blog | werkgroep caraïbische letteren

Enkele bevindingen en indrukken van geloof en bijgeloof uit mijn prepuberteit

Fragment 10 uit mijn opa’s de biografie

Opgedragen aan prof. Peter van der Veer

door Brispath Mahabier

Angst voor een afgestorven boomstam, bezetenheid, een falende genezer en een ‘mislukte’ consultatie.

Dit fragment gaat niet over mijn opa, maar over geloofsverschijnselen en –indrukken uit o.a. mijn prepuberteit.

 De grote boom
Illustratie: Gang Kalpoe

10.1 Angst voor een grote boom

Op een van de grensdammen van het laag gelegen rijstveld van Gappole, een van de buurtgenoten van onze oom, stond – moederziel alleen en in mijn kinderbeleving angstaanjagend – een oude grijsbruine afgestorven boomstam met een flinke omvang bij de grond. Die boom was een meter of acht tot tien hoog, had aan twee zijden tegenover elkaar slechts twee korte naakte takken, een paar meters onder de top. Die leken op hulpeloze stompe armen, die roerloos tegen de grijze regenwolken of de strakblauwe hemel staken en met het donkere silhouet van een dichtbegroeide strook bos op de achtergrond. Op het einde van de rijstpercelen. Op alle aangrenzende rijstvelden was er geen hoge begroeiing. Nergens stond er een boom midden op een rijstakker. Achter en voor de kleine boerenwoningen met meestal aparte keukens, koeienstallen en kippenhokken, die niet ver van de weg waren gebouwd, stonden er wel fruitbomen dicht bij elkaar. Overwegend mangobomen en kokospalmen met daartussen een hooiberg, een groentetuin en altijd een zoetwaterput. Een enkeling had een pipal-boom, sommigen hadden een niem-boom bij hun waterput, waarvan de blaadjes medicinaal werden gebruikt. De blaadjes van een pipel-boom en vooral die van mangobomen werden bij vele rituelen gebruikt.

De enige vogels, die regelmatig op de twee misvormde takken van de dode boom neerstreken, waren de grote, zwarte aasgieren of de gevreesde lichtgrijze bájhs (roofvogels, kiekendieven). De laatste waren de grote opruimers van o.a. schadelijke grijs-zwarte zoetwaterslakken (ghonghá’s) in de rijstvelden.

 Soman Hiralal, mijn oom
(broer van mijn moeder)
Bron: Archief van de auteur

De talrijke lege slakkenhuizen lagen op de grond bij de stam. Maar ook jonge vogeltjes, kuikens van kippen en eenden waren zeker niet veilig voor deze snelle roofvogels. Zo’n roofvogel werd weleens in de lucht achterna gezeten door een zwerm kleine vogels die veel herrie maakten. Meestal ontkwam de rover. De kleintjes keerden terug. Als een jongen van tien begreep ik van deze vlucht en achtervolging niet veel. Ik vond het vreemd, dat een grote roofvogel bang was voor een aantal kleintjes en dat hij de benen nam.

De dode boom met de twee korte takken leek vanuit de verte op een reusachtig Latijns kruis. Aanvankelijk was er nog een dode boom. Na verloop van tijd was die tijdens een zware onweersbui door een blikseminslag getroffen. Dit werd door mauwsi, mijn tante, verteld. Het bovenste deel was verschroeid, gespleten en omgevallen. Mijn twee ooms hadden de omgevallen delen met een bijl geschikt gemaakt als brandhout om te koken. Alleen het kleine onderste deel van de stam stond nog overeind, als een lelijke puist op de dam.

Mijn mauwsi (tante)
Bron: Archief van de schrijver

De hoge boomstam leek vreesaanjagend als het langdurig onweerde met donder en bliksemschichten, in de felle middagzon als de lucht leek te trillen, maar ook in het zachte maanlicht. Meestal vermeed ik om in de richting van deze boomstam te kijken. In de droge tijd, nadat de rijst geoogst was, kwamen we liever niet dicht in de buurt ervan. Ik associeerde deze boomstam met duistere krachten. Deze angst nam enkele jaren later, toen we weer bij onze opa in Magenta ingetrokken waren, toe. Mijn oom was midden op een dag, tijdens een zware regenbui met een houwer bezig om een van de rijstakkers, die dicht bij deze boomstam lag, plantklaar te maken door het opgekomen gras te snoeien (chapke). Hij werd door een blikseminslag getroffen en moest in het ziekenhuis verpleegd worden. Gelukkig herstelde hij binnen enkele weken. Dit bijna fatale voorval werd door een enkeling op een vage manier in verband gebracht met deze spookachtige ‘boom’. Zeker niet met de flinke waterlaag in de sawa’s, de houwer in de hand van mijn oom of met geleiding. Een ander dacht aan het feit, dat onze oom de twee laatste jaren niet meer deelnam aan het gemeenschappelijke jaarlijkse zoenoffer van het dorp, de gánw-pujá. Hij betaalde niet meer mee en begeleidde het offerritueel van een bok niet meer. Voorheen sprak onze oom bij het begin van het offer enkele gebeden uit. Een oudere tante schreef het veranderde gedrag van onze oom toe aan de invloed van zijn árya samáji vriend Khisshu die een dik Hindiboek had gekocht en veel omging met zijn áryá vrienden van Magenta. In dit boek van de samáji’s had haar broer maandenlang zitten lezen. Alleen met Khisshu en Sami besprak hij wat hij had gelezen. In de tweede mulo maakte de heer Waaldijk, onze natuurkundeleraar, tijdens de lessen over elektriciteit ons vertrouwd met het ontstaan van bliksem.

10.2 Bezetenheid van een buurman?

De volwassenen van de Vierkinderenweg waren in zeer beperkte mate in staat om het landschap, waarin wij leefden en de gebeurtenissen in de natuur om ons heen en elders, goed te begrijpen en hun jonge kinderen met de juiste informatie uit te rusten. Niemand beschikte over een radio of een krant. De meeste ouderen waren analfabeet. Wij, de opgroeiende jongeren, moesten het doen met summiere antwoorden van onze oudere familieleden en wat wij hier en daar opvingen van buurt- en leeftijdgenoten. ‘Larkan, sab málik ke mahimá hai’ (Kinderen, alles is het werk van God.), zeiden sommige ex-Brits-Indiërs van onze buurt berustend.

Het boze oog
Bron: Joost A.M. Meerloo (1971)

Het middaguur (dupahriyá) en ook de middernacht (ádhi rát) waren gevreesde en riskante tijdstippen. Dan konden wij misschien getroffen worden door rondzwervende boosaardige geesten (kharáb cíj of hawá), werd ons verteld. Vooral curails, vrouwelijke boze geesten, werden gevreesd. Wij wisten niet waarom de boze geesten juist op dit uur van de dag en de nacht op pad gingen en waarom juist kinderen zo kwetsbaar waren. Wij moesten in het middaguur zoveel mogelijk binnen blijven, of de schaduw opzoeken van de grote mangoboom die voor het huis van onze mámá (oom) stond. Op dit tijdstip mocht je niet naar de waterput of in een fruitboom klimmen. Wij mochten ook geen mango’s of andere vruchten plukken. Ook ergens, buitenshuis alleen zitten was uit den Boze. Op mijn christelijke lagere school leerde ik al gauw van creoolse medeleerlingen enkele Sranantongo termen uit hun geloofssfeer, zoals dyumbi, jorka, bakru, leba (typen van boze geesten), wisi (zwarte magie), ogri ai (het boze oog), daguwe sneki (tapijtslang)en takru sani (kwade dingen). Langzamerhand kreeg ik een vage notie van de betekenis van deze woorden. Anno 2018 durfde een Hindoestaan van Magenta een tapijtslang niet uit zijn tuin te verjagen of te doden.

Bron: Gananath Obeyesekere
(Medussa’s Hair, 1981)

Een van onze oudere buren van Lilboiti, naar schatting een zestiger, raakte enkele keren op de dag van volle maan bezeten. In zijn bezetenheid rende hij, zijn onderlichaam bedekt met een dhoti, een lange tot over de knie gedrapeerde lendendoek, maar met ontbloot bovenlijf, kennelijk in trance, iedereen negerend voorbij, ondertussen vreemde geluiden uitstotend, met uitpuilende ogen en heftige gebaren makend, naar die dode boomstam. Op deze momenten werd er gefluisterd: ‘Okre uppar phir cijwá ái gail hay.’ (‘Iets’ heeft weer bezit van hem genomen.) Daar aangekomen probeerde onze buurman in de boomstam te klimmen. Dat was een actie die vanzelfsprekend zou mislukken. Die boomstam was glad en te dik. Het bood geen houvast in de vorm van knoesten en takken om erin te klauteren. Vervolgens liep hij enkele keren om de boomstam heen en maakte met zijn handen het traditionele groetgebaar van de hindoes (namaskár-houding). Daarna bleef de ‘bezetene’ bij de boom staan. Alles en allen om zich heen vergetend. Hij kon de dikke boomstam slechts voor de helft omarmen. Onze buurman bleef omhoog kijken, alsof hij met een onzichtbaar iemand in de top van de boomstam een gesprek voerde.

Mijn mámá (moedersbroer), zijn vrouw en zijn inwonende oudste zoon gingen naar hem toe. Bij de boom bleven zij staan. Zijn beide huisgenoten probeerden hem met vriendelijke woorden te kalmeren. Deze zoon had toen al twijfels over het geloof in geesten. Hij zou later – toen hij zelfstandig ging wonen árya samáji worden. Mijn mámá beoogde kennelijk hetzelfde door enkele mantrá’s, heilige gebedsteksten uit te spreken. Als laatste was intussen ook zijn oudste schoondochter met een lotá suikerwater met tulsi-blaadjes (basilicum) en een beetje citroensap erin bij de boom aangekomen. Als dit niet-alledaagse tafereel zich voltrok, altijd in de middag rond twaalf uur, moesten wij, ouderen en kinderen, liever binnen blijven. Wij mochten dan niet lachen, luidruchtig zijn, spuwen, ook niet naar buiten gaan om te plassen. Dat was een advies van mijn mauwsi (moeders zuster). Wij, mijn oudere neef Chakkan en ik, probeerden toch stiekem naar deze bijzondere gebeurtenis te kijken. We begrepen er niet veel van en de uitleg, die we van onze tante kregen, was zeer beknopt. Eigenlijk werden ons alleen de verbodsregels meegedeeld.

Als die buurman – intussen tot rust gekomen – naar huis begeleid werd, zag hij er opvallend bleekjes en slap uit. Hij maakte geen vreemde geluiden meer. De volgende dag was deze buurman weer even vriendelijk naar iedereen toe als voorheen. Het leek, alsof er met hem de vorige middag niets bijzonders was gebeurd. En wij speelden weer met ons allen op zijn erf, ook onder zijn mango- en pommerakboom. Enige tijd later werd er bij hem bij de zoetwaterput in de ochtenduren een gebedsdienst gehouden. Mijn moeder en tante hielpen mee met koken. Er werd onder leiding van een pandit een nieuwe jhandi geplant. Wij, alle kinderen, genoten van de parsád (zoete offerspijzen). Ik genoot het meeste van de rot, dikke, lichtzoete roti (plat brood) in kokende ghi (geklaarde roomboter) of kokosolie lichtbruin gegaard om te offeren. Na de uitdeling van parsád – intussen was de brahmaanse pandit al begonnen met eten – kregen wij een vegetarische maaltijd opgediend; niet tegelijkertijd met de ‘verheven’ pandit. Pas als hij halverwege was. Als kind vond ik dit niet erg.

10.3 Een bekwame genezer in onze familie

In Magenta was de culturele vrijheid door strijdvaardige, hervorming nastrevende en afdwingende árya samáji’s ingeperkt om aan vele van deze (bij)geloofsuitingen deel te nemen. Zo hadden de ‘boze’ geesten in Magenta minder kans om de mensen het leven zuur te maken. Wellicht waren de invloedrijke ‘boze’ geesten van Magenta onder druk van de Vedische denkwijze naar andere dorpen of het binnenland gemigreerd. Enkele decennia later zouden ze naar het koude Nederland (mee)reizen. In Magenta zou je misschien kunnen spreken van een min of meer maatschappelijk ‘afgedwongen’ religieuze emancipatie.

Mijn vroegere ervaring op het gebied van bijzondere geloofsverschijnselen opgedaan in de Vierkinderenweg in de periode van 1949-1951 staat in schril contrast met mijn latere nuchtere belevenissen in Magenta, vanaf het midden van de jaren vijftig. Wij hadden een aangetrouwd, aimabel en sociaal familielid. Buiten Magenta genoot hij grote bekendheid als een kundige ‘bezweerder’ (ojháh) van kwade geesten en vooral als een ‘wási’- of kruidenbadspecialist’ en bereider van huismiddeltjes. Als genezer maakte hij gebruik van verschillende soorten verse en gedroogde kruiden die door marrons en indianen werden gebruikt. Uit deze twee bevolkingsgroepen heeft hij ‘leermeesters’ gehad. Onze zwager gebruikte ook bepaalde planten die bij ons in het dorp groeiden. Aan wisi, zwarte magie, deed hij niet. Hij vertelde soms met enige trots, dat twee creoolse voetballers, die op het hoogste competitieniveau speelden, van zijn bijzondere diensten gebruik maakten. Zij hadden veel vertrouwen in hem. Een keer mocht hij met een voetbalvereniging mee naar Trinidad.

Maar in zijn árya samáji schoonfamilie van Magenta werd de specifieke ‘deskundigheid’ van deze altijd aardige en gastvrije schoonzoon niet door iedereen serieus genomen. Soms werd er smalend over zijn bijzondere verrichtingen gesproken, vooral door enkele van zijn schoonbroers, mijn neven. Hen was traditioneel toegestaan om af en toe grappig met hun zwagers om te gaan.

10.4 Schoonvader daagt zijn schoonzoon-genezer uit

Mijn oom Raghoebier Somai kon niet bezeten raken
Bron: Archief van de schrijver

Deze schoonzoon-genezer werd in 1955 door zijn oudste árya samáji schoonvader uitgedaagd om hem bezeten te doen geraken van een van zijn geesten, die hem als traditionele genezer hielp. Deze schoonvader (een oom van mij) was als een jongen van vijf met zijn ouders uit Uttar Pradesh in India meegekomen. Zijn autoritaire moeder geloofde niet alleen in goden en godinnen, maar ook in boze en goede geesten. Zij stond één keer zelfs een dieroffer o.l.v. deze aanverwante genezer toe. Een lichtroze varken werd achter op haar perceel geofferd. Dit ging niet zonder slag of stoot. Vooral haar jongere zoon en twee volwassen kleinzonen hebben zich heftig, maar tevergeefs hiertegen verzet. Haar wil was wet: zij was de eigenares van vijf landbouwpercelen in eigendom en drie woningen, bewoond door haar beide zonen. Voor haar brahmaanse pandit uit Nickerie, een goede kennis van haar, had ze veel respect. Hij voerde bij haar jaarlijks een ritueel uit. Haar beide zonen waren – tot haar spijt en teleurstelling – trouwe aanhangers van de reformistische árya samáj-beweging geworden, evenzo hun zeven zonen. Tot haar dood heeft zij ruimte voor haar sanátani geloofsbeleving afgedwongen. Ze werd door haar zonen met árya samáji rituelen gecremeerd. De schoonvader, een oom van mij, had wel enkele voorwaarden gesteld voor de poging om hem bezeten te doen raken. Hij zou niets, ook geen sap of kruidenmengsel, drinken, niets inhaleren of insmeren en de familie mocht aanwezig zijn om de verrichtingen van de genezer gade te slaan. De genezer-schoonzoon mocht gebruik maken van alle middelen die hij normaal gebruikte en van zijn twee assistenten. Eigenlijk waren het twee genezers-in-opleiding, waaronder een oudere zuster van onze zwager. Voor ons was zij geen onbekende. Zij woonde tot het einde van de jaren vijftig in Magenta.

10.5 Hoe onze zwager-genezer in Magenta faalde

De aarden vloer van de halfdichte galerij was een dag te voren al goed schoongemaakt en met verse klei bestreken. Schoonzoon-genezer, onze zwager en zijn assistent trokken een rood Indiaans gewaad aan en met een versierd bandje om hun hoofd. De seance begon met het aansteken van een kaars, het offeren van rode koekjes, enkele stukjes cassavebrood en het besprenkelen met alcohol. Alle drie dronken alcohol en kasiri, Indiaanse sterke drank bereid uit cassave. Hierna volgde er een soort meditatie, vervolgens werd er na een lange stilte ineens gecommuniceerd in een taal die wij niet verstonden, maar de assistenten wel. De ‘verschenen’ geest leek van indiaanse origine te zijn. De genezer stootte vreemde geluiden. Ook zijn mimiek was merkwaardig. Hij keek ons met grote uitpuilende ogen aan en rolde onverwacht een keer over de lemen vloer naar buiten en weer terug. De indiaanse geest bleef naar onze oom gebaren en onbegrijpelijke geluiden maken. De hoofdassistent liet de indiaanse geest drinken en eten. Daarna werd de poging voortgezet. Echter mijn oom verroerde geen vin. Ook de tweede poging met de hulp van een andere, oudere geest had geen succes! Mijn oom raakte niet bezeten. Tot teleurstelling en radeloosheid van de beide assistenten. Misschien niet van de Hindoestaanse medicijnman zelf.

Bij de derde poging, na een pauze die bijna een uur had geduurd, kreeg de genezer directe assistentie van zijn collega-zus. Zij maakte vooral gebruik van de diensten van enkele Hindoestaanse geesten die door haar grootouders vereerd werden, maar ook zij faalde smadelijk. Het moment waarop zij rare hoge, huilerige geluiden en vreemde bewegingen begon te maken, begrepen wij, dat dit het begin van haar bezetenheid was. Zij bewoog haar hoofd langzaam op en neer, terwijl haar lange losse hoofdhaar meebewoog en uiteindelijk telkens de grond raakte. Tegelijkertijd sloeg zij met haar beide handpalmen simultaan op de lemen vloer. Al haar bewegingen namen in snelheid en heftigheid toe; ook het uitstoten van geluiden. Ineens kwam zij tot rust. Alleen haar snelle ademhaling was goed hoorbaar. De geest, die bezit van haar genomen had, vroeg met een schrille stem waarom zij aangeroepen was. Onderwijl had de eerste assistent zwijgend stil gezeten. Volkomen onverwacht begon zijn lichaam heftig te bibberen en te bewegen. Hij trok zijn overhemd uit en maakte aanhoudend een sissend-hijgerig geluid. Met zijn handen sloeg hij op zijn borstkas.

Een ogenblik was er lichte consternatie onder de aanwezige jongeren; twee neven, twee nichten en mijn schoonzus. Nu waren er geheel onaangekondigd drie geesten i.p.v. één. Zij hadden van drie personen bezit genomen. Eén hadden we wel verwacht, maar geen drie geesten. Zo dreigde de galerij van mijn oom en tante ‘overbevolkt’ te raken. Mun, onze oudste neef, greep bij verrassing met een oude nijptang de lichtkleurige oorlel van de bezeten geraakte vrouw vast en hij drukte zo hard mogelijk erop. Haar geest verdween terstond. Zij schreeuwde van de pijn en riep: ‘Chor chotku, chor!’ (Laat los, zwager. Laat los!) Mun had onbevreesd op een simpele manier een ‘machtige’ geest het hazenpad doen kiezen. Zij, de medicijnvrouw in opleiding, hield er een blauw opgezwollen aan oorlel over. De andere twee volwassen neven hielden de eerste assistent in bedwang. Hij werd – met zijn geest – door hen op de grond gedrukt. Ik en mijn oudere neef Ramdew mochten op zijn rug gaan zitten om hem het bewegen onmogelijk te maken. Hierna gooide neef Bedán een emmer water op het hoofd van onze nog altijd bezeten zwager. Hij sprong in het ‘Indiaans’ roepend op, rende door de galerij naar buiten en een keer om het huis en vervolgens naar het kleine bos aan de overkant van de weg, waar zijn eerste vrouw, onze nicht, begraven lag. Zij was bij de bevalling van haar eerste kind overleden. In die tijd was het verboden om in de openlucht te cremeren. Daar rende hij enkele malen om de twee oude kokospalmen heen. We zagen onze zwager het bos inlopen. Na een poosje verscheen hij zonder hoofdtooi en de rode Indiaanse omslagdoek bij de waterput. Daar waste hij zijn gezicht, handen en voeten schoon. Opvallend rustig wandelde hij terug. Onze zwager nam een borrel en bood ook zijn schoonvader eentje aan, die het glimlachend aanvaardde. Na een korte stilte werd er weer gesproken.

De poging tot transmissie van een inheemse geest werd gestaakt. Onze zwager-medicijnman beloofde op een andere dag een nieuwe poging te doen, eventueel met assistentie van een indiaanse collega, die vroeger in Magenta was geweest. Hij vertelde, dat zijn ingi papa (indiaanse ‘vader’, geest) bij zijn vertrek hem bij de waterput had laten weten, dat er bijzonder sterke blokkades aanwezig waren niet alleen op het perceel bij de oude mangoboom en de twee kokospalmen, maar ook in de familie. Onze zwager-genezer wist op dat moment niet wat de blokkades precies inhielden. Na deze mededeling beweerde ook zijn mannelijke assistent deze verklaring gedeeltelijk van de geest van onze zwager gehoord te hebben, voordat hij zelf bezeten raakte. Hij vroeg zich af waarom een geest bezit van hem had genomen. Dat lag niet in de bedoeling. Ook wist hij te vertellen, dat het om een onbekende geest ging. Onze zwager vermoedde, dat de indiaanse geest om onbekende reden i.p.v. zijn schoonvader bezit van zijn assistent had genomen.

10.6 Een mislukte consultatie bij een hindoegenezer

Mijn ervaringskennis van geesten, bezetenheid en aanverwante verschijnselen was langzamerhand gegroeid. Op dit vlak voelde ik mij soms overmoedig. In 1971 aanvaardde ik in mijn overmoed een moeilijke klus. Ik was bereid om bij genezers pro deo bezetenheid te stimuleren voor observatie door een bevriende witte promotieonderzoeker. Ik zou de eerste twee keren beginnen met het benoemen van enkele negatieve invloeden en verschijnselen veroorzaakt door een boosaardige geest, die mij het leven af en toe zuur maakte. Mijn vriend had een vertrouwensband met enkele Hindoestaanse genezers en vele pandits opgebouwd. Twee consultaties liepen goed af. Ik beschreef bij de genezers zelf waargenomen, van anderen gehoorde en fictieve verschijnselen in algemene termen. Vooral puttend uit de verschijnselen die ik vroeger bij bezetenheid van enkele familieleden en anderen had meegemaakt. Wat ik soms in het donker zag, in bed voelde, droomde, de vreemde geuren die ik rook of de eigenaardige geluiden die ik in de nacht hoorde.

Nederlandse socioloog-onderzoeker

De derde keer liep het met mijn bezetenheidsrol niet goed af: het consult bij de genezer kon op het laatste moment niet doorgaan omdat hij de vader van een van mijn leerlingen van de derde mulo bleek te zijn. Zij kwam met een dienblad de twee gasten en haar vader frisdrank aanbieden en groette mij en mijn Nederlandse vriend met haar charmante glimlach. ‘Dag meester’, zei ze tegen mij. We maakten even een praatje over onze school en mijn Nederlandse literatuurles van die dag, die over de roman Sarnami hai van Bea Vianen ging. Mijn Hollandse vriend en ik waren onverwacht in een moeilijk parket beland. Toen mijn leerlinge zich had teruggetrokken, heb ik à la minute verzonnen, dat de kennis van de bakra= onderzoeker, een ‘slachtoffer’ van vermoedelijk bezetenheid, niet met ons was meegekomen omdat hij de vorige avond bij een familielid varkensvlees had gegeten. Varkensvlees wordt door rechtzinnige hindoes als bijzonder onrein beschouwd. Ik zei, dat mijn vriend de ‘patiënt’ wel op het hart had gedrukt, dat hij drie dagen voor het consult geen vis en ook geen sardines, eieren en vlees mocht eten. Helaas, de ‘cliënt’ had zich vergist in het aantal dagen. Zijn vleesconsumptie was in flagrante strijd met het expliciete advies dat onze ‘genezer’ aan de onderzoeker had gegeven. In onreine staat mocht je bij dezen ‘specialist’ zeker niet op consult komen. De Hollandse onderzoeker bood in het Hindi zijn excuses aan. Hij had dit consult afgesproken. De genezer was bereid om op informatieve vragen inzake gebedsheling en ziektebeelden waarvoor mensen hem raadpleegden, in te gaan. De sociaal-wetenschapper maakte hiervan gretig gebruik. Ik vertelde de ouders dat hun dochter goed haar best deed voor de beide vakken die ze van mij kreeg. De onderzoeker bedankte – wederom in het Hindi – voor de verkregen informatie en de gastvrijheid. Ook herhaalde hij onze excuses. Met de respectvolle namaskár-groet namen wij afscheid van onze gastheer. Mijn witte vriend en ik ‘brommerden’ opgelucht naar huis.

Klik hier voor deel 1, deel 2, deel 3, deel 4, deel 5, deel 6, deel 7, deel 8 en deel 9 van deze serie.

1 comment to “Enkele bevindingen en indrukken van geloof en bijgeloof uit mijn prepuberteit”

  • Wederom heeft woordkunstenaar Bris bijzondere belevenissen bij geestenbezwering in zijn prepuberteit in deze blog beschreven. Geesten spreken tot de verbeelding van mensen. Onbegrepen natuurverschijnselen werden en worden ook heden ten dage door velen verklaard als uiting van bovennatuurlijk krachten die bezit kunnen nemen van de geest van personen.
    Dit fenomeen heeft Bris perfect beschreven. Verrassend is dat hij bereid was bezetenheid te stimuleren ( of simuleren? ) voor observatie door een promotieonderzoeker.
    Bris heeft een vlot leesbaar blog neergezet. Proficiat met je blog, Bris.

1 Trackback/Ping

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter