blog | werkgroep caraïbische letteren

Het land van Willoughby

door Hilde Neus

Aan het begin van 2014 was de Engelse auteur Matthew Parker in Suriname. Tijdens zijn onderzoek naar de suikerbaronnen op Jamaica en Barbados raakte hij geïnteresseerd in ons land. Hij kwam om te zoeken naar sporen van Willoughby, dus Suriname tijdens de vroege Engelse tijd, en de geschiedenis die voorafging aan de Nederlandse bezetting. Eind 2014 verscheen dit onderzoek in de Engelse versie, en nu is het in vertaling bij de Walburg Pers uitgekomen.

Sir Walter Raleigh, ovaal portret door Nicholas Hilliard.

 

Raleigh
Engeland zelf bevond zich in het midden van de zeventiende eeuw in een neerwaartse economische spiraal. Door een burgeroorlog en vanwege epidemieën was de populatie enorm uitgedund. Er was een moordende inflatie en grote armoede. Een positief perspectief bood een land van melk en honing, ver weg gelegen in een warme klimaatzone, Willoughbyland genaamd. Hoe het zo gekomen was, beschrijft Parker allereerst in de reis van Sir Walter Raleigh (1552) die op zoek was naar ‘El Dorado’ (de Vergulde), en het ‘fraaie koninkrijk Guiana’ vond. Het gebied tussen de Orinoco en de Oayapock was nog niet bezet door de Spanjaarden of Portugezen, daar was dus nog land te halen. Raleigh was nog voor 1600 afgereisd en schreef daar een boek over om de Britse veroveringen te promoten. Tijdens zijn diverse reizen zocht hij voornamelijk naar goed en goud en bevocht de Spanjaarden. Dit kostte hem zijn zoon, veel van zijn bemanningsleden en zijn reputatie. Toen hij zonder een grote buit en met een gedecimeerde vloot terugkeerde naar Engeland, werd hij in 1618 door koning Jacobus I wegens verraad onthoofd. Toch leefde de hoop voort om een Engelse nederzetting aan de Wilde Kust te vestigen. St. Kitts was de eerste Engelse vestiging in de Caraïben, en het begin van het Britse Rijk. Er volgden andere eilanden, zoals Barbados.

 

Portret van Sir Francis Willoughby, 1573 door George Gower

Willoughby
De graaf van Parham, Lord Francis Willoughby, had van de Engelse koning toestemming gekregen om zijn territoir uit te breiden. Dus hij stuurde in 1651 schepen met soldaten vanuit Barbados, waar hij als gouverneur zetelde, om een stuk land aan de noordkust van Zuid-Amerika te bezetten. Zij waren de eersten die Suriname langdurig occupeerden en een aanvang maakten met de bouw van het fort, dat naar Willoughby werd vernoemd. Overigens is dit fort op een onstrategische plek gebouwd, het ligt in een bocht van de rivier en is moeilijk verdedigbaar, wat ook al snel bleek. Van de andere kant hebben de Engelsen gebruik gemaakt van de goede eigenschappen van de ondergrond. De schelprits die daar ligt, had een prima afwatering. Daarom hadden zich daar inheemsen gevestigd, die ook droge voeten hielden bij zware regens. Er konden blokken uit dit schelp- (of klip-)steen worden gehakt om het bouwwerk op te trekken. Op Barbados zelf had men deze techniek al toegepast om gefortificeerde huizen ter verdediging van de kolonie aan de kust te bouwen, maar dan van koraalsteen.

Vanuit Barbados kwamen Engelse gezinnen, en ook Joodse suikerplanters die waren gevlucht uit Brazilië, reisden mee. Maar ook slaven werden meegebracht om het fort op te zetten, het land bouwrijp te maken en vervolgens de suikerplantages te bewerken. Het werd al snel een kleine, bloeiende nederzetting.

Tijdens de Tweede Engelse oorlog, die begon in 1665, besloot admiraal Abraham Crijnssen om vanuit het Zeeuwse plaatsje Veere aan het hoofd van een contingent van zeven schepen met driehonderd matrozen, plus aan boord tweehonderd soldaten, de tocht naar Suriname te ondernemen. Ze voeren op 25 februari 1667 de Surinamerivier op en veroverden het fort nog diezelfde dag. Zowel Crijnssen als de bevelhebber van Engelse zijde, William Byam, rapporteerden over de overgave van het fort. De onderzoeker Matthew Parker heeft deze verovering allereerst bekeken vanuit de Engelse bronnen, en dus vooral vanuit het verhaal van Byam. Maar daarna is hij deze informatie gaan vergelijken met die bronnen waarin de versie van de overname door Crijnssen, de andere partij, is opgetekend. En dan blijken er grote verschillen. In het Waerachtich verhael van de heerlijke overwinning van Pirmeriba ende de reviere Seraname, […] (gedrukt door Johannes Rammezeyn te ’s Gravenhage in 1667) staat op negen pagina’s een verslag van Zeeuwse zijde opgenomen. Dit boekje bevindt zich in de collectie van de Stichting Surinaams Museum. Het meest opvallende is, dat een groot aantal manschappen van het Engelse bewind zich op het moment van de overname niet in het fort bevond: ‘… is oock te reeckenen dat seeker secours van 600 man, die na het casteel qaumen, eenige uuren tekort gekoomen zijn, ’t welck in dien sy bytijts waren gekomen, ons …de overwinninghe swaerder soude hebben doen vallen …’. Maar Byam doet een heel ander verhaal: volgens hem was hij onvoldoende uitgerust om weerstand te bieden aan de Zeeuwen. Op de bijgevoegde kaart is Byam’s point aangegeven, wat we nu kennen als Braamspunt.

 

Aphra Behn
In dezelfde tijd zou Aphra Behn met haar vader in Suriname hebben gewoond, een periode waarover ze de beroemde roman Oroonoko, or the Royal Slave heeft geschreven (1688) over de nobele slaaf die in opstand kwam tegen de wrede planters. Dit tot toneelstuk bewerkte verhaal heeft in de achttiende eeuw lang op de derde plaats van meest populaire drama’s gestaan. Matthew Parker heeft dit gegeven uitgebreid meegenomen in zijn boek over ‘Willoughbyland’. Er is lang getwijfeld of Aphra Behn werkelijk zelf hier heeft geleefd, omdat veel van haar beschrijvingen overeenkwamen met gegevens uit een boekje van Warren (1667, An impartial description of Suriname upon the continent of Guiana in America). Inmiddels is wel duidelijk geworden, vooral door feministisch onderzoek naar de schrijfster, dat ze wel degelijk in Suriname is geweest, met haar vader. Ze was mooi en getalenteerd, maar beschikte niet over een bruidsschat, wat haar deed besluiten schrijfster te worden, vooral van toneelstukken, meer dan twintig. Zeker werd ze ‘verguisd als levend verwijt aan haar geslacht en een schande voor de lichtzinnige tijd waarin ze leefde.’
In de twintigste eeuw werd zij in allerlei studies gerehabiliteerd. Haar roman Oroonoco verscheen in 1688 en bevat een van de levendigste en meest gedetailleerde verslagen uit de eerste hand die er over Willoughbyland zijn geschreven. Het is een van de eerste boeken waarin de rol van slaven zo prominent naar voren komt. Frank Martinus Arion gaf tijdens de literatuurconferentie van S’77 in Paramaribo in 1997 een exposé over zijn opvatting, dat deze roman de eerste moderne was, en niet die geschreven door Miguel de Cervantes Saveedra, Don Quichot (1605). Vanuit Caribisch perspectief is zijn keuze voor de hand liggend. De roman is in de Nederlandse vertaling van Albert Helman en een even lang Nawoord van hem in 1983 verschenen bij uitgeverij De Arbeiderspers onder de titel Oroenoko of de Koninklijke Slaaf.

 

Het boek Willoughbyland Engeland’s verloren kolonie is ingedeeld in drie stukken, gekoppeld aan evenzoveel hoofdpersonages: Raleigh, Willoughby en Aphra Behn. Vooral het middelste deel is van belang voor de Surinaamse lezers, maar ook de twee andere delen zijn interessant, omdat Parker een zeer begenadigd schrijver is. Van alle drie geeft hij ook de politieke intriges weer die deze personen hebben omgeven, uitgebreid en overzichtelijk. Hij beroept zich daarbij op bronnen, maar zegt er ook bij dat veel verloren is gegaan en ongetwijfeld roddels en achterklap een rol hebben gespeeld in de rise and fall van alle drie. In het midden van de uitgave zijn glossy kleurenpagina’s opgenomen met relevante illustraties.

 


Matthew Parker is niet zo maar een auteur. Zijn boek Sugar Barons, dat in 2013 verscheen, werd door het Engelse magazine The Economist als een van de belangrijkste geschiedenisboeken van dat jaar beschouwd. Ook heeft Parker een biografie geschreven over Ian Fleming, de schrijver van de James Bond-verhalen, die bij ons nu vooral vanwege de verfilmingen bekend zijn. Opmerkelijk is, dat Fleming vaak op Jamaica verbleef en hij daar ook schreef. Dat ziet de opmerkelijke lezer dan ook gereflecteerd in de boeken en films. Parker heeft zich in Goldeneye: Where Bond was Born: Ian Fleming’s Jamaica (2014) vooral gericht op de invloed van het eiland en de lokale mensen op het werk van Fleming. En nu dus Willoughbyland: Suriname tijdens de Engelse tijd en de geschiedenis die voorafging aan de Zeeuws-Nederlandse bezetting.

Matthew Parker, Willoughbyland Engeland’s verloren kolonie. Vertaling: Marcel Misset, 2017. Uitgeverij WalburgPers, Zutphen. ISBN 978 94 6249 1830

 

Foto © Michiel van Kempen

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter