blog | werkgroep caraïbische letteren

Haridat Rambarans parivartan: zijn ontwikkeling van árya samáji hindoe tot atheïst (deel 10; slot)

door Bris Mahabier

Episode 3, in Nederland: Hari’s kritiek op árya samáji pandits

Hari Rambaran in Nederland: hij studeert, informeert, discussieert, kritiseert, publiceert en wordt ten slotte een geloofsafvallige (= nástikwádi).

Drs. Hari Rambaran: ‘Een stem des roependen in de woestijn’.
Neen, in Ekta in Den Haag, 2011. Foto: Pan Ramawadh

66. Haridats volhardende pogingen tot hervorming van ASAN

In 1982 trad Hari als secretaris van Arya Samaj Nederland (ASAN) af. Hij ambieerde geen voorzitters- of secretarisfunctie meer. Hierbij gaf de ‘stille’ mening van de ‘toppers’ van de priesterraad van ASAN en die van enkele leden met een groot netwerk de doorslag. Deze samáji’s – in naam voorstanders van maatschappelijke en religieuze hervorming – wensten rust in hun vereniging. Zij gaven de voorkeur aan loyalisten, bestuursleden die de denkwijze en de praktijk van de pandits zouden ondersteunen. De invloedrijke priesterraad had het liefst weer een pandit als voorzitter van ASAN. Zeer waarschijnlijk zou Hari door de meerderheid van de leden niet gekozen zijn omdat verschillende machtige leden van de priesterraad, maar ook enkele kernleden, niet gecharmeerd waren van de kritische opvattingen en bepaalde minder tactische uitspraken van hem. Zo zou Hari een keertje in confrontatie de pandits murukh (dwazen, onwetenden, murkh in het Hindi) en decennia later zzp’ers genoemd hebben. Hari werd in zijn oordeel, dat pandits zwak onderlegd waren, gesterkt door o.a. een onderzoek van de Universiteit van Leuven en een van het Universitair Medisch Centrum van Groningen. In een persoonlijke brief van 4 januari 2015, gericht aan Radjin Gena,  verwoordde Hari zijn diepe teleurstelling: ‘Klagen over de praktijk van priesters is zo iets als hout naar Noorwegen of Zweden brengen.’ Hij besloot dezelfde brief met de volgende woorden: ‘Het zal je niet verbazen, dat bij mijn verzekeringspapieren een brief ligt voor mijn nabestaanden om na mijn overlijden vooral geen pandit er bij te halen. Er zijn  er meer die zo over denken.’

Priesters van ASAN , 2012,
Foto: Archief van ASAN

De pandits waren heilig overtuigd van de juistheid van hun zienswijze en rituele handelingen, die immers gebaseerd waren op de oudste, onfeilbare geschriften van Árya’s van voorchristelijke oorsprong en op die uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Ook aanvaardden zij de richtlijnen en adviezen, die zij kregen van Indiase geleerden en collega’s, die regelmatig Den Haag bezochten en die met opvallend veel égards behandeld werden. De meeste bestuursleden van ASAN waren in onvoldoende mate thuis in de literatuur van de Arya Samaj en andere stromingen in het hindoeïsme. Hierdoor waren zij niet in staat om bij meningsverschillen corrigerend of sturend op te treden. Immers, zij konden moeilijk oordelen over de (on)juistheid van de uitspraken van pandits, Hari en enkele anderen. Pijnlijk was het om te constateren, dat de Arya Samaj nauwelijks meer aanspraak kon maken op de aanduiding hervormingsbeweging. ASAN had zich langzamerhand ‘ontwikkeld’ tot een práthná samáj. Een bidgroep, bestaande uit voornamelijk ouderen, die bij elkaar kwam om op een Vedische manier de Almachtige te danken voor wat zij van Hem ‘verkregen’ hadden en om te smeken voor meer welzijn, welvaart en vrede. Met geen woord werd er gerept over de sociale politiek van de Nederlandse overheid.

67. Geen pandits? Wel bekwame karamkándi’s

Pandita’s en enkele bureaumedewerkers van ASAN
Foto: Archief van pandit Jagdish Datadin

De Haagse árya samáji pandits van de jaren zeventig en begin-tachtig, waren kundige karamkándi’s: uitvoerders van sanskárs of overgangsrituelen. Overigens geldt dit ook, of vooral voor de pandits van nu. Geen van hen had een westerse hbo-opleiding, sommigen hadden in Suriname slechts lager onderwijs genoten. Ook deze eenzijdige, beperkte scholing speelde een rol bij bepaalde verwikkelingen binnen ASAN. Er gaapte een kloof tussen beide partijen: tussen een kleine groep van jongere hbo’ers die naar vernieuwing en aanpassing streefden en alle pandits, vooral gesteund door oudere samáji’s,  die de bestaande situatie wilden voortzetten. Een open en eerlijke dialoog tussen pandits en deze westers opgeleide, kritische jongeren was nauwelijks mogelijk. Bovendien werd de westerse kennis van de Hindoestaanse jongeren en de Engelstalige literatuur door de pandits gewantrouwd. En alle wetenschappelijke kennis stond al in beginsel in hun vier Veda’s. Dit argument werd vaak en dan nog op een neerbuigende manier gebruikt. Deze opvatting werd tot in de jaren negentig veel gehoord. Later hebben enkele hbo’ers met meer kennis van de Nederlandse samenleving en het onderwijs zich geschoold in karamkánd, het uitvoeren van Vedische rituelen in de mandir. De kritische bijdrage van deze nieuwe pandits c.q. karamkándi’s aan de interne inhoudelijke discussie was gering.

Religieuze kloof tussen jong en oud
Foto: Archief Bris Mahabier

Op de inhoud van de kritiek van Hari werd niet op een zakelijke manier ingegaan. Met pandit Ramlal uit de VS, een emigrant uit Berbice in Guyana en voormalige activist van de linkse  People’s Progressive Party (PPP) van dr. Cheddi Jagan, had Hari een goede relatie. Evenzo met pandit Rishi Tewari uit Amsterdam die hij dikwijls in de weekends bij familie Gang Kalpoe ontmoette. Verschillende besturen en de priesterraad van ASAN hebben nagelaten om de verschillen in inzichten planmatig aan te pakken. Een vereniging met een paar honderd leden managen was vele bestuursleden goed toevertrouwd, maar met dit soort meningsverschillen konden zij  nauwelijks iets doen. Een deel van Hari’s kritiek was nieuw. Er waren enkele goed onderlegde jonge studenten, die met delen van de kritiek van Hari eens waren, of zij wilden eerst weten wat er in de eigen geschriften stond geschreven om een oordeel over discutabele kwesties te kunnen vormen. Enkelen gingen delen van bepaalde samáji boeken, de meeste in het Engels, bestuderen. Een van hen, de historicus Surrendra Santokhi, die ook Hindi in India had gestudeerd, nam bepaalde passages uit de Rig Veda samen met zijn vader, die pandit was, door! In dit kader heb ik zelf drie árya samáji boeken van pandit R. Rambaran, vader van Hari, die Vedische en árya samáji literatuur uit India importeerde, gekocht en bestudeerd.

Enkele pandits en bestuursleden stoorden zich ook aan de toon van Hari en de scherpe woorden die hij in confrontaties met hen soms gebruikte. Op den duur werd er op de persoon van Hari en af en toe ook op drie van zijn vrienden en twee van de echtgenotes gemikt. Hari werd nooit in het openbaar bestreden en vooral niet met argumenten. Dit gebeurde soms via een informeel circuit dat met pandits was verbonden. Langzamerhand ontstond er een negatieve beeldvorming over Hari. Zijn kránti, zijn opbouwende kritiek, werd door sommigen als schadelijk voor de positie en ontwikkeling van ASAN beschouwd. Weer anderen wisten er gewoon geen raad mee. Kritiek afkomstig uit eigen boezem op samáji pandits, op enkele leerstellingen en op de passiviteit van de vereniging ASAN die niet meer hervormend aan de weg timmerde! Dat was nieuw. Hari’s aanwezigheid op activiteiten, o.a. de studiebijeenkomsten later door jongeren in de mandir van ASAN georganiseerd, werd geduld. Hij werd ‘netjes’ (terug)gegroet, ook door de meeste pandits, maar of dit – in de jaren tachtig – bij iedereen van harte ging, is de vraag. Deze moeilijke verhouding heeft enkele decennia geduurd. Met één uitzonderlijk moment bleef iedereen vredelievend naar elkaar toe.

67. Zoeken naar vernieuwing

Ook Hari behoorde tot mijn generatie, ook hij leefde in een complexe culturele situatie, maar wel met een reflexieve levenshouding. Als wis- en natuurkundestudent was hij vertrouwd met een bepaalde manier van denken. Het geloven op gezag van anderen met een beperkte en eenzijdige intellectuele bagage kon tot misverstand, wrijving en irritatie leiden. In Nederland richtte Hari zijn blik primair op de eigen Arya Samaj, een beweging die maatschappelijke en religieuze hervorming tot de dag van vandaag hoog in het vaandel heeft staan. Met mooie woorden nam hij geen genoegen meer. Hari probeerde op zijn eigen manier de intellectuele heerschappij van de priesterraad te doorbreken en een verbinding met onze Nederlandse samenleving te bewerkstelligen. Dit was een uiterst moeilijke opgave. In de priesterraad had hij weinig steun. Ook onze pandits zijn in het bezit van de beste, oudste geschriften in de Godstaal geopenbaard, met alle nodige – ook wetenschappelijke – kennis erin. Een intern debat tussen ouderen (de pandits) en jongeren was in die jaren nog niet mogelijk. En discussies over maatschappelijke thema’s met religieuze wortels kwamen niet van de grond.

Hawan, het symbool van  Nederlandse árya samáji’s
Bron: Schilder Anand Binda, schilderij in bezit van Jit Narain (1977)

Steun kreeg Hari wel van zijn vrienden Jai Sukhraj, Gang Kalpoe en Roep Ramcharan. Sommigen hadden moeite met zijn scherpe formuleringen, zijn directe aanpak en bovenal zijn ironische toon en hekelende, sarcastische bewoordingen. Zijn bedoeling was om het gedachtegoed van de árya samáji’s gesaneerd en aangepast te krijgen. Bepaalde onderwerpen, die hij aan de orde stelde, leidden tot veel interne, uitgesproken en onderhuidse   ontevredenheid en wrevel. Nogmaals: de meningsverschillen zijn in die tijd nooit in een openbare discussie uitgevochten. De pandits (priesters) lieten zich voornamelijk leiden door hun Indiase goeroes, swami’s en geschriften van de eigen stroming. Hari en zijn vrienden maakten ook gebruik van Engelstalige literatuur uit de VS, Verenigd Koninkrijk en India. Dat was in de ogen van sommige pandits niet juist. Immers, de oude Sanskrietteksten waren in hun ogen op vele plaatsen verkeerd vertaald. Volgens hen was dit ook het geval met de Engelse vertaling van Satyarth Prakash, een van de Hindi bronnen van árya samáji hindoes. De kloof tussen jong en oud, tussen traditie en vernieuwing, tussen ritualiteit en intellectualiteit groeide gestaag. Vele jongeren participeerden na de afronding van hun studie niet meer in de zondagse hawans (vuuroffer) in de mandir (tempel) aan de Haagse Regentesselaan; wel bleven zij zich nog met de árya samáj-beweging verbonden voelen als ‘buitenkerkelijken’. Deze houding van hoogopgeleiden is tot de dag van vandaag niet veranderd. En de kloof tussen jongeren en pandits groeit nog steeds door, vooral betreurd door pandits, die machteloos toekijken, of niet in staat zijn om effectief te kunnen handelen. Het is opvallend, dat nu beide partijen tevreden lijken te zijn. Niemand durft zijn vingers te branden. Haridat was een van de weinigen die wel zijn nek uitstak. Hij deed zijn mond open. Maar ‘preekten’ Haridat Rambaran, Surrendra Santokhi en Brispath Mahabier misschien voor hardhorenden?

68. Opvattingen van informanten en oud-bestuursleden over Hari

Er is door mij geen poging gedaan om alle informanten te anonimiseren. Dit zou weinig zin hebben. Binnen ASAN zijn de standpunten van velen bekend. En thans is er zeker sprake van meer transparantie in verenigingszaken.

Een informant, een integer oud-bestuurslid, kwalificeerde Hari als: ‘U bahut hunsiyár laundá rahá’. (Hij was een zeer intelligente jongeman.)

Een andere informant schreef in een app: ‘Hari had wel veel ideeën, maar die werden bijna door geen enkel lid van ASAN begrepen. Hij heeft de Arya Samáj in Nederland niet kunnen hervormen. Dat wilde hij wel.’

Een ander prominent lid, zelf indoloog en pandit, noemde Hari: ‘De beste kenner van de leer van de Arya Samaj en van hindoe-dharma (religie), die een scherp oog had voor details. Jammer, dat Hari te veel kritiek had op de priesterraad en individuele pandits.’ Dezelfde pandit-informant vervolgt: ’Ik vond de meeste kritiek van hem opbouwend. Zijn kritiek was bedoeld om ons, árya samáji pandits, te prikkelen. Hij was iemand die op zijn eigen manier goed bedoelde. En veel goed werk voor alle hindoes, vooral op het landelijk niveau, heeft verricht.’

 De árya samájbeweging in Nederland:
groen en verdord.
Foto Bris Mahabier.

Volgens een andere informant zou Hari de pandits in een van zijn korte geschriften ‘asur‘ (duivels, een oud-Vedisch Sanskrietwoord) hebben genoemd. Deze ‘brief’ kon door mij niet achterhaald worden. Volgens deze informant drong Hari keer op keer aan, dat de pandits hun geschriften beter zouden moeten bestuderen. Ook zou hij gesteld hebben, dat sommige pandits in de jaren zeven en tachtig zelfs de belangrijkste geschriften van de Arya Samaj niet in huis hadden. Dat de pandits dik betaald werden voor de rituelen, die zij routinematig thuis bij samáji hindoes uitvoerden en voor hun afgezaagde toespraken en mantra-zang. Hari klaagde vaak over de lange duur van de rituelen. Ook over de toegankelijkheid van de preken: jongeren konden de toespraken in het standaard Hindi niet volgen.

Een andere, jong en universitair opgeleide informant stelde, dat ‘Hari moeite had met het overdreven ophemelen door pandits van het leven, de opvattingen en het werk van Swami Dayanand. Om deze reden noemde Hari hen dayánandi’s, volgelingen van Dayanand. Ook dat de pandits als karamkándi’s tevreden waren met het uitvoeren van drie sanskárs (overgangsrituelen) en verder geen andere ambitie, vooral geen maatschappijkritische, hadden. Hari had moeite met de beperkte belezenheid van de pandits, met hun vlakke toespraken. Hij miste diepgang en aansluiting bij de actualiteit in de Nederlandse samenleving.’

69. Enkele kritische opvattingen van Hari

Hieronder staan er exemplarisch enkele opvattingen die Hari meer dan eens heeft verwoord. Hem komt de eer toe, dat hij vanaf de jaren zeventig, ook in aanwezigheid van zijn vader, die tot de priesterraad was toegetreden, bepaalde onderwerpen kritisch en openhartig ter sprake heeft gebracht. Het ging Hari niet zozeer om personen, maar om de inhoudelijke kant van de árya samáji-missie, zodat aanpassingen aan de nieuwe samenleving mogelijk zouden zijn en de árya-leer aantrekkelijk voor eigen jongeren zou worden. De onderstaande samengevatte opvattingen en uitspraken van Hari komen van informanten, die Haridat persoonlijk hebben gekend en zijn uitspraken hebben gehoord.

Hoe Haridewa [Hari Rambaran] een atheïst werd
Foto: Radha Rambaran

De verschillende pujá’s door sanátani pandits en hawans door samáji pandits bij de hindoe-gelovigen uitgevoerd, zouden vooral in het materiële belang van de pandits zijn. Hari heeft in georganiseerd verband een poging gedaan om te komen tot uniformering van de te betalen vergoedingen voor rituelen door árya samáji pandits uitgevoerd. Een adviesprijzenlijst zou wildgroei kunnen voorkomen c.q. beperken. Overigens dient vermeld te worden, dat ook Hari vond, dat de samáji pandits de karamkánd, d.w.z. de hawans (vuurofferritueel) en de sanskárs (overgangsriten) goed, d.w.z. in overeenstemming met de geldende voorschriften, vastgelegd in de rituaalhandboeken, uitvoerden. Ook hij noemde de samáji pandits karamkándi’s, rituele specialisten. Hari gebruikte bij voorkeur de term karamkándi, niet het woordje pandit, dat letterlijk ‘geleerde’ betekent. Wel was Hari van mening, dat aanpassingen van details van de sanskárs aan de veranderde omstandigheden in Nederland en Suriname mogelijk en noodzakelijk waren. Zich krampachtig vasthouden aan de traditionele regels uit de negentiende eeuw vond hij niet van belang. Een voorbeeld van aanpassing is zijn voorstel om de tien grondbeginselen van de Arya Samaj te herschikken, d.w.z. de volgorde ervan te veranderen. Dit voorsteel deed onder de priesters veel stof opwaaien. Zij wezen het af. Wederom een afwijzing zonder interne discussie. Aan de autoriteit van Dayanand mocht niet getornd worden. Misschien vooral niet door kinderen van pandits.

Overdracht van relevante kennis aan jongeren schoot tekort, omdat de meeste pandits het Nederlands in onvoldoende mate beheersten. In dit verband schreef Hari Levensbeschouwelijk hindoeïsme, een leer- en een leerlingenboek voor geïnteresseerde leerkrachten, pandits en leerlingen van middelbare scholen. Hari stelde, dat het hindoeïsme eveneens een levende wereldbeschouwing was. Een goede hindoe hoort in de eerste plaats een goede burger van Nederland te zijn. Hiervoor was in grote lijnen meer kennis van de Nederlandse historie en cultuur, ook van het christendom, nodig.

Hari was een groot voorstander van deelname van samáji organisaties aan de maatschappelijke discussies en debatten in Nederland. Op dit vlak was de Arya Samaj in geen velden of wegen te bekennen. Ook huisartsen dienden geïnformeerd te worden over bepaalde heersende opvattingen onder hindoes over ziektebeelden en de dood.

Swami Dayanand

Het kennisniveau van de priesters, deels autodidacten, was (is?) onvoldoende. Hari drong aan op (interne) bijscholing, niet alleen het lezen van de biografie van Swami Dayanand, zijn publicaties, maar een bredere opleiding was broodnodig. Zelf streefde hij ook naar verdieping van de eigen dharma-kennis.

Binnen de vereniging ASAN was (en is) de macht van de priesterraad groot. De eenzijdige invloed van enkele pandits – momenteel van drie – is overheersend. Als orgaan kon/kan de priesterraad het hoofdbestuur ‘overrulen’. Meestal werd het beleid van het bestuur op een niet transparante manier door enkele invloedrijke pandits naar hun hand gezet. De macht van de priesterraad diende volgens Hari tot religieuze zaken beperkt te worden.

Het door árya samáji’s alom geprezen hawan, vuurofferritueel, begeleid door recitatie van Vedische Sanskrietteksten, die door Swami Dayanand zijn voorgeschreven, was volgens Hari en anderen helemaal niet zo ‘heilig’ en ‘luchtzuiverend’ door de verbranding in de kund van samagriyah, een mengsel van kruiden uit India, een bepaald houtsoort en ghi, zoals de pandits beweerden. Hawan, verbranding van fossiele stoffen, was zelfs slecht voor het milieu op onze aarde. Hierbij attendeerde Hari de samáji hindoes op de uitstoot van CO2 bij elke verbranding, ook bij die van welriekende Indiase kruiden die bij hawan worden gebruikt en de opwarming van de dampkring om onze planeet, onze dharti mátá (moeder aarde).

70. Hari Rambarans kritiek op pandits in dichterlijke woorden

Het volgende gedicht van Haridat (schuilnaam Haram: wat verboden is), geeft zijn kritische opvattingen over pandits vlijmscherp weer.

Houdt eens op

hij spreekt zeer lang
ook deze keer
in zijn hart is hij bang
juist deze heer
dat men ‘t zou snappen
zit op het kleed
met moraal en ethiek
preekt weer zeer breed
bang voor kritiek
dat men ‘t zou snappen
wenst ook deze keer
bhakta, wees koen
bemiddelt bij de Heer
voor eer en poen
dat men ‘t zou snappen
zeker niet verlegen
men behoudt de code
de inhoud verzwegen
wat een snelle bode
dat men het juist niet
moet snappen …

71. Hamár nivedan (mijn verzoek) aan árya samáji’s

De natuurkundige opmerkingen van Hari, waarvan de bovenbouwleerlingen van de havo en het vwo op de hoogte zijn, werden door onze pandits niet begrepen en of genegeerd. Hari’s kritiek werkte, vooral onderhuids, als een rode lap op een stier. De meerderheid van de priesterraad had grote moeite met deze wijsheid (giyán) van Hari. In eigen kring vroegen bepaalde pandits zich af, of Hari misschien meer kennis van de natuur had dan Swami Dayanand en de oude rishi’s die de Veda’s hadden ‘geschreven’. En of er in de Nederlandse schoolboeken meer kennis te vinden was dan bijv. in de Vedische literatuur? Enkele pandits bestudeerden bepaalde teksten samen met hun hoogopgeleide kinderen. Ze raakten overtuigd van de juistheid van enkele opmerkingen van Hari. Een saillant detail is, dat een pandit op basis van eigen denken besloot om niet meer in jnam chakr (geboortecyclus van de hindoe-mens) te geloven.

Hari ontvangt een prijs van de Vrienden van Nickerie
Foto: Ruud Chander

Waardering ontving Hari – enkele jaren voor zijn vroege overlijden – van de Vrienden van Nickerie, een groep die bestaat uit hooggeschoolden, ondernemers en anderen die  door familiebanden met het rijstdistrict Nickerie zijn verbonden. Van deze groep o.l.v. dr. Chander Mahabier, drs. Ruud Chander en drs. Dawlatram Ramlal ontving Hari een prijs voor zijn inspanningen op het religieuze vlak.

Misschien hadden de pandits en zij die hervorming wensten elkaars standpunten beter kunnen verduidelijken op studiebijeenkomsten van priesters en westers geschoolde árya samáji’s. Een van de laatste pogingen van Hari was om een interne studiebijeenkomst over enkele mantrá’s van mandalá (hoofdstuk) 10 van de Rig Veda te organiseren. Hiertegen was er fel verzet van enkele vooraanstaande leden van de priesterraad. Hari en zijn vrienden van de Studiegroep Hindoeïsme waren altijd bereid tot dialoog en discussie.

In de jaren negentig heeft de Arya Samaj Jongerengroep (ASJ) o.l.v. onder anderen Radjin Gena geprobeerd om een brug te slaan tussen deze twee groepen, door het organiseren van o.a. enkele openbare discussies over actuele maatschappelijke onderwerpen in de mandir van ASAN die voor alle jongeren toegankelijk waren. Ook Anand Bierdja, Bris Mahabier, Hari Rambaran en Surrendra Santokhi hebben als inleiders mogen optreden. Deze lijn van openbare lezingen met lange discussies werd jaren later door Prasne, een landelijke federatie van vijfentwintig arya samáji organisaties en de Haagse Stichting Swami Dayanand Lezingen en Leerstoel (SSDLL) – geleid door jongere árya samáji’s – voortgezet. Hopelijk zullen deze samáji’s na de coronatijd de draad weer oppakken. Deelname aan discussies, openbare debatten en het gebruik van khandan (kritiek) zijn in de Hindoestaans-Nederlandse cultuur broodnodig.

Elke pandit, elk (oud)bestuurslid en een ieder die zich volledig of partieel verbonden voelt met ASAN (de Arya Samaj of de arya samáj-beweging) en een maatschappelijke revitalisering van deze hervormingsbeweging noodzakelijk vindt, wordt aangeraden om de laatste twee brieven van Hari Rambaran: Visie over de Arya Samaj in Nederland op weg naar de eeuwwisseling van 15 oktober 1995 en Het verdriet van ASAN van 10 juni 2014 te willen (her)lezen en op de inhoud individueel en in groepsverband te willen reflecteren. Dit zou een eerste stap zijn om de ‘tranenvan Haridat Rambaran en van ASAN af te vegen.

72. Bahut dhanyabád (veel dank)

Vuile was?

Ik ben Soerindre Sital bijzonder erkentelijk, dat hij enkele documenten uit zijn netjes geordende archief met mij heeft willen delen, waardoor ik bepaalde details op juistheid heb kunnen controleren.

Met dank aan de volgende personen, die informatie verstrekten voor een of meerdere delen van deze biografische reeks: Shardhanand Baldew, pandit drs. Suruj Biere, Shailesh Biere, Suresh Chotoe, pandit Jagdiesh Datadin, Ram Oedai Dihal, drs. Radjin Gena, Parasargir Ishwardath, Gang Kalpoe, Naresh Kalpoe, Lal Goerdayal, Bhan Oedayraising Varma, pandit Stephen R. Pikaar, Prem Ramautar, drs. Pannalalghos Ramawadh (†), Brahmdat Rambaran, Radha Rambaran, Roep Ramcharan, Chander Santokhi, Eline Santokhi, dr. Surrendra Sanokhi, Mahender Sewgobiend, Soerindre Sital, Budhram Sital, Ram Soekhlal, Carmen Somai-Janki, Bies Sukul en Sienne Sukhraj-Vishnudatt.

Enkele tientallen árya samáji’s in Nederland en Suriname hebben mijn artikelen over Hari, de árya samáj-beweging, de Haagse vereniging ASAN en mijn standpunten gelezen. Hierin zijn hier en daar enkele harde noten gekraakt. Geen één árya samáji heeft mij beschuldigd van de vuile was naar buiten willen hangen. Geen één árya samáji heeft mij op generlei manier bedreigd. Ik ontving geen haatmails en ook geen telefonische dreigementen. Zo hoort het in een democratische samenleving. Ideeënstrijd, zelfkritiek en bekritiseren zijn van oudsher essentiële elementen van de sociaal-religieuze cultuur van hindoes.

Bris Mahabier op 31 augustus 2018 bij de Jit Narain Lezing in de Nieuwe Kerk te Den Haag

Klik hier voor deel 1, deel 2, deel 3, deel 4, deel 5, deel 6, deel 7, deel 8 en deel 9.

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter