blog | werkgroep caraïbische letteren

Haridat Rambarans parivartan: zijn ontwikkeling van árya samáji hindoe tot atheïst (deel 8)

door Bris Mahabier

Episode 3, in Nederland: Hari en de Arya Samaj Nederland (ASAN)

51. Opvattingen over sewá in de árya samáj-beweging

Sewa is een basisbegrip uit de religieuze literatuur van hindoes. In Nederland is deze term in de afgelopen drie decennia frequent gebruikt. Ik heb niet alleen enkele van onze vooraanstaande Haagse árya samáji pandits, maar ook hoogopgeleide hindoes en bestuursleden van Hindoestaanse culturele organisaties een lans horen breken voor sewá. Ik probeer de essentie van dit begrip met enkele zinnen te illustreren.

Kalpoe R. Kalidien: was pandit en sewak van het
Kinderhuis van Arya Dewakar in Paramaribo
Foto: Archief van de schrijver

In het hindoeïsme heeft sewa betrekking op o.a. devotie (bhakti), God, goden, beelden van goden en godinnen in mandirs. Het woord sewa heeft ook een sociale betekenis: het ‘belangeloos’ helpen van anderen, het dienstbaar zijn aan de medemens, in het bijzonder armen, ouderen en alleenstaanden, zonder een tegenprestatie. Idealiter houdt de tweede betekenis in, dat bijv. een pandit een huwelijksritueel uitvoert zonder dat hij daarvoor betaald wordt, of dat een bijzonder hoogleraar een inleiding voor een organisatie houdt zonder een financiële vergoeding te krijgen. Dit is sewá in de ideale vorm, die niet meer of nauwelijks van toepassing is in onze moderne geëconomiseerde samenleving, waarin ‘geld’ centraal staat. In de huidige Nederlandse situatie zou sewá het verrichten van vrijwilligerswerk (door werkzoekenden, gepensioneerden, studenten e.a.) kunnen zijn, individueel of in georganiseerd verband. Dus niet beroepshalve en ook niet tegen (vrijwillige) betaling! Hindoes in Nederland zouden meer aan sewá kunnen, of zelfs moeten doen. Zo’n oproep hoor je ook in preken van pandits. Hoe groot is het maatschappelijk draagvlak voor sewá in ideale vorm? Dit vraag ik mij af. Dit appel is een gevolg van de ‘radicale’ individualisering, waardoor het ‘wij-gevoel’, het besef van verbondenheid langzamerhand – ook onder jongere Hindoestaanse Nederlanders – verkruimeld.

Deze aansporing door pandits was mede ingegeven door de oproep die in onze samenleving in die tijd hoorbaar was en eigenlijk nog is. Wij, Nederlanders, zouden meer naar elkaar moeten omkijken, meer aandacht moeten geven aan jongeren, maar vooral aan ouderen en alleenstaanden in onze families, in onze straat en in onze buurt. En veel meer. Een mens dient niet alleen een individu te zijn, maar ook een medemens. Deze oproep vanuit de politiek was vooral door de christelijke gedachte van naastenliefde ingegeven en bedoeld om de steeds verdergaande individualisering, de snel groeiende vervreemding van elkaar en van de natuur tegen te gaan. Voor het christelijke concept van naastenliefde, vooral als die onvoorwaardelijk is, heb ik veel respect. Ook in het sociale denken van hindoes komen vergelijkbare concepten en uitspraken voor. Helaas behoort meer dan de helft van de totale hindoebevolking van India tot de categorie shudra’s en minder! Het zijn juist deze laag gewaardeerde groepen (játi’s) die tijdens verkiezingscampagnes Jai Siá-Rám (een politieke slogan) roepen.

52. Poging tot regelgeving voor honoraria van pandits

Haridat Rambaran achtte reeds in het begin van de jaren tachtig ‘zuivere’ sewá van de arya samáji-pandits, vooral van degenen die werkloos waren, wenselijk. De pandits kregen voor hun religieuze dienstverlening aan particulieren een financiële vergoeding, vooral voor sanátni-pandits was dit een behoorlijke bron van neveninkomsten. Deze ’schenkingen’ door particulieren waren feitelijk een vorm van betaling. Een aantal árya samáji’s vroeg zich af, of er bij betaalde rituelen sprake was van sewá in de oorspronkelijke betekenis van het woord? Voor de wekelijkse hawans (vuurofferritueel), die pandits zondags in de mandir van ASAN uitvoerden, werden zij niet betaald. Wanneer een gezin een hawan of een sanskár (een overgangsritueel bijv. bij een geboorte) thuis liet doen, werden de gecollecteerde árti-gelden (vrijwillige meestal kleine donaties van aanwezigen) door pandits netjes aan de penningmeester van ASAN overgedragen en de betaling die de pandit ontving, was voor hem. De administratie van deze árti-gelden was transparant. Op deze betalingen had het bestuur van ASAN geen zicht. Wel waren vele kernleden via het informele circuit goed geïnformeerd over de hoogte van de betaalde bedragen. Anderen vroegen zich op fluistertoon af, of de fiscus op de hoogte was van deze extra inkomsten.

Drs. Suruj Biere: indoloog en árya samáji pandit. Ook sewak?
Foto: Archief van de schrijver

De hoogte van deze ‘vrijwillige’ betalingen was een doorn in de ogen van Haridat. Als ASAN-bestuurder trok hij – reeds in het begin van de jaren tachtig – hiertegen van leer. Deze kritiek werd hem niet in dank afgenomen. Ook Soerindre Sital, die in vele perioden bestuurslid was, vond dat er transparante richtlijnen moesten komen voor de omvang van deze betalingen, eventueel in de vorm van minimum- of adviesbedragen per sanskár. De priesterraad van ASAN huldigde in deze kwestie een liberale opvatting en vermeed met succes reglementering door het hoofdbestuur en de algemene ledenvergadering. Volgens haar was er geen sprake van betaling, maar van donaties. Samáji hindoes waren vrij om te geven. En zij bepaalden zelf de hoogte van het bedrag, dat ze wilden doneren.

Soerendre Sital: oud-bestuurslid en sewak 
van ASAN in Den Haag
Foto: Familiearchief van S. Sital

Een vreemde gebeurtenis deed zich in 1997 voor. Soerindre Sital was vanaf 1995 voorzitter, Sharita Gena en Angali Datadin waren resp. ondervoorzitter en secretaris. Het handvest van de priesterraad zou in aangepaste vorm aan de eerstvolgende algemene ledenvergadering voorgelegd worden. In het concept-handvest werden enkele nieuwe artikelen inzake honoraria van pandits voor diverse rituelen (sanskárs) voorgesteld. De algemene ledenvergadering zou zich over deze aanpassing kunnen uitspreken. Echter, een lid van de priesterraad was bij machte om op het laatste moment in te grijpen. De bladzijden met de nieuwe concept-artikelen over de voorgestelde hoogte van de financiële vergoeding van diverse rituelen werden verwijderd en verschenen niet in gedrukte vorm in het handvest. Kort voor de aanvang van de vergadering constateerde de voorzitter deze omissie. Het gevolg van deze weglating was, dat de algemene ledenvergadering geen oordeel kon geven over de voorgestelde aanpassing. Het bestuur zweeg om turbulentie in de vereniging te voorkomen! Soerindre Sital hoopte deze kwestie op een andere manier te kunnen oplossen.

Jaren later is het wel gelukt om ‘richtbedragen’ voor rituelen af te spreken, maar die zijn niet gepubliceerd. Wel hing er een A4’tje aan de muur in het kantoor van ASAN met namen van enkele rituelen en bedragen, die door jajmáns, particulieren die een ritueel laten uitvoeren, betaald konden worden. Wat de donaties (árti-gelden) betreft, die na de afloop van een ritueel door de aanwezige familieleden en anderen vrijwillig gegeven wordt, kan er opgemerkt worden, dat deze door de drie hoofdpriesters: Jagdiesh Datadin, Awadbeharie Jhagru en Rishi Tewarie vanaf het begin keurig netjes zijn afgedragen. Zij brachten samen jaarlijks ongeveer tienduizend gulden aan árti-donaties binnen. Vanaf de tweede helft van de jaren negentig deed ook pandit Suruj Biere hieraan mee, toen werd hij lid van de priesterraad van ASAN.

53. Hari Rambaran: de criticus van Arya Samaj in Den Haag

Hari was de eerste árya samáji in Den Haag die een kritisch oordeel had op bepaalde inhoudelijke zaken van Arya Samaj Nederland (ASAN). Al gauw was hij niet de enige kritische samáji. De kritiekloze acceptatie van de eigen leer en de routinematig uitgevoerde gebedsactiviteiten waren niet meer bevredigend voor een groepje árya samáji scholieren en studenten, die op Nederlandse middelbare scholen, hbo-opleidingen en universiteiten in de jaren zeventig en tachtig een kritische denkhouding hadden ontwikkeld. Hieronder waren er ook enkele kinderen van kernleden en pandits. Zij streefden naar culturele kennisverruiming en stonden open voor modernisering om beter in de Nederlandse samenleving te kunnen functioneren. Hoe moesten zij omgaan met de dominante Nederlandse cultuur? Dit vroegen sommigen zich af. En hoe moesten zij oordelen over de gepredikte superioriteit van Vedische cultuurelementen en de ongebreidelde mythevorming m.b.t. de árya-bevolking, de Arya Samaj en de stichter van deze vereniging? Wat waren de precieze standpunten van Swami Dayanand inzake huwelijk, seksualiteit, voortplanting, het erfelijke kastenstelsel, de positie van weduwen en vrouwen? Deze kritische geluiden zouden na enkele decennia steeds minder hoorbaar worden.

54. Hari over ‘Het verdriet van ASAN’

Brief: Het verdriet van ASAN
Archief: S. Sital

Bekend is, dat Hari laatstelijk in 2014, een jaar voor zijn overlijden, in een opbouwende brief met als titel Het verdriet van ASAN, naar analogie van Het verdriet van België, een romantitel van Hugo Claus, bij het bestuur van deze vereniging aangedrongen heeft op enkele noodzakelijke hervormingen. Hari was de eerste in ASAN die al heel vroeg aan zelfreflectie deed. Deze keer niet op een scherpe toon, maar middels zijn brief langs de weg van zachte overreding. Het is de priesterraad die samen met het bestuur het beleid van deze vereniging bepaalt. Hierbij blijft men de koers van de Arya Samaj in India zoveel mogelijk trouw volgen. Heeft deze brief van Hari op de agenda van de priesterraad en het hoofdbestuur van ASAN gestaan? Volgens enkele ‘insiders’ niet. Ook Hari gaf – kennelijk – veel om ASAN, vandaar zijn volharding in het leveren van opbouwende kritiek. Hari bleef constructief denken en consequent in zijn gedrag. Met de routineuze uitvoering van hawans was hij niet tevreden. De door hem en anderen beoogde inhoudelijke gesprekken en discussies kwamen binnen de gestagneerde ASAN niet op gang.

55. Zij deden hun best, maar schoten op bepaalde gebieden tekort

In de eerste jaren nam men genoegen met een beperkte actieradius: de mandir-bijeenkomsten op zondagmorgen stonden centraal. In de laatste drie decennia besteedden enkelen, bijv. pandit Jagdiesh Datadin, ook aandacht aan sewa (onbaatzuchtige dienstverlening). Zo kwam hij op huisbezoek bij enkele ouderen. Sewá is niet alleen een taak van pandits. Ook niet-pandits kunnen zich verdienstelijk maken door aan sewa te doen. De pandits hebben in bepaalde opzichten zeker hun best gedaan. Alle pandits, bestuursleden en andere samáji’s hadden als wens een eigen mandir. In 1984 ging deze wens in vervulling. In de Regentesselaan werden twee panden gekocht en in 1984 werden deze in gebruik genomen. Langzamerhand werd ook een aangrenzend hoekpand aangekocht, opgeknapt en in gebruik genomen o.a. als bibliotheek en vergaderruimte. In 2019 werd een nieuwe grote mandir op eigen grond achter het Hollands Spoor gebouwd en in gebruik genomen.

Wij kunnen – achteraf – ons afvragen, of een kleine groep van jongeren en veertigers van toen met Hari in de voorhoede niet te hoge eisen stelde aan de árya samáji pandits van de jaren zeventig-tachtig? Slechts één van hen was in het bezit van een mulodiploma in Suriname behaald. De pandits waren gespecialiseerd, zoals eerder gesteld, alleen in het uitvoeren van karamkánd, d.w.z.van de rituelen. De hoge verwachtingen van deze jongeren konden zij moeilijk of nauwelijks realiseren. Misschien was het ook zo, dat de priesterraad wel wist, dat ze op het algemene kennisniveau tekort schoot en daarom stelselmatig openbare discussies vermeed. Of zou de priesterraad misschien toch overtuigd zijn geweest van de juistheid van eigen standpunten die gedeeltelijk uit de onfeilbare Veda’s, de geschriften van Swámi Dayanand en van andere Indiase goeroes afkomstig waren?

56. Groep Hari en pandits als sewaks

Hari werkte mee aan publicaties samen met enkele godsdienstwetenschappers, die als docenten aan Nederlandse universiteiten waren verbonden (zie paragraaf 58). Ook samen met zijn drie vrienden en anderen heeft hij informatieve boeken geschreven. Intussen gingen leden van de priesterraad van ASAN door met het perfectioneren van het hawan-ritueel. Zeer veel aandacht werd er besteed aan de goede uitspraak van de mantra’s in het Sanskriet en ook van Hindi woorden. Aan de inhoud van de preken werd er in de priesteropleiding onvoldoende gesleuteld. Er werd geen poging ondernomen om actuele maatschappelijke vraagstukken tot onderwerp van de (oefen)preken te kiezen. Er kon geen brug geslagen worden naar de westerse cultuur van Nederland omdat men die nauwelijks kende of het belang ervan niet onderkende.

Hari heeft vaak gepoogd om de árya samáji-pandits en leken, inclusief zijn vader, die aan het einde van de jaren zeventig tot de priesterraad van ASAN was toegetreden, kritisch te laten reflecteren over bepaalde onderdelen van hun Vedische wereld- en maatschappijbeschouwing, ook in samenhang met de westerse cultuur. Hari’s taalgebruik was vaak confronterend en soms niet-diplomatiek. Dit werd hem kwalijk genomen. Priesters gingen voorbij aan de inhoud van zijn kritiek. De arya samáj-beweging werd in India, ook in Suriname tot ongeveer 1969, gekenmerkt door maatschappelijk en politiek activisme. Dit geldt niet voor ASAN en de vele árya samáji-verenigingen in Nederland.

Hari Rambaran, Gang Kalpoe, Roep Ramcharan en Jai Sukhraj deden hun best om verandering op enkele deelgebieden te bewerkstelligen, maar succes bleef uit. Ook anderen, o.a. Surrendra Santokhi en Bris Mahabier, deden pogingen tot een kritische benadering van bepaalde opvattingen en concepten in árya samáji-geschriften en in de dagelijkse praktijk. Zij zochten samen met studie- en discussiegenoten naar alternatieven voor wat niet meer bij onze tijd paste. Chandrebhan Marhe reageerde schriftelijk (middels een brochure en in vlugschriften) op de onjuiste beeldvorming van het hindoeïsme door toedoen van enkele Nederlandse hindoes en anderen.

57. Haridat en zijn vrienden succesvol actief buiten ASAN

Gang Kalpoe, Jai Sukhraj en Roep Ramcharan (die nu alleen in een universele ‘kracht’ gelooft), toentertijd allen veertigers, waren de eerste hoogopgeleide volwassenen, die de inhoudelijke kritiek van Haridat Rambaran op bepaalde delen van de leer, op de priesterraad en de eenzijdige religieuze gang van zaken in Arya Samaj Nederland (ASAN) openlijk steunden. Van drie van hen waren ook de vaders vooraanstaande leden van ASAN, de een als een pandit en twee als zangers. Zij bezochten de hawans, de zondagse gebedsdiensten en lezingen van gastsprekers uit India, regelmatig.

Het verschil in denken tussen enkele leden van de priesterraad en de groep-Hari bleef. Tot een openhartige gedachtenuitwisseling kwam het niet. Hierdoor leek een compromis onbereikbaar. Hari en zijn drie geestverwanten zochten reeds in de eerste helft van de jaren tachtig hun heil elders, echter zonder hun lidmaatschap van ASAN op te geven. Zij vergrootten hun actieradius. Dit groepje behoorde tot de eerste volwassenen die genoegen namen met ‘zelfmarginalisering’ binnen ASAN; maar niet binnen de árya samáj-beweging in Nederland. Een gevolg hiervan was, dat zij de reguliere zondagse hawans niet meer bijwoonden. Hun sympathie voor de Arya Samaj als een hervormingsbeweging verdween niet.

Zij, vooral Hari, werden actieve leden van verschillende andere werk- en studiegroepen, waarvan de door hen gevormde Studiegroep Hindoeïsme de belangrijkste was. Hari, zijn drie vrienden en anderen waren al eerder lid geworden van de Haagse oecumenische Werkgroep Christenen en Hindoes, die onder leiding van dominee Jan Buikema stond. Deze werkgroep schreef enkele handzame brochures. Hari heeft een grote bijdrage geleverd aan de oprichting in Waddinxveen in 1987 van FAS-Ned, een landelijke federatie van 25 árya samáji organisaties. De meeste van deze groepen hadden een bescheiden grootte. Hari zat eveneens in de programmaraad van de landelijke hindoe-omroep OHM. Voorts was hij betrokken bij Hindi Parishad Nederland (HPN) die zich inzette voor de verbreiding van het onderwijs in Hindi. Er is een keer een schriftelijk Hindi-examen op zijn zolderetage afgelegd; enkele keren op zijn school in Waddinxveen en in Den Haag op de school van zijn vriend Roep Ramcharan. Bij de Stichting Geloofsovertuiging en Levensbeschouwing zat Hari in de commissie Spiritualiteit in de zorg.

Publicaties van Haridat Rambaran

58. Publicaties van Hari Rambaran, individueel en in samenwerking

In de loop der jaren heeft Hari Rambaran enkele boeken over de Arya Samaj en het hindoeïsme, individueel of in samenwerking met zijn vrienden of wetenschappers, niet alleen met Hindoestaanse, maar ook met autochtone academici, gepubliceerd. Twee boeken schreef Hari samen met zijn vrienden Gang Kalpoe en Jai Sukhraj. Enkele van deze publicaties zijn nog via de boekhandel verkrijgbaar. Hari heeft ook een aantal artikelen in verschillende bladen gepubliceerd. Deze zullen in de onderstaande bibliografie niet worden vermeld. Ook de brochures, die hij samen met de leden van de Werkgroep Hindoes en Christenen en de Stichting Studiegroep Hindoeïsme schreef, blijven buiten de volgende opsomming. Deze brochures zijn niet meer verkrijgbaar.

Rambaran, H., G. Kalpoe en J. Sukhraj (1989, 1991). Hindoeisme binnen ieders bereik. Den Haag: Studiegroep Hindoeïsme.

Rambaran, H. (1989). De schoonmoeder en de dode kat. Een werkstuk over belevingen van het hindoeïsme onder Surinaamse hindoes. Waddinxveen, in eigen beheer.

Rambaran, H., A. Bierdja, J. Datadin, G. Kalpoe en J. Sukhraj (1993). De Arya Samaj. Een kwart eeuw in Nederland. Den Haag: ASAN. Hoofdstuk 10 is van de hand van H. Rambaran.

Rambaran, H. (1995). Parivartan Transformatie. Waddinxveen: HINFOR.

Dijk, A.M.C. van (eindred.), H. Rambaran en Ch. Venema (red. 1999). Hindoeïsme in Nederland. Achtergronden, geloofsbeleving. En toekomstperspectieven van Surinaamse hindoes in de Nederlandse samenleving. z.p.: Damon.

Rambaran, Hari, Devi Koeldiep, Jan Buikema (2004), Voetafdrukken uit de Vedische wereld. Bijdrage van hindoes aan de interreligieuze dialoog in Nederland. z.p.: Damon.

Kalpoe G., H. Rambaran, R. Ramcharan en J. Sukhraj (2009). Hindoeïsme tussen traditie en vernieuwing en de invloed van de Arya Samaj. Den Haag: Studiegroep Hindoeïsme.

Rambaran, Haridat (2010). Dharma, de spil. Het docentenboek. Waddinxveen: HINFOR.

Rambaran, Haridat (2010) Dharma, de spil. Het leerlingenboekje. Waddinxveen: HINFOR.

Rambaran, H. (2013). Levensbeschouwelijk hindoeïsme. Antwerpen: Grant.

Sharma, Sieta Motiram en Haridat Rambaran (2014). De mens centraal. Waddinxveen: HINFOR.

Rambaran, H., Biekram Lalbahadoersingh e.a. (2015). Handboek geestelijke zorgverlening voor Hindoes. Almere: Uitgeverij Pantheon.

Klik hier voor deel 1, deel 2, deel 3, deel 4, deel 5, deel 6 en deel 7.

2 comments to “Haridat Rambarans parivartan: zijn ontwikkeling van árya samáji hindoe tot atheïst (deel 8)”

  • Bris geeft op inzichtelijke manier uitleg van het het fenomeen sewá in de hindoe gemeenschap. Helder is de beschrijving van de subtiele en onverdroten bijdrage van de sewá van Hari op verschillende gebieden binnen de hindoe gemeenschap in Nederland.

    Ik feliciteer Bris met zijn verhelderend blog.

  • Heer Mahabier,

    Ik ben het volkomen met u eens, dat bij welke vorm van sewà daan geen honorarium
    thuishoort. Vrijwillige donaties ( 0ngeacht hoe omvangrijk ook) is bestemd voor het
    onderhoud en overige kosten t.b.v. gebedshuizen. Heel jammer, dat wijlen de heer
    Hari Rambaran het niet kon vinden met de halsstarrige andersdenkenden.
    Vol ongeduld, ben ik in afwachting hoe het thans gesteld is met het Hindoeïsme
    in Nederland bij uw vervolg verslagen. Met dank Soerin Marhé.

1 Trackback/Ping

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter