blog | werkgroep caraïbische letteren

Een levenslustige dichter met een ongerijmd verlangen

Dichter Aletta Beaujon was een vrolijk mens en kende geen grens tussen de eilanden. Ze werd geboren op Curacao, bracht haar vakanties door op Bonaire en was tot haar overlijden op Aruba als psychologe werkzaam. Beaujon is nooit aan een eigen publicatie gekomen, terwijl er voldoende materiaal aanwezig was. Ze conformeerde zich met datgene in tijdschriften verscheen. Uit haar tweetalige gedichten ademt een complexe geest vermengd met tropisch temperament. Samen met Aart Broek werd de inhoud van de agenda in de vorm van een manuscript gegoten en drukklaar overhandigd. Het is echt een juweeltje van een publicatie geworden. De Antilliaanse literatuur is met deze uitgave van In de Knipscheer plotseling met zo’n honderden pagina’s verrijkt.Vandaag deel twee van het interview met Klaas de Groot.

Meestal schrijft een dichter in een zekere gemoedstoestand. Opgewekt, depressief, vrolijk. Is er een tussen de data/dagen in de agenda en de boodschap van de gedichten? Kunt u een voorverband beeld geven?

Een verband tussen data en gedichten heb ik niet kunnen ontdekken; ik heb hieraan trouwens helemaal niet gedacht. Het boekje is m.i. gebruikt, omdat het de ruimte bood. Het meest bittere gedicht On hearing of an accident, bijvoorbeeld, is geschreven op de bladzijden van 20 t/m 22 maart 1957. Wat het verband is tussen deze dagen en het gedicht, dat zal wel altijd een raadsel blijven.

Gewoonlijk plaatst een auteur zijn naam of pseudoniem onder zijn geschriften of ze wel of niet gepubliceerd worden. Werden de gedichten van een datum of een handtekening dan van haar naam voorzien?

Nee, de gedichten hebben geen eigen datum. De aanwijzingen dat de gedichten van Aletta Beaujon zijn, is het visitekaartje en het feit dat de Poems while in Delos een onderdeel van de reeks vormen. Het handschrift is herkend door de zoons van Beaujon, die ik kopieën heb gegeven.

Dat zo’n agenda zolang onopgemerkt tussen andere boeken in de Collectie Antiliana zat en bij de overdracht van de Sticusa aan de Bibliotheek niet werd gemeld, moet een mysterie zijn. Hoe reageerden de bibliotheekmedewerkers op uw vondst?

Het hoofd van de Antilliaanse afdeling, Marije Stolp, was natuurlijk ook verrast. Ze werkte van harte mee. Ik mocht zelfs de agenda lenen om te laten zien aan mederedacteur Aart Broek en uitgever Franc Knipscheer. Die moesten natuurlijk eerst het boekje zien, want het nieuws over plotseling gevonden manuscripten wil nog wel eens sceptisch ontvangen worden. Om het voorzichtig te zeggen.

Waarschijnlijk vond u sommige gedichten zo mooi, dat u meteen aan een publicatie dacht. Wanneer besloot u dat de inhoud van de agenda wereldkundig moet worden gemaakt?

Allereerst begrijpt een mens niet dat zulke mooie gedichten zolang verborgen zijn gebleven. Meer mensen moeten de agenda in handen hebben gehad. Gelukkig dachten Franc Knipscheer en Aart Broek hezelfde als ik, en we doken in het diepe. Het is toch een waagstuk, zo’n uitgave, vooral voor de uitgever. Er gaat veel tijd en geld in zitten. Denk alleen maar aan het bibliotheekonderzoek op Curaçao. Daar heb ik kunnen werken in de Centrale Bibliotheek en de Mongui Maduro bibliotheek, met alle medewerking.Aan het prachtig vormgegeven boek dat nu in de winkel ligt, is te zien dat we heelhuids opgedoken zijn.

Er is zo weinig bekend van onze schrijvers van voor en na de ondertekening van het Statuut in 1954. Hoe kijkt u zelf terug naar deze hele affaire, waarmee u de Antilliaanse literatuur wist te verrijken met een juweeltje van een uitgave.

Laten we hopen dat de lezers en de kritiek dit werk als een verrijking zien, ik heb geen moeite met het woord. Vooral niet omdat het boek opgenomen is in het fonds van uitgeverij In de Knipscheer, waarin nog meer schatten uit de Antilliaanse schrijverij zijn opgenomen. Daar ligt heel wat verrijking.

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter