste toneel op Aruba was in het Nederlands, Spaans en Papiaments (deel II)

Toen de Curaçaose gouverneur J.O. de Jong van Beek en Donk (1901-1909) in september 1907 het eiland Aruba op een inspectietocht bezocht, werd te zijner ere een culturele avond verzorgd, waar ook een toneelstuk werd gebracht ‘door eenige Heeren, die hier eene vereeniging gevormd hebben om nu en dan eenige voorstellingen te geven om zoodoende wat afwisseling in ons eentonig leven te brengen.’

Gouverneur Jan de Jong van Beek en Donk. Collectie Gouvernementspaleis Curaçao. Foto © Michiel van Kempen

Een culturele avond die eindigde mét en ín een drama

‘Eenige Heeren, die hier eene vereeniging gevormd hebben om nu en dan eenige voorstellingen te geven om zoodoende wat afwisseling in ons eentonig leven te brengen’, het staat er zo tussen neus en lippen, maar het is wel een bewijs dat we hier te maken hebben met wat waarschijnlijk de eerste toneelgeroep op Aruba is geweest, zij het kennelijk een incidentele groep die er niet in geslaagd is een toneeltraditie te vestigen.

De avond had het gebruikelijke gevarieerde verloop van een soirée litéraire et musicale. Na enkele muziekstukken volgde een historisch drama van de bekende  Nederlandse dramaturg H. Kroon Dzn. (1841-1913): De Boodschapper, of Loevestein in 1570, historisch drama in vijf bedrijven, Hoorn: P.J. Persijn 1868, een lang en zwaar  stuk van tachtig pagina’s tekst. (www.dbnl.org) over een episode uit de Tachtigjarige Oorlog van de Nederlanden tegen Spanje. De regie was in handen van onderwijzer J. Schrils. De auteur thematiseerde met zijn nationalistische stuk de ‘belangstelling in onze vaderlandsche geschiedenis en liefde voor onze schoone moedertaal’. Dat betekende een enorme kluif voor de jonge spelers, maar de recensent-verslaggever oordeelde: ‘ook dit drama moet zeer goed gespeeld zijn’. Het stuk eindigde met een stukje poëzie.

Wapenbroeders, medestanders,
zonen van denzelfden grond
die ons steeds als Nederlanders,
door den eigen band verbond!

Mannen zijn wij! niemands slaven!
Fier van zin en kloek van geest!
Zóó blijft ’t erfdeel der Bataven
Vrij … als ’t immer is geweest.

Dergelijk nationalisme paste in de tijdgeest van het onderwijs waar het moederland richtsnoer en maatstaf was. De gouverneur betoonde zich dan ook heel tevreden, maar toen bleek plotseling aan het late einde van de avond dat niet iedereen het koloniale gouvernement kritiekloos omarmde.

“Na afloop van dit drama riep de gouverneur de heeren J. Peiliker en J. Schrils bij zich en bedankte hen voor den genoeglijken avond. Doch er was nog een redenaar op de planken verschenen: de Heer Leonardo Henriquez. Dit slotstuk stond niet op het programma, maar werd er op verzoek van hem zelf bijgevoegd. Men meende, dat hij den gouverneur zou dankzeggen voor het bijwonen van dezen feestavond. Daarom was het of een stortbad van ijswater op allen neerviel, toen hij in een rede, die plus minus twintig minuten duurde, het Gouvernement beschuldigde van onrecht te plegen aan ons eiland door alles te weigeren, wat men met recht konde verlangen. Alle rekwesten om verzoek tot degelijke werken tot vooruitgaug van Aruba werden afgewezen. De wegen zijn in zeer slechten staat. Verlichting bedroevend, haven onbruikbaar, enz. enz. enz. Ten slotte natuurlijk een verzoek aan Z. H. E. G. om eindelijk eens toe te geven aan de wenschen der ingezetenen van Aruba en te geven, wat zij zoo hoogst noodig hebben tot bloei van hun eiland.”

De verslaggever constateerde echter dat “verreweg de meesten der aanwezigen het hollandsch van den Heer Henriquez niet hebben verstaan. Men vond het wel vervelend na afloop van een drama, dat tot over twaalven duurde, nog te moeten luisteren naar een redevoering, die men niet verstond, maar schikte zich toch in zijn noodlot.” (Amigoe 21 september 1907)

Ook in 1907 klonken er op het eiland al stemmen die klaagden over de achterstelling ten opzichte van het hoofdeiland. De kolonie heette nog steeds ‘Curaçao en onderhorige eilanden’ immers.

Onderwijzer A.E. Goilo en een toneelgroep van Arubaanse jongeren

In 1911 kondigde de Arubaanse correspondent van de Amigoe in de krant een toneelstuk aan van een toneelgroep van een twintigtal jongeren, dat op 15 september 1911 gepresenteerd werd. Ik neem zijn belangwekkende bericht over omdat er uit blijkt dat het school- en jongerentoneel in het begin van de 20e eeuw geen incidenteel verschijnsel is geweest maar een meer blijvend karakter had dan tot nu toe bekend was. Bovendien was de groep van ‘aankomende jongeren’ min of meer als vereniging geïnstitutionaliseerd en trad ze in elk geval meer dan één keer op. De Amigoe gaf immers een verslag van het tweede optreden van de groep. Over het eerste optreden heb ik niets kunnen vinden. Onderwijzer A.E. Goilo was een wel zeer actieve persoon, ook buiten zijn lesuren. Naast het bericht uit 1907 dat ik hiervoor vermeldde over de ‘Heeren, die hier eene vereeniging gevormd hebben om nu en dan eenige voorstellingen te geven om zoodoende wat afwisseling in ons eentonig leven te brengen’, is hier dus sprake van een andere toneelvereniging, dit keer van jongeren.

Toneel werd onder de leiding in inspiratie van onderwijzers en andere volwassenen vooral gebracht door jongeren die een vaste plaats in de toneelwereld veroverden als enthousiaste acteurs.

Kardinaal Nicholas Patrick Wiseman (1802-1865)

“Zelden hebben we ons hier op Aruba zoo aangenaam en tevens zoo stichtend geamuseerd als gisteren avond. Wij hebben hier eene tooneelvereeniging van een twintigtal aankomende jongens, waarvan de oudste juist zestien jaar oud is, en die Vereeniging staat onder directie van den Heer Emile Goilo, onderwijzer der Openbare School alhier. Gisteren was het voor de tweede maal, dat die Vereeniging optrad. Toen wij eenige weken te voren vernamen, dat de directeur het bekende drama van 96 pagina’s, De verborgen Diamant (Amsterdam: Uitgeverij J. Beerendonk, Amsterdam 1861) van Kardinaal Nicholas Patrick Wiseman in studie had genomen, beschouwden wij dat als een groot waagstuk. Want het is een stuk van zeer langen adem, dat hooge en zware eischen stelt aan spelers, zelfs van meer routine dan die onze spelers bezitten.”

Naast het spel eiste het oorspronkelijk Engelstalig drama The Hidden Gem in twee bedrijven en vijf taferelen, een engelenkoor en een tableau vivant ter ere van de H. Alexius ook nogal wat. Het drama beschrijft op moraliserend belerende toon het religieuze leven van de heilige Alexius die leefde in het Rome van de vierde eeuw.

Over het eerste stuk dat de jongeren opvoerden, oordeelde de Amigoe nog enigszins vergoelijkend als ‘alle begin is moeilijk’ maar stelde aan de tweede – in zijn ogen, geslaagde – voorstelling meer eisen. Daaraan werd volgens de recensent ruimschoots voldaan.

“Den eersten keer hadden die jongens hun best gedaan, ‘t kon er door voor den eersten keer; voor beginnelingen moet men wat consideratie gebruiken. Maar ditmaal was het best, zonder consideratie en zonder restrictie, niettegenstaande het stuk zeer lang en meer dan moeielijk was door de verschillende karakters, die getypeerd worden, en doordat ‘t in ‘t Hollandsch werd voorgedragen. Wij bewonderden den ijver van den Directeur en benijden zijn geduld, waardoor ZEd. ons drie uren lang van dit drama heeft doen genieten, het doen meeleven, ter genoegen en ter stichting vau ons allen. Mogen wij ZEd. nog lang op Aruba behouden ter ontwikkeling der jeugd, die hem zoo dierbaar is, waarvoor hij met zooveel takt en toewijding werkzaam is, waarvoor hij zelfs zijne vrije uren gaarne opoffert, dan kunnen we de blijde hoop koesteren nog meermalen te worden vergast op zoon gezelligen, stichtenden en leerrijken avond als dien van gisteren.” (Amigoe, 23 september 1911)

Wie de toneelgeschiedenis vergelijkt met de andere twee literaire genres, poëzie en proza, merkt op dat het toneel publiekelijk de meeste aandacht genereerde door de grote bezoekersaantallen maar ook omdat er steeds veel aandacht in de schrijvende pers aan de voorstellingen gegeven werd – waar dat bij poëzie en proza afwezig was en pas veel later gebruikelijk zou worden. Wel is het zo dat de reacties over het algemeen heel positief waren – niet ongebruikelijk in een kleine samenleving – en dat de namen van de spelers en de beoordeling van hun spel meer, veel meer, aandacht en ruimte in de recensies kregen dan de inhoud en thematiek van het gebodene.

[Een versie van dit artikel verscheen eerder in het Antilliaans Dagblad op 9 augustus 2018.]

Lees hier deel 1 en deel 2 van deze reeks.

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter