blog | werkgroep caraïbische letteren

Honderd jaar Arubaans toneel (19)

In een serie afleveringen publiceert CU een geschiedenis van het Arubaanse toneel in de twintigste eeuw, geschreven door Wim Rutgers.

(Amigoe, 5 oktober 1949)

POVA en ALPHA

Aruba kende in het verleden tal van sociale verenigingen en maatschappelijke organisaties waaraan een toneelgroep verbonden was, die op belangrijke momenten zoals een jaarvergadering optrad ter verstrooiing in het ‘programma na de pauze’ na afloop van het officiële deel van de avond. Daarnaast waren er ook specifieke groepen met het uitsluitende doel toneelopvoeringen te verzorgen. Samen vormden ze een grote verscheidenheid ter versterking van de onderlinge band ten behoeve van de gemeenschap. Waar het hoofddoel vermaak was, werd een nuttige levensles niet geschuwd.

Uit de hierna volgende inventarisatie blijkt tweeërlei houding ten opzichte van toneel: het succes van de lach, zoals bij de POVA-toneelgroep, tegenover de ernst van experiment en discussie zoals van toneelgroep Alpha in later tijd.

De POVA-toneelvereniging

De Pova-club – de Politie Ontspannings Vereniging Aruba – werd op 18 februari 1944 officieel opgericht. Ze begon haar activiteiten dus in oorlogsomstandigheden van dreiging en verduisteringsvoorschriften, maar ook van welvaart door de activiteiten van de Lago-olieraffinaderij. Naast een mannenkoor en een voetbal- en (tafel)tennisclub had de vereniging ook een zelfstandige en actieve toneelafdeling die over het algemeen ontspannende komische stukken bracht, aanvankelijk  onder de leiding van Leen Valk en daarna van Henk Visser. In de loop van de tijd verzorgde de toneelgroep diverse voorstellingen met veelal intrigerende titels zoals Voetstappen op de trap (1949), Over twaalf dagen … tegen middernacht … (1952) en Je hebt het of je hebt het niet. (1953) Het lukte me uit de nieuwsbladen deze drie voorstellingen van deze op het eiland in de jaren vijftig zeer populaire toneelafdeling te achterhalen. Het is merkwaardig dat zo weinig voorstellingen, ik vond er dus maar drie, zoveel hebben losgemaakt in de samenleving van die dagen, waar het POVA-toneel  een begrip werd waar enthousiast over gesproken werd. Uit de voorstellingen blijkt dat de POVA-toneelgroep een repertoire zocht – en vond – dat helemaal gericht was op de lachspieren van het publiek, dat massaal van de voorstellingen genoot. Voor zover te achterhalen putte de groep niet alleen uit een Nederlands repertoire, maar presenteerde het de stukken ook in het Nederlands. Daarmee liep de groep in de pas van het traditionele Nederlandstalige ANV-toneel, maar beperkte ze zich tot het lichtere genre. Impliciet valt uit de namen van de spelers, voor zover die bekend zijn, en de repertoire- en taalkeuze op te maken dat het politiekorps in die jaren nog sterk Nederlands gericht was.

Inventaris

De drie gespeelde stukken, waaraan in de lokale bladen aandacht werd besteed noem ik hier kort. Een eerste vermelding die ik vond van een specifieke POVA-toneelafdeling was van een opvoering op 8 en 15 oktober 1949, het jaar waarin de club al ruim vijf jaar bestond. Dit officiële debuut kreeg veel persaandacht, zowel op Aruba als op Curaçao, waar het stuk ook gebracht werd. Er werden enkele voorbeschouwingen en advertenties geplaatst en ook na de presentaties werd er in de krant gereageerd.

Willy Corsari

Leen Valk regisseerde het POVA-debuut Voetstappen op de trap (1937), een bekend toneelstuk in drie bedrijven van de Nederlandse dramaturge Willy Corsari, waarin Inspecteur Lund een zeer geheimzinnige moord tot klaarheid wist te brengen. Willy Corsari is het pseudoniem van Wilhelmina Angela Douwes-Schmidt (1897-1998). Ze publiceerde tal van vlot geschreven en gemakkelijke leesbare meisjesboeken,  verhalen, romans, detectives en toneelstukken.

Voetstappen op de trap is een mysterieus, spannend toneelstuk, met de kennelijke bedoeling “de toeschouwers te doen genieten en huiveren.” Het stuk ging vergezeld van muziek. Alle zestien spelers waren politiemannen, “dus u hebt nu de kans om de agent die u eens bekeurde of u een vriendelijke waarschuwing gaf op de planken te zien en in plaats van zuur te kijken bij die bekeuring, zal hij u nu eens hartelijk laten lachen.”  (Amigoe 26 september 1949)

Dergelijke gegevens tonen dat het doel van de toneelgroep erin bestond haar leden van de politiebond en de Arubaanse gemeenschap een plezierige avond te bezorgen met licht en (ont)spannend toneel zonder pretenties. Het stuk werd gespeeld in het Centro Bolivariana.

(Amigoe, 10 november 1949)

Voor zover de gegevens beschikbaar zijn was de toneelgroep zo geliefd dat ze met haar voorstelling volle zalen trok, wat evenwel niet inhield dat de groep elk jaar iets nieuws bracht. Tussen het eerste stuk uit 1949 en het tweede lag een periode van drie jaar, hoewel er daarna een derde stuk binnen een jaar later gebracht werd.

In een uitverkocht Centro Bolivariano speelde de POVA-toneelgroep op 30 augustus 1952 ‘het aardig toneelstuk met vele verrassingen’, Over twaalf dagen … tegen middernacht … De drie bedrijven van het blijspel stonden onder regie van Henk Visser en waren bewerkt door Gerard Nielen. (Arubaanse Courant, 21 augustus 1952) De recensent noemde het een dolkomisch stuk dat de vraag opriep wat je zou doen als je wist dat over twaalf dagen de wereld zou vergaan. De moraal in dit stuk was de uitbeelding van het dagelijks leven, waarin de een de ander naar de mond praat, naar hem of haar opziet, niet om wat de persoon is, maar om wat hij (tijdelijk) bezit.

Op 5 september 1953 traden de POVA-spelers in Centro Bolivariana opnieuw op met een lachstuk, een blijspel in drie bedrijven, met de titel Je hebt het, of je hebt het niet over een gewone Amsterdamse volksman, onder leiding van de ‘lachkoning-regisseur’ politieman Henk Visser. Het stuk gaat over een familie Prent die in armoedige omstandigheden leeft, totdat de dochter een hoofdprijs in de loterij wint. Al dit geld stijgt het gezin naar het hoofd, met het gevolg dat het zo maar verkwist dreigt te worden. Maar vrienden steken hier een stokje voor, zodat alles weer op zijn pootjes terecht komt. (Arubaanse Courant, 7 september 1953)

Toneelgroep Alpha

Het verreweg dominante genre in de Arubaanse toneelgeschiedenis was de komedie met haar relatief gemakkelijk op het effect gerichte lacheffect. In 1969 vernieuwde toneelgroep Alpha het toneel door juist op meer serieus werk te mikken voor zijn repertoire, toneel waarover te discussiëren viel. Dat leverde weliswaar minder toeschouwers op, maar zette de bezoekers wel aan het denken. Daarbij kreeg het publiek na afloop van het stuk de gelegenheid tot vragen en discussie. Dat betekende een interessante vernieuwing van het lokale toneelleven. Het repertoire bracht recensenten ertoe uitvoerig en kritisch aandacht aan dit toneel te besteden, wat ook als belangrijk winstpunt gezien kan worden.

De Toneelgroep Alpha bestond uit op Aruba wonende Nederlandse acteurs, zoals Johan de Graaff, Riet Geurts, Frits van Deventer en Ineke Roos. De groep was maar korte tijd actief maar heeft ondanks zijn beperkte repertoire wel belangrijke vernieuwingen gebracht in de lokale toneelwereld. De regisseur van de groep was Frans Meewis.

Frans Meewis woonde van 1962 – 1970 op Aruba en was werkzaam bij het onderwijs. Hij speelde voor hij naar Aruba kwam in Nederland bij toneel- en operettegezelschappen (Amigoe, 18 juni 1969). Op Aruba was hij heel actief in het toneelleven als acteur en regisseur. In de ruim acht jaar van zijn verblijf op Aruba speelde hij bij diverse toneelgezelschappen in De kinderen van Eduard, De regenmakers, Glazen speelgoed, Het boek van de maand, In de schaduw van twijfel en Suerte di pushi pretu. Deze stukken werden alle geleid door Sticusa toneel-regisseurs. Als regisseur realiseerde hij De Wiskunstenaars van de achttiende eeuwse Nederlandse auteur Pieter Langendijk, met leerlingen van het Colegio Arubano en verder Het moeizame liefdeleven van Atilla Galop, Slippers, Amor di Kibaima, Lekker blijven liggen maffen, Moordenaarsavond en in samenwerking met Be Feldbrugge de opera’s Bastien en Bastienne en The Telephone. (Amigoe, 30 juni 1970)
Alan Ayckbourn (foto Publiek domein)

Op 20 juni 1969 speelde de toneelgroep Alpha het toneelstuk Slippers van Alan Ayckbourn, in 1965 verschenen als Relatively speaking. Het stuk is als een comedy of errors tussen de spelers. In het stuk spelen de vier acteurs Riet Geurts (Sheila), Johan de Graaff (Gregory), Ineke Roos (Ginny) en Frits van Deventer (Philip), vier personages met geheimen die ze voor elkaar verborgen willen houden. Het meisje heeft een nieuwe vriend maar verzwijgt dat ze haar oudere minnaar nog heeft, die man heeft op zijn beurt daarover niets tegen zijn vrouw gezegd, en die vrouw – die zou óók wel eens een affaire kunnen hebben. Alleen de – nieuwe – vriend van het meisje heeft niets op zijn kerfstok; ze is zelfs zijn eerste. Maar jaloers en achterdochtig is hij wel, en door hem komen ze alle vier samen. En dan is de vraag hoe lang ze hun geheimen nog kunnen bewaren. (bron: NRC, 19 oktober 2004) Zoiets is natuurlijk vermakelijk voor het publiek en meer gericht op de vrolijke misverstanden dan een zwaarwegende aanklacht tegen overspel en bedrog.

José Triana

Na dit begin dat nog in de traditionele toneelopvatting paste van nuttig vermaak, bracht Alpha met zijn tweede stuk een vernieuwende vorm van toneel. Moordenaarsavond (1970) van de Cubaanse dramaturg José Triana was een voorbeeld van sociaal theater. Hier blijkt een andere theateropvatting dan tot dan gebruikelijk was. Het stuk werd gespeeld voor een relatief kleine groep van jongeren. Vooraf werd er ter verduidelijking een inleiding door regisseur Frans Meewis gegeven. Na de presentatie volgde een discussie met het jeugdige publiek. Het was dus een stuk dat duiding vergde, een stuk waarover gediscussieerd werd. Hier zien we het begin van een nieuwe ontwikkeling in de lokale toneelwereld die in de latere jaren zeventig door Ernesto Rosenstand met zijn Grupo Experimental en vooral in versterkte mate met het werk dat door Burny Every gebracht zal worden. Met dit stuk liep Alpha op de komende ontwikkelingen voorop. Het blijkt ook uit de serieuze en indringen reacties in de pers door Ramon Todd Dandaré op Aruba en Pim Heuvel op Curaçao. Het stuk nodigde als het ware daartoe uit.

Het stuk speelde in de jaren vijftig in het Cuba van vóór de Revolutie van Fidel Castro in 1959. Drie personages, Lalo en zijn twee zusters zijn thuis en hoewel ze volwassen zijn, spelen ze wat oppervlakkig een kinderspelletje lijkt maar met serieuze inzet en consequenties.

De kinderen spelen op het toneel het leven. In hun spel doorzien ze de huichelarij van volwassenen. Op de vraag: Waarom vermoordde je je ouders? komt langzaam, maar met veel nadruk op elk woord: Ik wou gewoon leven. Op exacte vragen van de officier van justitie (symbool van de instantie, die de oude wereld in stand moet houden) komen geen exacte antwoorden. De kloof kan niet met redelijke praat gedempt worden. (Pim Heuvel, Amigoe, 27 april 1970)

“Dit huis is mijn wereld. En dit huis is oud en rot en het stinkt”, zegt Lalo in het eerste bedrijf. ‘En dus’ zegt Cuca iets later, ‘natuurlijk kom je er tegen in opstand’. Deze woorden typeren op de juiste wijze de strekking van dit belangrijk toneelwerk: “De schrijver José Triana is een kind van de revolutie, de Cubaanse revolutie wel te verstaan. Hij komt in opstand tegen de gevestigde orde, wrikt aan de fundamenten, om ruimte te scheppen voor de nieuwe, ideale wereld van vrede en wijsheid. (…) Alle jeugd onttakelt heden en verleden ter wille van een betere toekomst. José Triana is niet meer en niet minder dan Stanley Brown en Francisco Sprott, en al die anderen die met en liefst zonder geweld vechten voor een waarachtiger bestaan. Nog niet eerder hebben we het conflict der generaties zo bondig verwoord en verbeeld gezien, zo intens en zo scherp.” (Ramon Todd Dandaré, Amigoe, 20 april 1970)
Charles Dickens

Na dit stuk duurde het drie jaar voor er weer een voorstelling van de groep kwam, toen in 1973 het blijspel Vlinders zijn vrij in Cas di Cultura gespeeld werd, een stuk dat ‘losjes gebaseerd’ was op het leven van advocaat Harold Krents, waarbij de plot zich bewoog rond een blinde man Don Baker, gespeeld door Peter Gerfin, die in Manhattan woont. De alles bedisselende moeder, gespeeld door Trees de Jong, is het volstrekt oneens met de relatie tussen de blinde man en de vrijgevochten wereldse vrouw Jill Tanner, gespeeld door Ineke Roos. De titel van het stuk was geïnspireerd op een passage in Charles Dickens’ Bleak House: “I only ask to be free. The butterflies are free. Mankind will surely not deny to Harold Skimpole what it concedes to the butterflies.” Hoewel het stuk op een drama dreigt uit te lopen, eindigt Vlinders zijn vrij toch nog met een happy end. (Amigoe, 27 maart 1973)

Uit dit beperkte aanbod van slechts drie voorstellingen kan geconstateerd worden dat de groep de vernieuwing in het repertoire niet heeft voortgezet. Een tweede constatering is bovendien dat – het is inmiddels jaren zeventig – Nederlandstalig toneel weinig belangstellenden meer trekt, als we lezen dat Cas di Cultura niet meer dan matig bezet was. De Papiamentisering die al enkele decennia aan de gang was zette steeds meer door.

(Een versie van dit artikel verscheen eerder in het Antilliaans Dagblad op 2 april 2020)

Delen van deze reeks, klik hier: deel 1, deel 2, deel 3, deel 4, deel 5, deel 6, deel 7, deel 8, deel 9, deel 10, deel 11, deel 12, deel 13, deel 14, deel 15, deel 16, deel 17 en deel 18.

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter