blog | werkgroep caraïbische letteren

Édouard Glissant – Afrika

Ik zag de verre aarde, mijn licht. Maar ze behoort enkel toe aan diegenen die haar vruchtbaar maken; in mij, niet ik in haar.
Stammen voerden oorlog voor de hoede over het zout; volkeren verrijzen om de smaak te leren kennen. Mogen ook de akkerlieden die de nacht bewerken drinken aan de bron van deze morgen. B Een andere aarde roept mij.
Het is Afrika, en het is haar niet. Ze was zwijgende aarde voor mij. Luister. Iedereen danst, in de gerechtigheid van zijn lichaam en stem, ter ere van het eeuwige vuur.

Oho jij Vrouw die werd ontkneveld hier ga je spatten
Tot slot ken ik het vermoeide kind dat in jou jammert
Ik herkende de man die je van zee voorzag, naast hem
Stapt de Vrouw van Afrika, gehuld in zee, durft hij haar naam
Uit te spreken, zij geeft antwoord, hij ziet zijn koningin

Oho Dienares zo lang was je ballingschap en groots
Verlangen maar verlangen als gemis en gelofte
Als droom van een koningin zonder koninkrijk, maar nu
Huilt de mens in zijn slaap, de avondzon aan zijn voeten
Verstrengelt dood en kale boom zonder vrucht of altaar

En je waakte o verre onmooie Vrouw, maar je schoonheid
Schoot op onder de schors vreselijker dan een schreeuw
Je maakte misbaar van zo veel gebroed je schoonheid zwalkte
Vormloos in de vloed en dreef zuiver met de wolken mee
Jij schaduw jij furie jij zo traag verebbend water

De geur verkondigen, de daad roemen, de toom meten
De pracht van je hoogten onderstrepen is niet mijn doel
Noch raken aan de geuren die je maakten tot zwoele stoet
Op mijn lijf is niet de spreuk van je wouden gebrandmerkt
Noch in mijn ogen je zout of het is zout dat ik droomde

Oho naamloze Moeder van werken genoemd door mijn hart,
Jij verborgen hart van deze stem, hoor ik roep en zie
Niet of de zon naar de avond helt, en overleg
Niet of nu het woord van zijn kwelling is gezuiverd, zie
Nu heb ik vlam riten en pracht achter mij gelaten

En ze zeiden: Hoor, deze zang is geen poëzie, zij
Is parabel en iets in die trant. Telden ze de strofen
Die de dood vóór ons uit zingt? Keken deze landloze
Heren dit sidderende vuur in het gezicht? Ze zeiden
Hij is bedrog, en het trieste heelal beliegt hen

Ik oogst deze rivier waar je voor mij bent aangeslibd
Je bent rivier voor mij sinds ik de rivieren samenvoeg
Als een ruiker stekende vlammen, als een hoeveelheid
Uiteengevallen tranen, door geen ongeduld gedroogd
En ik zag de enorme deining van je schreeuw huiveren

Ver vóór ons zag ik de dageraad die je werd. De nacht
Hoedde over de wereld in grijsgroene kudden, toen
Verweefde de wind onze ogen. Voor jou groeiden wij,
Moeder. En paart de nacht haar naakt aan de wind, moeten we dan
Bloemen snijden, wolken slijpen, kermen zoals honden blaffen

En al dit kabaal van een ontwakende wereld, wild
Na een lang bloedbad en een nog langere slaap, het woeste
Vuur dat in liefde ontsteekt voor je dageraad, de hemel
Misdaad na misdaad naar je onwerkelijke hoogten
Geslingerd, kindhemel, een immens lichaam afgetoomd

Door het gesternte oho moeder o regentes, in
Je geheime gloed die zo lang werd gedroomd zo lang verheeld
Open je nu de boom waarin de verlangens sluimeren
In jou staat de koningin op, zie, in je roep vertrek ik
En als zeewier meer ik mijn roepen aan je wortel

Je bent duistere tijd en verblind licht oho je doet
Me dorsten naar jou die ik nooit proefde je was veraf
En verduisterd door woorden de wachter in mij, tekens
Gevend, schreeuwde zijn honger uit naar de lofloze dagen
Riep de humus toe en de honden die er dronken sliepen

Ik hoor hoe het jaar zijn hese kreet hamert in je sporen
Hoor de trage tamboer der velden de uitgerukte tronken
Hoor de aarde in de mond en het opengereten woord
Als weer ten oorlog samengetrommelde stammen, en daar
Broeit het zout op de heidense handen van de vijand. Voel

Hoe bittere nood vergeefs je lichaam verwringt, honger
Waarin wind oprukt assegaai zee en razernij, verraste
Wouden, de windmazen likken de vuurgloed, kinderen
Schreeuwen, een hut brandt, een krijger sterft, weilanden roken
In de verbrande hemel honger, en honger in je kracht

In het verzegelde eentonige woord hoor ik honger
Oho woorden van ons bloed hier hamerend op de tijd
Met de veertien keer in het barre vuur geworpen dagen
Ik zie dit omijzerde hart, gekroesde dagen, bloed
En als buit een vingergreep zout dat smaakt naar verbrand gras

Diegenen die op zout afkwamen als honden op wild
Je had geen hemel geen nacht als aanmaakhout geen speer
Zelfs de nacht liet je staan, de nacht zelf, en je verbrandde
Wouden zonnen en winden op de punt van je assegaai
Ze verscheepten het naakte vlees van je kinderen als vracht

Zo lang nam de wolk je op in haar loofwerk, zoutte dit
Lichaam in waaraan versteld de jaren dronken, waterbron
Je zette je schrap in de verwoesting je riep, ontworteld
Leven, je riep, sterrenloze hemel, en wij in zee,
Onzuivere kadasters, door eilanden gekneveld

Voor dit glansloze zout je toebedeeld door Paladijnen
Bloedridders onder hun door wijn aangevreten schilden
Voor deze buit las jij aren op het veld der geschiedenis
Nadat zij eerst hun eerloze eer hadden geoogst oho
Zo veel branden kale plekken zoveel nacht, en geen pardon

O je bent Stem, en hun hoogmoed zal verdrogen. Ze zijn
Voor de kale pracht en met de rode bessen, de wind
Van op koralen afstormende zeeën en de ravijnen
Waar de volken ploegden in schoonheid en de hoogten
Sprakeloos verloren slachtoffers nachten huiverende verlangens

O kaardster de tijd is gekomen, ontknevel de tijd,
Neem de zee als weegschaal en als gewicht het zwarte zout
Ingezaaid door het bloed der volken die alle omkwamen,
Jouw ene moeder is op jou de schoonheid aangehaald
Uit verzengende zeeën en blauwe lentekou. Hoor

Schip! Die de nachten knevelde en hovaardig voor ons
Noemt de tijd in alle vlees, de stek in iedere aar
De velden bezweken onder de stem, het is poëzie
En van de zee werd naar ons de weg getrokken, naar jou
Gewijd aan de tijd en de stem die smeekt voor iedereen

Je legt geweren speren en zeeën voor de deur neer
Op de plek waar je van zout werd beroofd, je zingt met de zee
De geduldige ruimte en het overleven voor iedereen
Een wereld en een rank waarin tot slot de tijd opengaat
De ruimte in ons is zwaar, vrouw, de zee is woelig

Afrika O blijder dan ooit o strofe forse schone
Ik droomde, in jou versloot de mens zijn zware verbanning
Nu liet ik de diepten achter mij voor het effen gezicht
Pleistersteen voor ijzer en koraal voor vis, zie, de fuik
Ligt bloot, o zie op het zand ligt de Vrouw van Afrika

En zij neemt het zout in heur haar mooie gaai mooie vrucht
En wie weet plukken we haar tot slot allemaal, wie weet.

Vertaling: Jan H. Mysjkin

Uit Le sel,noir (1960), vertaling verschenen in Armada, tijdschrift voor wereldliteratuur

 

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter