blog | werkgroep caraïbische letteren

Een planter 205 jaar na dato digitaal

In het laatste kwart van de eeuw was Suriname als wingewest zijn hoogtijda­gen voor­bij. Maar de cultuur bloeide op. Dat kan verklaard worden uit ver­schil­lende factoren: het ontstaan van een permanente landsbevolking, de toenemende inter­ra­ciale contacten, de sterkere beheer­sing van de plantage-economie vanuit Paramaribo, en de sterke oriëntatie op Europa waar de Verlichting stuwende impulsen gaf aan de interesse voor het intellectuele leven. Vooral dit laatste trok zijn sporen door de kolonie, waar het met name de joden waren die aan het culturele leven bijdroegen; zij zetten hun eigen organisaties op, maar maakten opmerkelijk genoeg ook deel uit van alle niet-joodse dichtgenootschappen. Uit adver­tenties voor boeken­veilingen kan worden opgemaakt dat velen die tot de bovenste klassen behoorden, over uitgebreide boekencollecties be­schik­ten. De moge­lijk­heden tot onderwijs groeiden, zij het nog niet spectaculair. W.J. Beeld­snyder Matroos startte een drukkerij in 1772 en begon twee jaar later met de uitgave van de eerste krant, de Weekelyksche Woensdaagsche Surinaamse Courant. Deze zou ge­volgd worden door verschillende andere, waarvan De Surinaam­sche Nieuwsvertelder (1785-1793) opviel door zijn scherpe, satirische stukken. De Surinaamsche Courant, die voor het eerst verscheen in 1790, zou in allerlei edities tot 1883 blijven bestaan. Echte boekhandels waren er nog niet, maar in 1783 kwam er wel een eerste open­bare biblio­theek. De vroegste berichten over toneelvoorstel­lin­gen dateren van het begin van de jaren ’70 van de 18de eeuw. Christenen en joden speelden overwe­gend de­zelfde Europese dra­ma’s en kluchten, maar hadden ieder hun eigen schouwburg en to­neel­groep, met als meest illustere gezel­schap het joodse De Verreezene Phoenix. Het genoot­schapsle­ven bloeide als nooit te voren: vrijmetselaarslo­ges schoten als paddestoelen uit de grond, er werden we­ten­schap­pelijke `collegies’ en verschil­lende literaire genoot­schappen opgericht, onder meer De Surinaam­sche Lettervrinden die vier bundels Letter­kundige Uit­spanningen uitbracht. In kringen van dit laatste genoot­schap vinden we de drie markantste persoonlijk­heden: de arts Jacob Voegen van Engelen, die ook het tijdschrift De Surinaam­sche Artz uitbracht, klerk en boekhouder Hendrik Schouten die een klein aantal satirische verzen schreef, en de man met het grootste oeuvre: de planter Paul François Roos.

In 1804 verscheen een uitgave die als de ‘verzamelde gedichten’ van Roos kan worden beschouwd: de Suri­naamsche men­gelpoëzy. De auteur had die zelf als een `defini­tieve keuze’ geredigeerd. Binnen de planterspoëzie die Suriname heeft voortgebracht, is het een centraal boek. Maar het is ook een zeldzaam boek, en wie het op een veiling aantreft, moet zijn portemonnee wijd opentrekken. Nu is de hele tekst ervan digitaal beschikbaar gemaakt door de Digitale Bibliotheek Nederlandse Letteren. Wie er eens in wil rondneuzen kan gratis en voor niets terecht door hier te klikken.

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter