blog | werkgroep caraïbische letteren

Een andere kijk op Mijn zuster de negerin van Cola Debrot (2)

Landhuis Ascension, Curaçao

door Walter Palm

  • De vorm van Mijn zuster de negerin: een literaire thriller met  een magisch-realistische inslag
Mijn zuster de negerin is een spannende thriller met twee spanningslijnen.
Wat het spannend maakt is dat vanaf het begin van de novelle het onderscheid tussen feit en fictie wazig is. Stond de nicht van Frits Ruprecht nu echt achter de opengeklapte jaloezieën? Lagen zijn overleden ouders in het dichte huis naast elkaar met de ogen wijd open gericht naar het plafond? Was Karel nu echt zo vijandig tegen hem of had hij woorden gehoord die nooit uitgesproken waren?  Zweeft daar inderdaad de schim van Maria? Shakespeare zou zeggen “To be or not to be. That is the question”.

Wat het ook spannend maakt is dat Frits gaat twijfelen of Maria nu echt de dochter is van Theodoor zoals beweerd wordt. Hij vindt het verdacht dat zijn vader Alexander Ruprecht de opleiding van Maria heeft betaald. Dit is veelal een teken dat het zijn buitenechtelijk kind is.
Aan het slot van de novelle volgt de ontknoping. Nee, het is niet de schim van Maria die door het huis dwaalt. En ja, Maria is inderdaad de dochter van zijn vader, het is dus zijn halfzus.
Ook in de short story Don’t look now uit 1971 van de bekende thrillerschrijver Daphne du Maurier vervaagt de grens tussen realiteit en fictie. Deze short story gaat over een echtpaar dat een dochter verliest. In Venetië ontmoeten zij een helderziende die hen vertelt dat hun overleden dochter met hen in contact wil komen om hen te waarschuwen voor gevaar. Zij menen een schim te zien van hun dochter.
De in 1935 gepubliceerde Mijn zuster de negerin heeft een magisch realistische inslag in de zin dat het zich afspeelt op het grensvlak van werkelijkheid en ingebeelde werkelijkheid. De dubbelzinnige perspectieven van deze novelle versterken de magische suggestie.
De koetsier Pedritoe die de jongen Frits Ruprecht verhalen vertelt over “prinsessen die zingen in den hemel, over het spook dat als witte ezel verschijnt met een blauwe ster tussen zijn rechtopstaande oren” versterkt de magisch realistische sfeer in deze novelle.
Ook in een gedicht als “Wie weet Malinda” dat geen deel uitmaakt van Mijn zuster de negerin,  is de magisch realistische sfeer aanwezig. Dit gedicht van Cola Debrot is ontleend aan het verhaal van Ma Linda dat op Bonaire wordt verteld. In dit verhaal ontmoet een jongeman op een begrafenis een mooie jonge weduwe met een diabolische maar tegelijkertijd engelachtige glimlach. Zij nodigt hem uit om haar op haar plantage te bezoeken. Als hij besluit om op haar uitnodiging in te gaan, kan hij de plantage niet vinden. Als hij het zoeken opgeeft en naar huis terugkeert, blijkt hij een oude man geworden te zijn met grijze haren, een gerimpeld gezicht en een duistere oogopslag.
Cola Debrot geschilderd door Carel Willink

 

Een van de beste vrienden van Cola Debrot was Carel Willink. Hij was getuige bij het huwelijk van Cola Debrot met Estelle in mei 1936. Deze bekendste magisch realistische Nederlandse schilder heeft in 1936, een jaar dus na het verschijnen van Mijn zuster de negerin, een intrigerend portret van Cola Debrot geschilderd
Slot
Na herlezing van Mijn zuster de negerin blijven drie vragen, waar ik zelf geen antwoord op heb, mij intrigeren, namelijk: (1) is  Mijn zuster de negerin met zijn magisch realistische inslag een voorloper van de magisch realistische roman zoals die in de jaren zestig in de Latijns Amerikaanse literatuur doorbrak met Cien años de soledad (1967) van  de Colombiaanse auteur en Nobelprijswinnaar  (1982) Gabriel García Márquez ?; (2) in hoeverre is deze novelle autobiografisch ?  en (3) wat is de actualiteitswaarde van deze novelle uit 1935?
Om bij de eerste vraag te beginnen. Gabriel García Márquez maar ook een schrijver als de Chileense auteur Isabel Allende die La casa de los espíritus (1982) schreef, zou niet vreemd opkijken van de passage in Mijn zuster de negerin waarin Frits Ruprecht wordt besprongen door “iemand of iets met gloeiende ogen” als hij in “Miraflores” de voormalige slaapkamer van zijn ouders binnen wil gaan.
Zo wist Gabriel García Márquez te vertellen dat hij als kind opgroeide bij zijn grootouders en dat hij een keer geen slaap kon vatten vanwege gesnurk in zijn slaapkamer. Toen hij zich daarover beklaagde bij zijn grootvader antwoordde die dat hij sliep in de slaapkamer van zijn overleden tante en dat die altijd hevig snurkte!  Alsof een snurkende overleden tante de gewoonste zaak ter wereld is.
In de Nederlandstalige magisch realistische literatuur zijn De trap van steen en wolken (1940) van Johan Daisne en De komst van Johan Stiller (1960) bekende magisch realistische romans.
Maar schrijft Cola Debrot nu in de magisch realistische stijl of juist in expressionistische stijl met explosieve passages als: (a) “De door slaven opgetrokken muren zijn “Krijtachtig wit, als een gil in de doorzichtig-groene avond””; (b) als hij de voormalige slaapkamer van zijn ouders binnen wil gaan “was het of iemand of iets met gloeiende ogen uit de duisternis een sprong naar hem terug maakte, hem bij de schouders greep, hem in de oren gilde”; en (c) “Op het ogenblik, dat hij de deur voor de neus van Wantsjo wilde dichtsmijten, hoorde hij een gillen even onwerkelijk als daarstraks toen hij de deur opende van zijn moeders slaapkamer: “Maria is de dochter van uw vader !!””?
Bij de passage “De door slaven opgetrokken muren zijn “Krijtachtig wit, als een gil in de doorzichtig-groene avond”” dringt bij mij zich de associatie op met het gekwelde schilderij “De schreeuw” uit 1893 van de Noorse schilder Edvard Munch dringt zich bij de lezer op.  In dit expressionistisch schilderij staat tegen de achtergrond van een ondergaande zon een wanhopige figuur te schreeuwen. Het lijkt wel of de hele omgeving met hem mee schreeuwt.

 

[voor deel 3 en slot, klik hier]

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter