blog | werkgroep caraïbische letteren

EJ in het licht van de Schaduwvrouw

door Fred de Haas

In 2016 verscheen bij uitgeverij ‘In de Knipscheer’ te Haarlem een intrigerend boek: Schaduwvrouw. Het boek, dat zich zowel in Nederland als op Curaçao afspeelt, heeft, wat sfeertekening en rake observaties van ‘land en volk’ betreft, niets aan actualiteit ingeboet.  De tijd waarin het fascinerend beschreven leven van de Schaduwvrouw zich afspeelde was grotendeels nog vrij van internet en de bekende digitale satellieten. Dat was echter geen beletsel voor het vrije leven van de 60-er en volgende jaren om met onstuimige kracht door te breken. In samenspraak met de uitgever heeft de auteur het verstandig geacht haar ware naam voorlopig schuil te laten gaan achter een welluidend pseudoniem: Margarita Molina. In het verloop van deze bijdrage zal zij worden aangeduid als MM.

Elis Juliana

EJ
Een van de Curaçaose personen die een bepalende rol spelen in het boek wordt door de auteur aangeduid als ‘Roy’. Van deze ‘Roy’ worden de activiteiten zo duidelijk beschreven dat het voor elke volwassen Curaçaoënaar een fluitje van een cent is om te raden wie met ‘Roy’ wordt bedoeld.  ‘Roy’ was een bekende kunstenaar die indertijd voor radio Curom een wekelijks programma verzorgde waarin hij met zijn welluidende stem op een boeiende manier allerlei verhalen vertelde, o.a. over de beroemde, zo niet beruchte spin Nanzi. MM bewonderde zijn declamaties: hij sprak ‘een bijna gezongen, fluwelige taal. Daarnaast smaakte het Nederlands als een droog Mariakaakje.’ (p. 60).
‘Roy’: een rasverteller, een virtuoos speler met zijn moedertaal, een kunstzinnig tekenaar die bij het Bureau Cultuur en Opvoeding werkte, geïnteresseerd was in oude Curaçaose gebruiken en voorwerpen, met zijn bandrecorder de mensen op het Curaçaose platteland bezocht – vaak in gezelschap van zijn goede vriend Pater Brenneker – en tal van oude liedjes en verhalen vastlegde voor het nageslacht.  ‘Roy’ is niemand minder dan de bekende Curaçaose kunstenaar EJ. Een ‘E’ voor de voornaam en de ‘J’ voor de achternaam.

De Curaçaoënaar. Ongepubliceerde entekening van Elis Juliana, begin jaren ’70

 

De jaren 60
Wij zijn in deze literaire en in alle opzichten ware autobiografie getuige van een intelligent vrouwenleven dat één grote zoektocht was naar het emotionele ‘geluk’, naar het diepste gevoel van lichamelijke en geestelijke verwantschap. De moed die voor die zoektocht nodig zou zijn lag al besloten in haar karakter: de onstuitbare ‘drang om steeds tot het einde te gaan, te verkennen, te ontdekken, het onverwachte op te zoeken, elke hoek te ronden.’ (p. 178).

Die drang zal haar echter ook vaak een doodlopende weg doen inslaan.

 

De Lach van 28 oktober 1966 nr 55

Haar zoektocht brengt ons naar het Nederland en Curaçao vanaf de jaren 50 en 60, waarin ze zich ontwikkelde van braaf meisje tot de Schaduwvrouw die haar woorden en daden niet onder stoelen of banken zal steken. Wie een Belgische pastoor een ‘inhalige, kwijlende zak’ durft te noemen zal de lezer ook in het vervolg bedienen met het Nederlandse, vrijgevochten en trendsettende taalgebruik van de jaren 60 en 70, toen de emancipatie van meisjes en vrouwen zich begon te voltrekken in het spoor van ‘Dolle Mina’. In Amerika was het startschot al jaren daarvoor gegeven door beroemde voorloopsters als Mae West, Betty Page en Marilyn Monroe, terwijl in Frankrijk Brigitte Bardot wat later zou zorgen voor de nodige opwinding. Vanaf 1924 had men zich in Nederland alleen nog maar kunnen laven aan de ‘gewaagde’ foto’s in blaadjes als De Lach die van de kapperstafel naar de leesportefeuilles van de jaren 50 zouden verhuizen.
In de zestiger jaren gingen ook in het brave domineesland eindelijk de kleren uit en kreeg het paternalistische gezag van burgers en politici de volle laag.

 

Landschap Bandabou, Curaçao, 1964

In die sfeer ontplooide zich het leven van MM dat veel hoogtepunten en dieptepunten zou kennen. Er waren dolle avonturen met leden van West-Indische bandjes, een eerste huwelijk met een man die niet met geld kon omgaan, alles best vond (ook haar verhouding met de journalist door wie ze op Curaçao terechtkwam) en een vier jaar durende relatie met een Zen-praatjes verkopende Friese, manisch-depressieve, pijprokende sjoemelaar die haar ook nog trakteert op een soort Sinterklaasgedichten, een man die zocht naar ‘het huis met het gouden dak’ en onverhoeds bij haar wegging omdat hij dat huis niet kon vinden. Later was hij uit Zen en ‘In de Heere’: ‘Hij zou bidden voor mij en hoopte dat ik ook nog eens het Licht zou zien, verlost zou worden. Hallelujah.’ (p.168). Het kon verkeren.

In Amsterdam werkte MM als journaliste bij een krant die toen nog midden in de stad was gevestigd. Daar vond je het Algemeen Handelsblad, Het Parool (in het gebouw van de Telegraaf), Trouw, de Tijd en de Volkskrant. De journalisten ontmoetten elkaar in het fameuze, nog steeds bestaande Café Scheltema 1) aan de Nieuwe Zijds Voorburgwal.

MM zag tussen de journalistieke bedrijven door ook nog kans om een studie pedagogiek af te ronden waarmee ze later haar geld verdiende.

Haar gevoelsleven zou zich – met grote onderbrekingen – voltrekken tussen Nederland en Curaçao.

 

Curaçaose vrouw, tekening van Elis Juliana, ong. 1988.

 

Kennismaking met Curaçao
MM kwam voor het eerst op het eiland toen ze een bezoek bracht aan ‘Karel’, haar oude minnaar en Chef Nieuwsdienst van Het Parool, die gevraagd was om een gederailleerde Curaçaose krant 2) weer op de rails te zetten. Karel stelde haar EJ voor als een van de twee ideale gidsen die het eiland tot in de finesses kenden. Ze had ook de tweede gids kunnen kiezen: pater Brenneker. Maar in dat geval zou Schaduwvrouw hoogstwaarschijnlijk niet zijn geschreven. Het zou anders lopen en het lot zou haar een halve eeuw lang doen belanden in de fysieke en spirituele armen van een Curaçaose kunstenaar. Een getourmenteerde geschiedenis die zich zou kleuren met het patina van het voortdurend afscheid nemen.

 

Margarita Molina: ontmoeting met de ‘Curaçaose gids EJ in 1963.

 

Gedichten aan de Schaduwvrouw
EJ is in Schaduwvrouw ruimschoots aanwezig in de gedichten die hij MM stuurde als ze in Nederland verbleef. Hij schreef ze in het Nederlands en, hoewel hij soms fraaie metaforen gebruikt, merkt de lezer die zijn Papiamentstalige gedichten kent, dat het Nederlands niet de moedertaal van EJ is, maar een taal die hij, in het kielzog van de oude koloniale macht Nederland, tot op grote hoogte had leren beheersen. Hij kon echter nooit met die taal spelen zoals hij dit deed met zijn moedertaal, het Papiaments, dat af en toe zijn structuur door de Nederlandse versie heen laat schijnen.

Handschrift van één van de gedichten, 23 april 1976

 

Ook in de mooie brieven in proza die hij haar schrijft is dit het geval: ‘ik heb de hele nacht met jou gedroomd’ (p. 252). In het Papiaments zou je zeggen ‘henter anochi m’a soña ku bo’. Curaçaoënaars dromen nu eenmaal ‘met’ (= ku) en niet ‘van’, zoals de Nederlander. Ook vind je zinsstructuren als: ‘[…] ’ik wil graven / een put in de harde grond / […] (p. 72/73) die de kenmerken dragen van de substraattaal. Waarschijnlijk zouden de vele gedichten die in het boek op de daartoe geëigende plaatsen zijn opgenomen aan kracht winnen als ze in het Papiaments zouden worden vertaald door iemand die EJ goed heeft gekend en zelf gedichten heeft geproduceerd. Maar dat is van later zorg. Overigens zijn de in het boek opgenomen gedichten niet bedoeld geweest voor publicatie, maar alleen geschreven voor die ene geliefde persoon als eerlijke uitingen van gekwelde gevoelens. Als zodanig vormen ze een onlosmakelijk deel van de Schaduwvrouw en kunnen daarin niet worden gemist.

 

MM met EJ, Curaçao, 1964

 

Jeugd
De auteur begon al vroeg te reizen in de geest en droomde weg bij tentoonstellingen over tropische landen in het voormalige Amsterdamse Tropeninstituut. Wie van onze generatie herinnert zich niet de verhalen die de voordrachtskunstenaar Indra Kamadjojo met sierlijke Javaanse gebaren en danspassen tot leven bracht en de doordringende klanken van de gamelan die regelmatig werd bespeeld als een late herinnering aan onze controversiële VOC?  Wat de VOC was voor de Oost, was de West-Indische Compagnie voor de West. De WIC bracht honderdduizenden Afrikanen als koopwaar de Atlantische Oceaan over. De auteur zal hier later veelvuldig mee worden geconfronteerd. Ze luistert naar Curaçaose muzikanten en kijkt naar het verleden: ‘hun gezichten / donker en doorgroefd / het zijn boeken / vol verhalen / ik wil ze lezen / maar ze zijn al vóór 1863 / geschreven.’ (p. 219). Elders schrijft ze lyrisch over de muziek van het land als ‘de echo van Afrika, vertaald in de eigen muziek van het Caribisch gebied.’

 

De zoon van MM speelt wiri samen met Curaçaoënaar Juni.

De late antropologe
EJ neemt haar mee naar het huisje van de Curaçaoënaar Luciano – Chan – Koots aan wie ik zelf ook herinneringen bewaar: Koots sneed ooit een snaar voor zijn muziekboog af van de palmen die in mijn tuin stonden.  MM, die bij nader inzien liever antropologie dan pedagogiek had willen studeren, geeft van die oude wens blijk als ze de Benta, het instrument waarmee Koots zo bekend zou worden, tot in detail beschrijft:
‘[…] Luciano die als beste de Benta bespeelde, daarginds in zijn kleine huisje. Dit instrument is een muziekboog, geënt op de Afrikaanse pijl en boog. Luciano vervaardigde dit instrument zelf volgens de vastgestelde en zeer nauwkeurige voorschriften: je moet bij volle maan een dikke rechte tak van de karawaraboom afsnijden, die zacht maken door de tak in het water te leggen en hem langzaam te buigen. De snaar is een nerf van een palmblad. Je open mond is de klankbodem, je tikt met een houten stokje of metalen staafje tegen de gespannen nerf en door de plaats waar je de vezel raakt, en door de stand van je mond, kun je er muziek mee maken. Het was een primitief, indringend oergeluid.’

Op de zacht vibrerende klanken van de Benta danst ze in het maanlicht. En dansen kón ze. EJ zal later schrijven: ‘De regen is voorbij / achter een magere wolk / loopt de zon / op stelten / anglobloemen dansen / op het erf van Luciano / met jou / een mazurka / op de maat van de wind / Nanzi de spin / hangt aan één draad / van zijn gebroken web / en wacht.’ (p. 189).

Let op de rake metafoor van hun liefde: Nanzi die ‘hangt aan één draad van zijn gebroken web en wacht.’

 

EJ en MM bij een tentoonstelling in de Academie voor Beeldende Kunst, 1977

 

Nederlanders op Curaçao
Ze staat stil bij de geschiedenis en ziet hoe de maatschappij meedogenloos de kleur van zijn bevolking in sociale lagen verdeelt en waardeert:
‘In allerlei situaties blijkt steeds weer het verleden van vóór de afschaffing van de slavernij een rol te spelen. Zo lang geleden…voor mij. Kennelijk nog te kort geleden voor de nazaten. Het beïnvloedt nog steeds hun handelen en denken. Zal de greep van het verleden ooit zijn kracht verliezen? ‘Zwart, bruin, wit en alle kleurschakeringen daartussen hebben hun eigen gradaties en plaats, ook onderling. […] Hij schreef erover en wist er alles van. Hij was de enige persoon die ik kende die vrij van frustraties was. Het verleden kwam tevoorschijn in zijn werk, hij stak er de draak mee, hij tekende het, hij benoemde het, hij zag de verscheurdheid, de gespletenheid, en klaagde het in zijn gedichten en geschriften aan.’ (p. 213/214).

 

Onderkomen van vissers op het Rif.

Zijn hele leven zou EJ voor de botte Nederlander – de ‘goede Hollander’ niet te na gesproken – een zwarte man blijven. Als MM haar intrek neemt in een guesthouse op Pietermaai waar ze op EJ zou wachten, zegt ‘de Nederlandse eigenaar misprijzend dat een zwarte gozer al twee dagen was komen vragen of ik er al was.’ (p. 77). Die ‘zwarte gozer’ was EJ.

 

MM Huis van MM en Sven aan het eind van een doodlopende weg in Westpunt. Daarachter bevindt zich de Noordkust.

 

Zij schaamt zich voor de Nederlanders die zich ‘aan de oostkant van het eiland minachtend en schreeuwend gedroegen, scheurend in hun grote bolides’. Zelf zouden zij en haar latere – Nederlandse – partner Sven volledig worden geaccepteerd door de bevolking van het eiland, waar zij zich metterwoon hadden gevestigd. Zij en Sven zouden al snel samen met de ‘landskinderen’ dansen op de inheemse, Caraïbische ritmes. Sven danste en trommelde niet alleen in een lokale band, maar bouwde zelfs inheemse muziekinstrumenten volgens de maten die hij had gevonden in een geschrift van EJ. De zoon van MM bespeelt virtuoos de metalen wiri en is een graag geziene begeleider op feesten die werden opgeluisterd door het Ca’i orgel. De Schaduwvrouw en haar gezin hoorden bij het eiland en hadden, volgens de mensen daar, een ‘zwarte ziel’. Een onzichtbare scheidslijn zou, jammer genoeg, toch voelbaar blijven. Ze waren nu eenmaal blank.

 

Ca’i orgel.

Ca’i orgel Nos Tesoro, 2002.

 

Gelukkig is het eiland voor iedereen gelijk: ‘Als de zon bijna onderging viel het eiland stil, het hield zijn adem in. Nog een laatste roep van een jan-van-gent die zich naar zijn nest aan de noordkant haastte, waarna alle vogels zwegen. Heuvels en huizen kregen na de hete dag een warme gele gloed waarin een zachte melancholie rondwaarde […]. Die sfeer was heel bijzonder, ik wilde die dieper voelen maar kon het niet beetpakken, het was ongrijpbaar. […] Waar kwamen mijn liefde en emotie voor het eiland toch vandaan?’ (p.54).

De ‘Atardi’ van MM…

 

De Noordkant van Curaçao.

EJ in Leiden
EJ komt naar Nederland. Hij gaat een stage volgen aan de archeologische afdeling van de Universiteit van Leiden en levert zulk goed werk af dat dr P. Glazema, directeur van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek hem in Nederland wil houden en hem een vervolgstudie aanbiedt. Maar ‘het tropenkind ging terug naar de warmte van zijn eiland. Ik zou opnieuw achterblijven in een koud en mistig land. Langzaam zou ik, als een schaduw, steeds verder uit zijn leven verdwijnen, oplossen in die mist, als een verre schaduwvrouw.’ (p.116).
Hij ging en stuurde haar een gesproken boodschap vanuit de cocon van zijn werkkamer waar een inheems gordijn zachtjes danste op de adem van de passaat: ‘Wat je nu hoort is het klingelen van de staafjes koraal die ik aan elkaar heb gebonden. Ze hangen voor het open raam en de passaatwind laat ze bewegen. Ik heb dat geluid nodig, het verlicht mijn eenzaamheid een beetje. Het helpt niet echt. Alles is droevig.’ (p. 117).
EJ lijdt onder zijn emoties. Hij weifelt. Is niet moedig. Liet haar ooit eenzaam wachten op Kerstavond toen ze speciaal voor hem naar het eiland was gereisd. EJ zoekt, als steeds, beschutting in zijn woorden: ‘De steel / de dunne steel van mijn ploeg / waarmee ik de harde grond / van de toekomst bewerkte / is gebroken. / Met het domme ijzer in de hand / nog vuil van de aarde / sta ik te turen in de verte / van het verleden. / Grijze wolken draven / als wilde geiten voorbij / en bespotten mij.’ (p. 86).

Aankondiging van een Hòfi feest met Ca’i orgel.

 

Einde van de zoektocht
Dan ‘vindt’ ze Sven met wie ze bijna 20 jaar zal verder leven, de wereld bereizen, hindoeïstisch trouwen op Bali, avonturen beleven in Azië en Afrika om tenslotte voor een groot deel van het jaar te gaan wonen op het geliefde eiland. EJ zal in de marge blijven:
‘ Nanzi komt / proeft / de glanzende vlinder / trekt zich terug / in zijn web / doch zal nooit vergeten / de heerlijke smaak.’ (p. 105).

 

Stukje van de Kurá op Westpunt.

Het eiland brengt hen vreugde. Dans, muziek. Acceptatie en waardering van de kant van de Curaçaose bevolking. De tijd verstrijkt. Sven zal eerder heengaan. Sluit in Nederland zijn ogen. Op Curaçao brengt de kunstenaar in zijn moedertaal een dichterlijk eerbetoon aan de verdwenen man die zo voortreffelijk muziek kon maken met de plaatselijke muzikanten:

‘Un amigu den distansha
manera un datu den kunuku.
Su virtut ta su simplesa
den su dedenan di ritmo
lagando bongo tradusí
kada sla di su kurason .’ (p. 245)

‘Vriend in de verte
als een cactus op het land.
Zijn deugd lag in zijn eenvoud;
zijn bongo sprak de taal
van zijn ritmische vingers
en vertaalde elke harteklop’ (vert. FdH)

 

Aankondiging van een Hòfi feest met Ca’i orgel.

Dichte vegetatie op Westpunt.

Na het overlijden van Sven zullen vele in het Nederlands geschreven gedichten opnieuw hun weg vinden naar Nederland en MM naar het eiland lokken voor het ervaren van wéér intense momenten. Dan maakt ze een harde knieval op de ‘Rots der Struikeling’. MM moet weer naar Nederland. De operatie lukt, maar dansen kan niet meer.

En weer verstrijkt de tijd en weer komt het eiland in zicht.

 

 

12-12-1999, danswedstrijd in Buena Vista. Demonstratie. Kado’s voor MM en Sven overhandigd door Marlène Fraay

Het echte einde
Ze duwt het hek voor zijn woning open. Mango’s liggen rottend op het erf. Een oude man komt schuifelend naderbij, leunend op een stok: EJ.
Het verleden is herinnering. De toekomst al vergleden. Op de valreep wordt EJ nog publiekelijk geëerd met een titel. Maar het maakte hem niet blij: ‘Al die toespraken – rommel, wat moet ik ermee? Gezwollen woorden, men hoort zichzelf graag praten. Ze kennen me niet. Ik heb geleefd voor jou. Voor ons.’ (p. 275).

Een week voor zijn dood berichtte hij naar Nederland: ‘dushi, ik leef naar de dag / dat wij ons laatste hoofdstuk / samen zullen ondertekenen / om dan als één druppel / in de kosmos te verdampen.’ (p. 277).

Jaren later schreef de Schaduwvrouw over dat laatste afscheid van die halve, onbegrijpelijke eeuw waaruit ontsnappen niet mogelijk was gebleken:  ‘Bij dit zoveelste afscheid, waarvan we wisten dat dit het laatste zou zijn, hadden we geen tranen. Misschien hadden we die niet meer. Of waren ze niet meer nodig.

Ons aardse leven was voltooid.’ (p. 275).

2012, MM bij EJ, die toen al ziek was.

 

Voetnoten
1) ‘Scheltema is door de jaren heen nooit veranderd: de entree met de glazen deur, het afstapje naar de lager gelegen vloer van het café, de houten banken, de leestafel met daarnaast een potkachel die zijn afvoer vond door een lange pijp die in het plafond verdween, de tafels en de stoelen, bruin als het hele interieur en wat vettig door het vele gebruik. Café Scheltema was de biotoop voor het schrijversvolk. Niet uitsluitend voor journalisten, al voerden die in aantal en in ieder geval in luidruchtigheid de boventoon. Er verschenen ook schrijvers en ander bijzonder volk, bescheiden weggezet in een hoek of aan de zeer gewilde tafeltjes aan het raam. Een paar collega’s hadden op hun stamtafel een rond, nieuw blad van marmer laten leggen met daarop hun in goud gegraveerde namen en op de rand de uitdagende tekst ‘God zij met ons’. De obers, door de jaren heen gelouterd in hun vak, kenden hun pappenheimers en deze hun obers. Jarenlang, voor mij vanaf eind jaren vijftig, werkte daar een ober Landman. Regelmatig schalde het door de ruimte: ‘Landman, twee pils en doe er maar een jonge bij!’ of: ‘Landman, graag een portie bitterballen!’. Bij Scheltema kon je bijpraten over het laatste nieuws en de avonturen die men die dag had beleefd. Het was dan niet verstandig het achterste van je tong te laten zien want de concurrentie hoefde niet alles te weten. Bij Scheltema poetsten de verslaggevers hun imago op door hun rol in de werkelijkheid van alledag vaak gekleurd in te vullen’. (fragment uit een brief van Bruno V. Voskuil, oud-journalist van het Algemeen Handelsblad, aan Fred de Haas, januari 2017).

2) Het Parool, een uit het verzet voortgekomen krant die vooral op Amsterdam was gericht, berichtte op 4-03- 1959 dat hun Chef Nieuwsdienst voor drie maanden was uitgeleend aan Curaçao om de in opspraak gekomen Beurs- en Nieuwsberichten, een krant die oorspronkelijk eigendom was van de SHELL en vóór 1959 in handen was gekomen van de Democratische Partij (DP), weer op de rails te zetten.

 

Bericht uit de Beurs- en Nieuwsberichten

 

Algemeen Handelsblad, 9 maart 1959

 

In die tijd speelde de beruchte ‘Affaire De Wit’.
De correspondent van het Algemeen Handelsblad had op 9-03-1959 bericht dat de Beurs- en Nieuwsberichten onder nieuwe leiding stond en dat de heren L.W. de Wit – directeur – en zijn zoon A. de Wit – vanaf 1955 hoofdredacteur – op staande voet ontslagen waren.
Beide heren waren onwelgevallig geworden in de ogen van de Curaçaose politiek. De reden hiervan lag in het feit dat A. de Wit, als integer journalist, regelmatig publiceerde over de doorgeziekte, corrupte manipulaties binnen de lokale politiek, waar het kopen van stemmen en het verlenen van gunsten schering en inslag waren. De mensen verkochten hun stem aan de meestbiedende. Het was een lage koehandel die door A. de Wit scherp aan de kaak werd gesteld. Vandaar dat men van hem af wilde. De toenmalige Antilliaanse minister van Justitie Van der Meer gaf in 1957 Procureur-Generaal W.C Van Binsbergen opdracht De Wit uit te wijzen. Deze weigerde. Ook Nederland wilde De Wit niet ontslaan.
Omdat een integer journalist in zo’n wespennest zijn werk niet goed kon doen, zijn vader en zoon De Wit uiteindelijk zelf vertrokken. Met een ruime schadeloosstelling.
Na hun vertrek kwam de Chef Nieuwsdienst van Het Parool dus orde op zaken stellen. Toen de drie maanden waren verstreken, kreeg hij een contract van vier jaar aangeboden om de Beurs in beter vaarwater te leiden. Maar toen hij, op wat diplomatiekere wijze, op een gegeven ogenblik schreef, dat de heren De Wit het bij het juiste eind hadden gehad, moest ook hij het veld ruimen.

 

Wassenaar, januari 2017

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter