blog | werkgroep caraïbische letteren

Het touw: kom niet meer om me pijn te doen

Lambarosa van Annel de Noré

door Hilde Neus

Een touw is opgebouwd uit in elkaar gedraaide dunnere elementen, en hoe dikker het touw, uit hoe meer elementen het bestaat en hoe steviger het zal zijn. Denk maar aan de touwen waar een schip mee wordt vastgelegd. Dat mag niet breken. Deze samenstellende delen kunnen we ontwaren in een leven, maar ook in een individuele mens. Motieven als liefde, dood, scheidingsangst en overlevingsdrang zijn lijnen in een leven. En ook in deze lijvige roman van Annel de Noré.

Dit betekent automatisch dat de opbouw van het boek belangrijk is, en in dit geval niet eenvoudig. In dit stuk zal ik wat voorzetten doen over de structuur van Lambarosa, de nieuwe roman van Annel de Noré. Let u wel: dit zijn persoonlijke interpretaties. Want dat is het mooie van literatuur. Elke mens leest vanuit een andere achtergrond, en zal een boek ook anders lezen, begrijpen en beoordelen.  

‘Wanneer je drinkt van het water, vergeet de bron niet.’ Dit Vietnamese spreekwoord staat vooraan in het boek. Water is veel, levensbepalend, allesbepalend en kan uit allerlei vormen bestaan. De bron is echter maar een plek, en zonder die bron zou er geen water zijn. Zo is het ook met het leven. Het bestaat uit allerlei aspecten, maar zonder het begin zou er geen leven zijn. Dit zou het belang van de moeder aan kunnen duiden, als begin van het menselijk leven, als de bron. 

Op de tweede pagina van de roman staat een stukje over een man die terugkijkt op zijn verleden. Weer onderdelen van dat leven, die je maken tot wat je nu bent, maar wat je misschien niet meer herkent omdat je veranderd bent.

Op de derde pagina begint deel 1: De grot. Hier heeft de auteur een citaat uit The old men and the sea, geplaatst, een wereldroman geschreven door Ernest Hemingway. Het gaat erover dat je het leven juist extra voelt als je in pijn verkeert. Elk van de drie hoofddelen van de roman begint met een citaat van Hemingway. Zijn novelle gaat over een onsuccesvolle visser, die uiteindelijk een grote marlijn vangt. Dit proces duur drie lange dagen en de visser is verbaasd over de kracht, waardigheid en trouw aan zijn  identiteit die de vis tentoonspreidt. De schrijver projecteert dat natuurlijk op een menselijk karakter.

Deel 2 gaat over die kracht, waardigheid en trouw als we een mannelijke hoofdpersoon tegenkomen, die worstelt met zijn liefde voor een prostituee, en gelijktijdig zijn relatie met de vrouw met wie hij is getrouwd.   

Deel 3 heeft weer een heel andere inhoud en is getiteld ‘Ik’. Weer een citaat van Hemingway over pijn. De oude man geeft zijn hulpeloosheid toe; hij heeft een wapen nodig om zich te verdedigen. In dit deel van Lambarosa speelt een derde personage de hoofdrol, en deze heeft geheugenverlies. Hoe kijkt hij terug op zijn leven, en wat, hoe bepalend zijn die herinneringen voor de persoon die hij nu is?

Na de drie dikke delen in de vorm van afgeronde verhalen, volgen enkele korte stukken. Annel de Noré schudt ons op het einde van dit dikke boek flink wakker door een opmerkelijk stukje vervreemding. ‘No kon moro fu gi soro.’ Ze vraagt zich af: ‘Is het Vietnamees, Japans of Italiaans?’ Maar Surinamers die deze pagina lezen, weten dat het geen van deze drie is. Hier speelt De Noré ontegenzeggelijk met taal. Wat betekenen woorden, en betekenen ze voor elke mens wel hetzelfde? De titel is een Sranan odo. De hoofdpersoon heeft een dik antiquarisch boek gekocht. Het is een vergelijking tussen Japan en Vietnam tijdens de oorlog. In het boek lagen dubbelgevouwen A4’tjes in een handschrift dat lijkt op dat van de schrijver, L.J. Romani, alias Lambarosa. Hij heeft ze overgetypt en toegevoegd aan Het lam en de roos, een manuscript.

Dan volgt epiloog 1. Hierin zijn een aantal alinea’s opgenomen die elk beginnen met: Ik ben (misschien) geboren op een bankje in het park. Vervolgen is het stuk steeds met andere personages en gebeurtenissen ingevuld.

Epiloog 2 bestaat uit een relaas van Lucas Johannes Romai, alias Lambarosa, die is geboren op een bankje in het park en is zijn geheugen kwijt. Vervolgens is er een pagina gevuld met de uitroep: ‘Wie ben ik?’, met daartussen wat woorden gestrooid in de meest uiteenlopende betekenissen, van uilenbal tot L.J. Romani tot etterbak tot uilaap.

De allerlaatste pagina bevat ‘Het Hooglied op de liefde’ uit de Bijbel: 1 Korintiers 13. Een boek met zo een positieve, hoopvolle noot. Een oproep dat we de liefde nooit moeten laten varen.  

Woorden maken je leven op, zoals draden een touw. En iedereen draagt iets anders bij aan de conversatie, want elke mens verstaat iets anders, interpreteert het anders. Zo zal ongetwijfeld de odo ook op verschillende manieren kunnen worden uitgelegd. Ik dacht ook even aan het gedicht ‘Wan [bon]’ van Dobru: so meni wiwiri. Na deze drie afzonderlijke verhalen (3x 10 hoofdstukken variërend in lengte) die zoals het lijkt, ook afzonderlijk van elkaar gelezen kunnen worden, blijft de lezer met vragen achter, die de auteur niet beantwoordt.

De Noré laat zien dat iedere mens zichzelf uitvindt, zichzelf bepaalt, door een keuze aan herinneringen, of de ongelukken die op ons pad komen waardoor die vervagen. We onthouden selectief. Denkt u maar eens aan een eigen jeugdherinnering die voor u belangrijk was en vraag dan aan uw broers of zussen wat zij nog weten van die gebeurtenis. Misschien herinneren zij zich het niet eens meer, of heel anders. We doen aan selectief onthouden. Per ongeluk, of per keuze. Het lijkt erop alsof de schrijfster de lezer aangeeft dat hij zijn eigen verhaal mag verzinnen, zoals iedereen ook zijn eigen leven bepaalt. Ergens zegt ze: ‘Nee ik had de verkeerde vraag gesteld en het correcte antwoord doorgekregen.’


Annel de Noré heeft tijdens haar presentatie in Tori Oso een gedicht van Neeltje Maria Min voorgelezen. Ze kwam dit vers tegen nadat de roman was afgerond. Ook hier is het thema identiteit.

Mijn moeder is mijn naam vergeten

Mijn moeder is mijn naam vergeten,
mijn kind weet nog niet hoe ik heet.
Hoe moet ik mij geborgen weten?

Noem mij, bevestig mijn bestaan,
laat mijn naam zijn als een keten.
Noem mij, noem mij, spreek mij aan,
o, noem mij bij mijn diepste naam.

Voor wie ik liefheb wil ik heten.


Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter