blog | werkgroep caraïbische letteren

Hans Vaders – De banneling

Voor Boeli van Leeuwen
Soms dacht ik, dat ik
de jonge Jezus was.
Maar christus, wat is
mij nu gebleven
na het ontluisterd paradijs,
eens het mijne, enig bewijs en
middel van bestaan?
Ogenschijnlijk wijzigt zich niets,
in een hemel bezaaid met
vers gestrooid sterrengruis
en voor niemendal
danst de zondebok met de zwarte
clerus in vers gekerstende velden.
Wanneer de oude banneling rust
in naaldpulp zo kil en koud,
paren bange bosdieren schielijk,
balkend en licht ontstemd,
en kan hij, de wezenlijke,
de echte verlosser in exil,
slechts in staccato stamelen,
de gezwollen liefdeslippen praalziek
getuit van smart en koortsig paars:
María, ik had je lief, zo lief was je;
omarmden toch je roomblanke dijen
mijn naaktheid, mijn schuldig lichaam niet
onder het mij zo dierbaar bloedend hout?
[uit Kate Moss in Mahaai, Haarlem / Curaçao 2011, In de Knipscheer & Mon Art Productions
p. 23]
Milo Manara – De aanbidding van het kruis

 

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter