blog | werkgroep caraïbische letteren

Hilda de Windt-Ayoubi’s ‘Gedicht’: verplichte kost voor zelfinzicht

door Frank Landsman

Turend naar de tamelijk vergeelde beeltenissen van Javaanse aristocraten uit de tempo doeloe (vervlogen tijden) treffen mij drie typische uitdrukkingen in hun uitstraling: waardigheid, wijsheid, en sereniteit. Deze adellieden waren in de regel belezen in vier zeer verschillende talen: het Javaans, het Nederlands (de koloniale taal waarin zij werden onderwezen op de Hollandsch-Inlandsche School), het klassieke Arabisch van de Koran, en de Engelse taal. De eerste President van de Indonesische Republiek Ir. Soekarno had een bibliotheek met boeken over politiek, filosofie en kunst in wel acht talen. 

Aangenomen dat boeken kinderen van de stilte zijn is het een waar wonder dat er op het ononderbroken luidruchtige eiland van Java (overbevolkt met meer dan 100 miljoen zielen) bepaalde mensen nog de tijd en rust hebben om te lezen en over het gelezene na te denken, om daarna hun orale recensie te delen met hun buren, vrienden, familieleden en collegae. Omringd door het overweldigende lawaai van het verkeer, de loeiende media, de kwijlende wereldnonsens van de tabloid press en de eindeloze afleiding van het Internet, lijkt er weinig of geen tijd te resteren voor wat hier mawas diri heet, introspectie die leidt tot zelfinzicht.

Verschenen bij LM Uitgeverij

De zeer belezen en analytisch ingestelde Franse romanschrijver Marcel Proust geeft blijk van inzicht in de manier waarop het verlangen naar genot de literaire arbeid van een schrijver kan stimuleren. In zijn meesterwerk À la recherche du temps perdu (Op zoek naar de verloren tijd) blijft geluk buiten het menselijk bereik, bezien door Proust’s genadeloze maar ook humoristische lorgnet. Dit gebrek aan levensvervulling verleent ons inzicht in de redenen die ons hier van weerhouden en die anders onzichtbaar zouden zijn gebleven, ware het niet dat de teleurstelling de zere plekken had blootgelegd. Dromen vallen niet te vervullen, maar we kunnen iets opsteken van de rook waarin ze zijn opgegaan.

In de recente dichtbundel Gedicht (2018) van de Antilliaanse dichteres, schilderes, vertaalster en voormalig docente Spaans van Libanese afkomst aan het Curaçaose Peter Stuyvesant College Hilda de Windt-Ayoubi wordt het omgekeerde op een ongekunstelde maar geraffineerd volgehouden wijze geëtaleerd: het genot van poëzie en andere kunstvormen (zowel actief als passief) voelt als zalf op de wonden van de mens. Verontrust neemt de dichteres waar hoe de vluchtigheid van het moderne leven (“Het leven raast ons voorbij, Wij houden het niet meer bij/En hoe hoger de snelheid, Des te slechter de kwaliteit/Van de wereldse mensheid, Levend in eenzaamheid.”) de tijd opslokt voor artistieke inspiratie en waardering, maar vooral voor bezinning. In haar visie verzandt het leven zo tot oppervlakkigheid, en uiteindelijk in verlies van menselijke waardigheid. Dit geldt evenzeer voor de verlokking om op de instant gratification button te drukken voor onmiddellijke bevrediging van bepaalde verlangens, een condition humaine die zo schrijnend wordt geportretteerd in Dubbelspel van Frank Marinus Arion, een romanschrijver die herhaaldelijk opduikt in de bundel.

Hilda heeft The Prophet van Kalil Gibran vertaald in het Papiamentu

Zoals de meeste tweetaligen maakt de dichteres onderscheid tussen haar intieme moedertaal en de officiële onderwijstaal: “Het Papiamento praat ik gezellig thuis…Het Nederlands spreek ik op werk of school/Heb ik zelfs ooit gesproken in een droom …/In het Papiamento bemin ik heerlijk/In het Nederlands schik ik eerlijk”.. Zij verrijkte later deze dubbele taalbeheersing met haar academische talen, Spaans en Engels. Hoewel zij in allevier deze talen heeft gedicht, is de evenwichtige keuze in Gedicht op haar Nederlandse poëzie gevallen, waarin zij behendig laveert tussen mens en natuur, maatschappelijke betrokkenheid, taal, geschiedenis en wijsheid. 

Het op de levendige, speelse Caribische volksgeest vaak wat stijf overkomende Nederlands met haar raspende keelklanken wordt op Curaçao en zeker in deze gedichten opgefrist met een wat losser idioom (“Straks ben ik dood/Dan is voor ieder alles loos” en “Schrijver…Waarom voer je mij naar verleden nissen/Laat jij mij in de verre geschiedenis spinnen”). Een onderwijsambtenaar verzekerde mij ooit met een stalen gezicht bij navraag naar een bepaald bonusbedrag dat “een en ander wis en zeker bewerkstelligd zou worden, dientengevolge zal ik de hoge heren achter hun vodden zitten, hoor!”. Zoals te verwachten van een auteur met zo’n kleurrijke culturele achtergrond is er geen zweem van grijsgrauwe novemberwolken, maar gelukkig ook niet van koket bruisende carnavalstaferelen, hoewel de diverse dansen van Curaçao zo nu en dan langs komen wervelen als ritmische basis voor de “weliswaar povere natuur/Maar toch zo puur.”

Hilda de Windt-Ayoubi

Gevoelig liggende onderwerpen als euthanasie, abortus, het syndroom van Down en rasssendiscriminatie, worden vanuit een duidelijke maar nooit “prekerige” Katholieke optiek belicht (met de Trinitas en kleurensymboliek die ook de natuurgedichten een mystieke glans geven, met Moeder Natuur die fluistert dat Zij wordt gekruisigd) en tonen respect voor het ongeboren leven, het aardse bestaan en het hiernamaals, maar ook een scherp oog voor de manier waarop religie door de eeuwen heen is misbruikt, en voor de behoefte van de Hollander om het post-koloniale schuldgevoel te verlichten door zich te meten aan de wellicht nog wredere Spaanse conquistadores of de sluwere Portugese slavenhandelaren. In het pregnante “Sinterbaas en Pieterklaas” worden geestig de vaste rolpatronen omgedraaid in de hoop “Dat wij het leven vrij konden vieren/want alleen zo kunnen wij zegevieren!”. 

Haaks op de opbiechtende poëzie van Ted Hughes, laat Hilda de Windt-Ayoubi de lezer de hand in eigen boezem steken ter verkrijging van het door Marcel Proust zo bezongen zelfinzicht. Haar betrokkenheid bij sociaal onrecht en haar spirituele inslag leiden soms tot smeekbedes bekrachtigd door “in hemelsnaam”. Het nihilistische oordeel van W.H. Auden dat dichtkunst “niets” laat gebeuren wordt in Gedicht weerlegd door de vaststelling dat “Gedichten verbinden/mensen, dieren, dingen/wanneer de gebeurtenis/al lijkt te zijn vergeten/wordt ze door het gedicht/opeens weer belicht”.

***

Twee decennia na mijn eigen leraarschap Engels (1997-2000) stuift het witte zand van Curaçao nog geregeld door mijn hoofd (“Meneer Landsman, U bent veel te aardig voor ons, wij verwachten Meester Kwel uit Billie Turf!”, aldus een VWO leerling), soms prikkelend, soms verblindend – al ben ik inmiddels verkast naar een andere voormalige kolonie van de Lage Landen, Indonesië. Tegen de eerder genoemde andere Frank die het Dominospel vereeuwigde in zijn virtuoze roman Dubbelspel schertste ik ooit dat ik zowel uit het Oosten als het Westen kwam, nu eens geen “white lie” van een Mokumse Makamba (Amsterdamse buitenlander), maar de waarheid, caramba! Hilda zag ik met genoegen over het schoolplein van het Peter Stuyvesant College voortschrijden als een 20e eeuwse Inca afgezante, gedistingeerd van gelaat, met een milde, voor verschillende uitleg vatbare glimlach. Haar kennis van en liefde voor Wereldtaal inspireerde ons allemaal. Moge Hilda’s “harphart” nog vele vibraties oppikken en aan ons doorgeven in de ongetwijfeld hierop volgende dichtbundels. Proficiat en nog vele jaren…

Frank Landsman is docent Engels aan Parahyangan Catholic University in Bandung, West Java, Indonesië

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter