Het koloniale heden: een interventie in veranderende narratieven
De afgelopen jaren zijn verschillende boeken verschenen over de Hindostaans-Surinaamse geschiedenis en identiteit. Het koloniale heden van Tamara Hartman en Madhavi Jeane neemt daarin een bijzondere plaats in. Dit is geen klassiek geschiedenisboek, geen gemeenschapsgeschiedenis en evenmin een sociologische studie van de Hindostaanse gemeenschap. Het is eerder een intellectuele en maatschappelijke interventie die probeert bestaande verhalen open te breken en ruimte te maken voor stemmen die volgens de auteurs te lang aan de rand zijn blijven staan.
Het koloniale heden laat zich bovendien op meerdere manieren lezen. Als dekoloniale analyse, als feministisch essay, als queer diasporatekst, als kritiek op koloniale geschiedschrijving of als interventie binnen de Hindostaans-Surinaamse gemeenschap. Deze recensie pretendeert niet de enige juiste lezing van het boek te bieden. Zij vertrekt vanuit de observatie dat Hartman en Jeane vooral proberen bestaande narratieven te verschuiven door aandacht te vragen voor ervaringen, stemmen en perspectieven die volgens hen te lang onderbelicht zijn gebleven. Andere lezingen zijn mogelijk, maar deze invalshoek blijkt naar mijn oordeel het meest vruchtbaar om de verschillende onderdelen van het boek met elkaar in verband te brengen.
Het boek voegt daarbij niet simpelweg nieuwe feiten toe aan bestaande geschiedenissen. Het probeert vooral de verhalen te veranderen waarmee die geschiedenissen worden begrepen. Juist daarin schuilt de originaliteit van het project.
De titel suggereert op het eerste gezicht een boek over de doorwerking van het koloniale verleden, maar gaandeweg wordt duidelijk dat Hartman en Jeane een sterkere positie innemen. Voor hen is kolonialiteit niet slechts een historische erfenis of een analytische lens, maar een werkelijkheid die volgens hen nog steeds doorwerkt in maatschappelijke structuren, identiteitsvorming en machtsrelaties. Vanuit dat uitgangspunt bespreken zij hedendaagse kwesties als patriarchaat, racialisering, queer uitsluiting en Hindutva.

Een boek als interventie
Wie Het koloniale heden leest als een neutrale analyse van de Hindostaans-Surinaamse gemeenschap, leest het boek eigenlijk verkeerd. Hartman en Jeane presenteren zich expliciet vanuit dekoloniale, feministische en intersectionele uitgangspunten. Zij pretenderen niet boven de stof te staan, maar kiezen bewust positie. Hun doel is niet uitsluitend beschrijven, maar ook bevragen, corrigeren en interveniëren. Daarbij vertrekken zij vanuit de overtuiging dat koloniale verhoudingen niet tot het verleden behoren, maar nog altijd invloed uitoefenen op hoe mensen zichzelf, hun gemeenschap en hun geschiedenis begrijpen.
Dat maakt het boek soms activistisch, maar ook opmerkelijk consequent. Van de introductie tot het slotmanifest blijft dezelfde vraag terugkeren: welke verhalen worden niet verteld, welke ervaringen raken ondergesneeuwd en welke stemmen ontbreken in de dominante geschiedschrijving?
Van succesverhaal naar onderbelichte ervaringen
Een van de interessantste aspecten van het boek is de keuze van de auteurs om niet opnieuw het bekende verhaal van maatschappelijke stijging, onderwijs, ondernemerschap en succesvolle integratie centraal te stellen. In plaats daarvan richten zij hun aandacht op onderwerpen die vaak minder zichtbaar zijn: seksueel geweld, mentale gezondheid, suïcide, queer identiteit, colorisme, patriarchale verhoudingen en Hindutva.
Dat wil niet zeggen dat de auteurs het succesverhaal ontkennen. Hun punt lijkt eerder dat dit verhaal zo dominant is geworden dat andere ervaringen naar de achtergrond zijn verdwenen. Juist die onderbelichte ervaringen vormen het hart van het boek.
Manai ka boli en de kracht van stilte
Tijdens het lezen dringt zich steeds sterker een cultureel begrip op dat niet centraal staat in het boek, maar wel veel van de besproken thematiek helpt verklaren: manai ka boli.
In zijn masterthesis Plug ‘n Play Hindostanen: tussen manai ka boli en de massala wind omschreef Gaby van Beek manai ka boli als een “vergaande vorm van sociale controle” en zelfs als “het belangrijkste gegeven in het spanningsveld waarbinnen de ontwikkeling van culturele identiteit plaatsvindt”.
De uitdrukking betekent letterlijk: Wat zullen de mensen zeggen?
Juist tegen die achtergrond krijgen veel thema’s uit Het koloniale heden extra betekenis. Waarom wordt er zo moeilijk gesproken over seksueel geweld, mentale gezondheid, suïcide, queer-zijn of familieconflicten? Waarom kregen auteurs als Usha Marhé kritiek toen zij pijnlijke onderwerpen publiek maakten? Waarom riepen kritische stemmen van Bea Vianen, Gharietje Choenni en Chitra Gajadin weerstand op?
Het antwoord is natuurlijk niet uitsluitend manai ka boli, maar het begrip helpt wel te begrijpen waarom sommige onderwerpen zo gevoelig liggen. Het boek kan daarom gelezen worden als een poging om stiltes te doorbreken die al veel langer bestaan.
Nieuwe theorieën voor oude kwesties
Het zou echter een misverstand zijn het boek uitsluitend als gemeenschapskritiek te lezen. Hartman en Jeane putten uit uiteenlopende intellectuele tradities. Gloria Wekker en de critical race studies zijn duidelijk aanwezig, net als dekoloniale denkers, feministische auteurs als Audre Lorde en intersectionele benaderingen van identiteit en macht. Ook queer studies en diaspora studies vormen een belangrijk referentiekader.
Die theorieën zijn niet het onderwerp van het boek, maar het gereedschap waarmee de auteurs hun vragen stellen. Zij helpen verklaren waarom bepaalde ervaringen onzichtbaar blijven, waarom sommige stemmen minder worden gehoord en hoe macht, geschiedenis, gender, ras en seksualiteit elkaar beïnvloeden. In die zin is dekoloniale theorie niet het enige verklaringsmodel, maar één van meerdere kaders waarmee onderbelichte ervaringen bespreekbaar worden gemaakt.
Hindutva als nieuwe discussie
Misschien wel de meest vernieuwende bijdrage van het boek is de aandacht voor Hindutva: het politieke project van het hindoenationalisme.
Veel oudere publicaties over Hindostanen behandelen India vooral als bron van cultuur, religie en afkomst. Hartman en Jeane stellen een andere vraag:
Wat betekent verbondenheid met India in een tijdperk van Modi en Hindutva?
Daarmee introduceren zij een discussie die in de Nederlandse Hindostaanse context relatief weinig aandacht heeft gekregen. Dat is des te relevanter omdat de Hindostaans-Surinaamse gemeenschap niet uitsluitend uit hindoes bestaat, maar ook uit moslims, christenen en niet-religieuze leden. Juist daarom is de politisering van religieuze identiteit een onderwerp dat serieuze aandacht verdient.
Waar thema’s als sociale controle, genderverhoudingen en zwijgcultuur al langer voorkomen in de Hindostaans-Surinaamse literatuur, voegt de discussie over Modi, diaspora-nationalisme en Hindutva een duidelijke eigentijdse dimensie toe.
Slotbeschouwing
Het koloniale heden is uiteindelijk geen boek dat pretendeert de Hindostaans-Surinaamse gemeenschap in haar geheel te beschrijven. Het is een boek dat bewust kiest voor ervaringen, perspectieven en thema’s die volgens de auteurs lang onvoldoende aandacht hebben gekregen.
De kracht van het boek ligt niet zozeer in het leveren van definitieve antwoorden, maar in het verschuiven van narratieven. Het nodigt uit om anders te kijken naar geschiedenis, gemeenschap, identiteit en erfgoed. Daarmee sluit het aan bij een langere traditie van kritische auteurs die de grenzen van het bespreekbare hebben opgerekt. In zijn aandacht voor zwijgcultuur, gender, sociale controle en verborgen geschiedenissen staat Het koloniale heden dan ook niet op zichzelf, maar raakt het aan een traditie waarin ook Bea Vianen, Gharietje Choenni, Usha Marhé en Chitra Gajadin een belangrijke plaats innemen.
Deze recensie heeft het boek vooral vanuit dat perspectief gelezen. Dat is niet de enige mogelijke lezing. Wie het boek leest als een dekoloniaal manifest, een feministische interventie, een queer diasporatekst of een kritiek op Hindutva zal eveneens aanknopingspunten vinden. Juist die meerduidigheid maakt het boek interessant. Toch lijkt de meest overtuigende interpretatie dat Hartman en Jeane bestaande verhalen, perspectieven en stiltes opnieuw ordenen en zo ruimte proberen te maken voor stemmen die vaak aan de rand van het verhaal bleven.
Wie de titel Het koloniale heden letterlijk neemt, begrijpt ook de inzet van het boek. Hartman en Jeane beschouwen kolonialisme niet als een afgesloten hoofdstuk uit de geschiedenis, maar als een proces waarvan de gevolgen zich nog steeds manifesteren in maatschappelijke verhoudingen, culturele identiteiten en vormen van uitsluiting. Juist daarom plaatsen zij Hindostaanse stemmen nadrukkelijk in het heden.
Of men alle analyses en conclusies zal onderschrijven, is uiteindelijk minder belangrijk dan de vaststelling dat Hartman en Jeane gesprekken openen over onderwerpen die nog altijd ongemakkelijk, gevoelig of omstreden kunnen zijn. De grootste verdienste van Het koloniale heden ligt misschien niet eens in de antwoorden die het geeft, maar in de gesprekken die het onvermijdelijk oproept.