blog | werkgroep caraïbische letteren

Edgar Cairo: Met de brede kant van zijn mond

Woord bij de presentatie van de herdruk van Kopzorg, OBA, 3 juli 2024.

door Michiel van Kempen

Edgar Cairo heeft nooit enige literaire prijs gehad. Daar zijn vier redenen voor aan te geven:

1. Het literaire establishment dat in de hoogtijdagen van Edgar Cairo’s literaire productie, de jaren ’70 en ’80, de literaire prijzen uitdeelde, had geen literaire affiniteit met zijn literaire werk; het had geen weet van de Surinaamse achtergrond ervan, het had geen weet van de Afrikaans-filosofische diepte ervan, het kon de vormentaal die in Nederland volstrekt nieuw was niet duiden.

2. Terwijl er vandaag de dag voor elke schrijver wel een prijs, penning of bij de printerette gedrukte award klaar ligt, waren er in de laatste decennia van de 20ste eeuw simpelweg veel minder literaire prijzen.

3. Als Edgar Cairo al op het netvlies van de jury’s heeft gestaan, dan is het de vraag of zij het optreden van die luidruchtige, grote zwarte man uit Suriname wel hadden durven te waarderen, hij die hen recht in hun gezicht uitlachte vanwege hun onwetendheid over wat zich in de Nederlandse koloniën had afgespeeld en nog afspeelt. ‘Het huis oogt mank’, dichtte hij.

4. Edgar Cairo heeft een aantal jaren van ernstige psychose doorgemaakt; voor het serieus nemen van zijn schrijverschap is dat funest geweest. Opeens waren er allerlei lieden die nooit eerder over zijn werk hadden geschreven, die nu wel over de “gekke” Edgar Cairo stukjes gingen schrijven. Hulde aan deze helden wier namen wij hier niet zullen memoreren.

In zijn 40 boeken omvattende oeuvre heeft Edgar Cairo zaken aan de orde gesteld als “de zwarte immigrant in de witte samenleving”, “het verdriet en bestaan van de Afrikaanse Zwarte”, “de positie van de zwarte man en in een bredere context de positie van alle gekoloniseerde mensen”, “het verwerpen van witte esthetiek”, de “Afro-Surinaamse metafysica” en “universaliteit van armoede, generatieconflicten en verandering”. Al deze termen die ik nu aanhaal komen uit de prachtige Rudolf van Lierlezing van Charl Landvreugd over Kopzorg die hij dit voorjaar in Leiden gaf. Het zijn allemaal thema’s die vandaag de dag behoren tot de kern van het literaire beleven waarmee zwarte Caraïbische auteurs vandaag de dag veel prijzen wegslepen, van Raoul de Jong tot en met Radna Fabias, van Dean Bowen tot en met Julien Ignacio.

Maar vandaag de dag is wel vijftig jaar na het debuut van Edgar Cairo.

De Stichting Edgar Cairo bestaat dit jaar tien jaar. Verschillende bestuursleden zijn hier aanwezig: Jenny Hoolt, Thalia Ostendorf en Hans de Visser. Edgars broer Arthur is helaas ziek en zijn neefje Orfeu is niet aanwezig. De voornaamste doelstelling van de stichting is het levend houden van de literaire nalatenschap van Edgar Cairo. Zijn archief is inmiddels overgedragen aan het Nederlands Literatuurmuseum, dat zoals u weet binnenkort een nieuw onderkomen krijgt in Utrecht. Een belangrijk doel voor de stichting is geweest om te komen tot een heruitgave van zijn werk. Dat dat vandaag, met de herdruk van Kopzorg, met een fonkelnieuw nawoord van Thalia Ostendorf, gebeurt, is mede te danken aan de inzet van de mensen van uitgeverij Cossée en daar zijn wij hen zeer erkentelijk voor.

Kopzorg is een schitterend vader-zoon-verhaal, geschreven in een voor een ieder goed toegankelijk Nederlands. De meeste van Cairo’s eerdere boeken, uitgekomen dankzij de moed en het doorzettingsvermogen van uitgeverij In de Knipscheer, zijn  geschreven in zijn eigen variant van het Surinaams-Nederlands. Hij wilde met die taal zoals hij het zelf noemde “een bufferkultuur voor minderheden” creëren, een wereld waarin de mensen die nog elders geboren waren en die in Nederland een nieuw bestaan zochten, zichzelf, hun eigen denken en hun taal konden herkennen. Het woord “minderheden” is inmiddels zowat helemaal verdwenen en er zijn al zeker twee generaties migrantenkinderen hier geboren. De tijd van de buffercultuur is voorbij en daarmee zullen we ons ook de vraag moeten stellen of de taal van al die vroegere boeken nog wel appelleert aan de werkelijkheid van nieuwe lezers. Herkennen zij nog wel de bron van zijn taalvirtuositeit die zo sterk leunde op het Sranantongo? En dus zullen we ook moeten nadenken over de delen van zijn werk die uitstijgen boven tijdgebondenheid, die teksten waarvan lezers van overal de kracht tot in lengte van dagen zullen blijven herkennen – en ik denk dan ook zeker aan zijn gedichten.

Edgar Cairo. Foto © Hans van den Bogaard/uitgeverij Cossée.

Laten we vooral ook niet vergeten dat Edgar Cairo in heel zijn beleven en uitdragen van de zwarte cultuur, in zijn veroordelingen en provocaties, in zijn vlijmscherpe bewustzijn van wat het kolonialisme de zwarte mens heeft aangedaan, altijd de man is gebleven die twee zwarte armen uitstak om de witte mens te omarmen

Edgar kreeg nooit een prijs, maar we leven in andere tijden. Astrid Roemer heeft inmiddels de twee belangrijkste literatuurprijzen van het Nederlandse taalgebied gehad, de P.C. Hooftprijs en de Prijs der Nederlandse Letteren. Zij heeft wel eens de uitspraak gedaan dat zij het vervelend vond om altijd met haar Creoolse confrère in één adem genoemd te worden: de generatie van Cairo en Roemer. Het blijft speculeren of Edgar Cairo de prijzen die Roemer ontving ook gehad zou hebben, als hij niet in 2000 was overleden. Maar er hoeft niet over gespeculeerd te worden hoe hij dat gedaan zou hebben: met een schreeuw en een kwinkslag en met een grote lach op zijn mooie gezicht, met de brede kant van zijn mond.

Michiel van Kempen is voorzitter van de Stichting Edgar Cairo.


Foto’s van de avond, OBA, 3 juli 2024

Michiel van Kempen tijdens zijn inleiding.
Sarita Bajnath interviewt Felix Burleson.
Felix Burleson droeg een gedicht en een parabel van Cairo voor.
Gerda Havertong en Thalia Ostendorf.
Gerda Havertong brengt een plengoffer.
Sarita Bajnath en Dean Bowen.

Alle foto’s © Joke Gerritsen.

3 Trackbacks/Pings

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter