blog | werkgroep caraïbische letteren

Enkele beelden van vroegere, Hindoestaanse rijstboeren in de Surinaamse literatuur

door Bris(path) Mahabier

Párápási, het boiti-gebied in Wanica in Suriname

Het woord boiti in het Sranantongo en als leenwoord in het Sarnámi is zeer waarschijnlijk een verbastering van de Nederlandse term buiten (buitenplaats, landgoed), waarmee een gebied dat buiten de stad Paramaribo lag, werd aangeduid. Het woord boiti heeft eigenlijk een specifiek geografische betekenis gekregen: het heeft betrekking op een vroeger agrarisch ingericht gebied in het huidige district Wanica, gelegen tussen de hoofdstad Paramaribo en Lelydorp. Het eerste deel van de oude spoorlijn verbond het centrum van de hoofdstad met Lelydorp. Langs dit deel van de spoorlijn lag het Pad van Wanica, de hoofdweg naar Kofidjompo. Deze weg werd in de volksmond Párápási genoemd.

 

De zevende druk (1932) van Albert Helmans Zuid-Zuid-West

Na de moord op Indira Gandhi, een premier van India, werd die omgedoopt in de Indira Gandhiweg. Aan weerszijden van deze weg en de oude spoorlijn (omstreeks 1960 opgeheven) liggen ongeveer dertig boiti’s. In de officiële namen van deze boiti’s ligt soms een wens of hoop van een vroeg-koloniale Europese of Joodse planter verankerd, zoals Goede Verwachting, Ephraïmszegen, Frederikshoop, Abichaëlslust en Hanna’slust. Vele van deze boiti’s waren of zijn beter bekend onder hun verbasterde Sarnámi namen, zoals Kaptánboiti, Fowruboiti, Kopinboiti, Lielboiti, Kofróláboiti, Basáuwboiti, Olbedák, Buddhupási, Kapphariápási en Linákastiná.

Boiti wordt in het algemeen in het Sranantongo en Sarnámi als synoniem voor platteland gebruikt. De woorden boiti en district werden vroeger vaak, ook door sommige stedelijke Hindoestanen, in een minderwaardige betekenis gehanteerd. Dit geldt vooral voor de term boiti, die dikwijls geassocieerd werd met de harde, eenvoudige agrarische bestaanswijze van de meeste Hindoestanen, hun armoedige woningen, koeienmest, ongeletterdheid, de traditionele kleding van de Brits-Indische immigranten: dhóti-kúrtá, pagari, orhni en langhá, en zelfs met primitiviteit in bepaalde opzichten, zoals het eten met de rechterhand, het gebruik van een fles water voor verschoning na een gang naar de wc en de geur van verse zelfgemaakte kokosolie in het hoofdhaar. De kokosolie droop in de felle zon langs je hoog opgeschoren slapen af, soms zichtbaar in druppeltjes, vermengd met zweet en fijne stof, waardoor de vouw van je kraag al gauw veranderde in een donkere streep van een tekenpotlood.
Het is zeker niet overdreven om te stellen, dat de eerste 20 jaar van mijn leven en dat van mijn familie en van de meeste buurtgenoten nauw verbonden was met de traditionele rijstteelt in Magenta en omstreken. Ik ben een kind van de rijstbouw. Ons leven in die tijd was in sterke mate afhankelijk van een goede rijstoogst. Mijn eerste schoolboeken konden in 1953 met de opbrengst van twee zakken rijst, ongeveer 180 kilo, gekocht worden. Dit betekende een flinke aderlating in ons gezinsbudget van dat jaar. Mijn opa, een immigrant uit India, heeft zich hiertegen niet verzet; integendeel. Een bijzondere binding met rijst kan ik niet ontkennen, vandaar mijn belangstelling voor de rijstbouw en de vroegere rijstboeren.

 

De eerste druk (1926) van Helmans Zuid-Zuid-West. Ontwerp van Sybold van Ravesteyn.

1926 Hindoestanen in Zuid-zuid-west van Albert Helman
In 1926 debuteerde de jonge Surinaamse auteur Albert Helman (pseudoniem van L.A.M. Lichtveld 1903 – 1996). Hij beschreef op een Haagse zolderkamer in ‘hoofdstuk’ 8 van zijn autobiografische roman Zuid-Zuid-West op de bladzijden 25–28 zijn vroegere indrukken van de hindoes langs de weg naar Kofidjompo (de huidige Indira Gandhiweg). ‘… en hun sluike haren glimmen van olie.’ Albert Helman bedoelde met ‘olie’ natuurlijk de onder Hindoestanen populaire inlandse kokosolie. Of het dagelijks gebruik van kokosolie tot de culinaire bagage van de Brits-Indische contractarbeiders behoorde, valt te betwijfelen. Sommige ex-contractarbeiders van Magentaweg vertelden wel over het gebruik in India van sesamolie en ghi, dit is geklaarde boter, maar niets over nariyal-ke-tel (kokosolie). In het herkomstgebied van deze ex-arbeiders kwamen er weinig kokospalmen voor. Wel neemt de kokosnoot een belangrijke plaats in bij bepaalde rituelen van ‘sanátani’ (niet-Vedische) hindoes. Vermoedelijk is het intensief gebruik van kokosolie een gevolg van hun vroege acculturatie in de koloniale samenleving van Suriname. Van alle boiti’s had de Magentaweg tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw de meeste vruchtdragende kokospalmen, misschien wel 400. Hiervan zijn nu, anno 2018, slechts een 15-tal oude bomen overgebleven. Behalve de kokosolie in het haar van hindoes van Párápási viel Albert Helman nog veel meer op. Sommige kalkattihá’s (ex-contractanten) reciteerden dagelijks bij zonsopgang en -ondergang zachtjes enkele mantra’s (verzen uit de Veda’s), dohá’s (tweeregelige verzen) of caupái’s (vierregelige verzen) die zij uit het hoofd kenden, anderen zongen bhajans of lazen uit een heilig boek. Hieronder staan enkele etnische beeldbepalende citaten uit Zuid-Zuid-West, twaalfde druk 1976.

Het omslag van de 12de druk uit 1976 van Zuid-Zuid-West. Ontwerp van Bert Bouman

‘Laat u niet bedriegen door de luidruchtigheid der Hindoes –die bijna alleen ‘koelies’ zijn – want hun wezen is heel stil en ingekeerd. … Zij zijn spaarzaam en sober, zozeer zelfs, dat zij van allen de armelijkste indruk maken. De mannen lopen halfnaakt met een wijde doek om de magere dijen. Maar op hun feestdagen hebben ze een kleurig overkleed van oranje of van rose zijde en hun sluike haren glimmen van de olie. De vrouwen daaraantegen zijn ook op weekse dagen met veel smaak gekleed en gaan zeer ingetogen onder hun sluiers …
In de buitenwijken staan ze des morgens vroeg voor hun hutje, en wassen zich met veel zorg uit geschuurd-koperen potten. Hun huisraad bestaat meestal niet uit veel meer dan dit, en een gevlochten divan. [Kennelijk bedoelt Helman een khatiyá. – BM.] Zij slapen niet op de grond… Hun naaktheid en armoede belet ze niet heel veel te weten.
Want een koelie is een arm man, een klein bedelmannetje; en de sahibs schelden hem uit, of de gouverneur neemt hem zijn rijstveld af, en sluit hem op in de gevangenis. Maar de koelie bidt ook en leest…
De eenzaamheid van deze Hindoes is des te groter, omdat zij gesmaad worden door de overige bevolking. Daarom klinkt al wat ze zingen steeds als een gebroken klacht. … Een vuil, groot immigrantenschip bracht ze hier; nu zijn ze uitgestoten onder de uitgestotenen. … Maar meestal sterven ze hier, in het souterrain van een stinkend hospitaal, of in de barak van een afgelegen plantage. Geen wijze boeken kunnen hen meer redden, en de schoonste gedichten maken hun heimwee slechts schrijnender. Zij zullen een nieuw, een groot volk worden, ter wille van hun eenzaamheid.’

 

 

1962 Bhai over dhán ke dhukrá
Zeer treffend zijn de woorden van de dichter Bhai, pseudoniem van de vedantafilosoof dr. James Ramlall, in 1935 geboren als zoon van een rijstboer (zie Michiel van Kempen 2002). In de tijd, dat hij leerling was van de rooms-katholieke St. Paulusmulo en de openbare Surinaamse Kweekschool in Paramaribo, hielp Bhai zijn ouders met rijstplanten en -oogsten. Dat schoolgaande kinderen in die jaren meehielpen op de rijstakkers, was gebruikelijk. Toen bekommerde niemand zich om kinderarbeid. Later studeerde James Ramlall in Nederland en in India. Met die ervaring uit zijn jonge jaren kon de dichter Bhai als een ‘insider’ over de zware arbeid op de blubberige rijstvelden schrijven. Het volgende gedicht publiceerde Bhai in het literaire tijdschrift Soela 2 van 1962.

Dhan ke dukhra
Rijste-smart

Slechts zij,
die uit rijst geboren zijn
Slechts zij,
die in rijst zijn opgegroeid
Slechts zij,
die door de rijst gestorven zijn
Kennen alleen de jammerklachten der halmen.
Want weet, dat iedere groei
In wezen sterven is
En iedere bloei vergaan.
Zo weet dan ook, dat iedere oogst
Zeer smart’lijk is.

De eerste druk (1968) van Leo Ferriers Átman

 

1968 Leo H. Ferrier en Bhái over Hindoestanen en rijstteelt
De jonge auteur Leo H. Ferrier (1940–2006) met ook Hindoestaans bloed in zijn aderen, via zijn náni, d.i. zijn moedersmoeder, schreef – evenals Albert Helman destijds – in zijn Haagse woonruimte in 1967 zijn debuutroman Átman, die een autobiografisch karakter heeft. Hierin schrijft L.H. Ferrier onder anderen over zijn jeugdherinneringen, afkomst, innerlijke gespletenheid, vervreemding, identiteit en misschien boven al het andere het zoeken naar harmonie tussen het innerlijk en het uiterlijke. Iets dat de oude zieners en heiligen in India regelmatig deden. Ferrier schrijft ook over de Hindoestanen in het district Beneden-Commewijne. Ook bij deze schrijver gaat het om een mentale beeldvorming. De Hindoestanen waren zijn streek- en buurtgenoten. Ferrier heeft zelf geen rijst geplant, maar hij schrijft op een treffende manier over het zware werk in de toenmalige rijstbouw. Het onderstaande citaat kon eveneens van toepassing zijn op de Hindoestanen in de boiti’s aan het Pad van Wanica uit de jaren vijftig en zestig; uit mijn jeugdjaren. Naar mijn opvatting zeker op die van de Magentaweg. Hieronder staat een citaat uit Átman; eigenlijk zijn het de eerste regels uit deze roman:

‘Bloed in de rijst die uit Suriname komt en daar door vele Hindostanen wordt verbouwd. Met strelende gebaren vertrouwen ze de jonge bibits toe aan de weke grond van de rijstvelden waar het water modderig is, de zon verzengend kan zijn. Lichtgroene, dunne halmen, tere worteltjes, wit, nog in het eerste stadium van ontwikkeling, boven en onder dit jong ontkiemende zaad, dat gele padi was. Arbeidende lichamen, smalle, de hele dag voorover gebogen ruggen – handeling, eindeloos strelen, niet in intensiteit afnemende ritmische liefde… Warme druppels zweet vermengen zich met het water. Diepe scheuren in de verharde eeltzolen. Nagels zwart vergaan, door het water dat al lauw hun voeten omspoelt. De zon, fel en brandend, droogt spatten op de huid. Kringen van modder, die aarde is. Lichamen, één met alles wat in en om hen is.”

 

 

De kleine rijstboeren verdwenen uit Wanica en elders
De bovenstaande beschrijvingen van de handmatige rijstbouw, de tweede in de vorm van poëzie, is geheel uit het Surinaamse agrarische landschap verdwenen. In Wanica werd deze ontwikkeling in de tweede helft van de jaren zeventig van de vorige eeuw versneld. De grootschalige machinale rijstteelt elders goed op gang gekomen, ging langzamerhand overheersen. De kleine rijsboeren dichtbij Paramaribo verdwenen. De dichter Jit Narain (D. Baldewsingh, huisarts) schreef in 1977 in zijn bundel Dál Bhát Chatni over de kleine landbouwers het volgende:
’frustratie is niet alleen
wat je ervaart
zij is geworden
een trek van
dit boerenbestaan’

In rap tempo werden de voormalige akkers in Wanica verkaveld, vroeger vaak amateuristisch en als kleine bouwpercelen aan jonge gezinnen verkocht. De verstedelijking, die vooral in de vorm van verstening duidelijk zichtbaar is, rukt steeds verder op. De moderne commerciële rijstteelt heeft zich in Nickerie en op enkele plaatsen in Saramacca geconcentreerd. Nog altijd zijn het de grote rijsthandelaren die het meeste profiteren van de rijstboeren.
Als diabeet moet ik minder rijst eten. Een saillant (dit woord gebruikte ik voor het eerst in 1961 in een examenopstel) detail is, dat Hindoestaanse Nederlanders, nakomelingen van de vroegere ijverige rijstverbouwers, de Surinaamse rijst in Haagse supermarkten en tropische winkels meestal links laten liggen, ten faveure van de Basmatirijst uit Noord-India geïmporteerd. De deelstaat Punjab in India is het productiegebied van deze rijst, maar chemisch erg vervuild. Van Basmati beweren bepaalde mawsi’s en bhawji’s (moederszusters en schoonzusters), dat die niet schadelijk is voor de gezondheid van suikerpatiënten, vooral als je de rijst vóór het koken meerder keren afwast. Hierdoor zou het suikergehalte van de gekookte rijst (bhát) flink verminderen en minder schadelijk zijn voor diabetici.

 

Bris Mahabier. Foto © Michiel van Kempen

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter