blog | werkgroep caraïbische letteren

Michael Slory: Doen woorden er nog toe?

Woord bij de herdenking van Michael Slory, Vereniging Ons Suriname, zondag 17 maart 2019

door Michiel van Kempen

Bij deze herdenking van Michael Slory zien we de film van zijn leven voorbijkomen. Maar de beelden van die film confronteren ons ook met onszelf: waar waren wij in dit leven, hoe hebben wij het gedaan? In 35 jaar heb ik de eer gehad om met Michael Slory om te gaan, mee te werken aan een film over hem, zijn boeken te recenseren, zijn poëzie te vertalen en vijf bundels uit zijn werk samen te stellen. In die jaren heeft zich steeds sterker de overtuiging in mij vastgezet dat we hier niet alleen te maken hebben met een van de allergrootsten uit de Surinaamse literatuur, maar ook uit de Caraïbische literatuur en daarbovenuit nog in de literatuur in het Sranantongo, het Nederlands en het Spaans. Maar deze plaatsbepaling is nog gemakkelijk. Hebben we hem ten diepste wel begrepen?

Michael Slory en Michiel van Kempen, Paramaribo, mei 2017. Foto © Aafke Huizinga

 

Er is niets zo moeilijk als het doorgronden van de bedrieglijke eenvoud van de poëzie van Michael Slory. Ik snap eigenlijk nog altijd niet goed hoe hij het doet. Het vertalen van zijn gedichten uit het Sranantongo is een bijna onmogelijke opgave. Ik heb met drie mensen vertaald die het Sranantongo tot in al zijn finesses beheersen: Michel Berchem, wijlen John Leefmans en Ed Hart en telkens stelde Slory ons voor raadsels die met geen batterij aan woordenboeken op te lossen zijn

In het fotoboek Woorden die diep wortelen zegt Slory in 1992: `Ik let er altijd op welke kant de vogeltjes opvliegen. Moet ik een bus gaan zoeken en vliegen ze die kant op, dan ga ik naar de Gonggrijpstraat en dan vind ik daar ook bijna altijd een bus. Vliegen ze de andere kant op, naar de Tourtonnelaan, dan ga ik daar een bus zoeken en dan vind ik die daar, ja. Laatst is er hier een vlinder komen zitten en ik zei: “Hé, wat kom jij me zeggen?” En die dag kwam er een brief uit Holland. Sommige mensen geloven er niet in, maar ik heb zelf ervaren dat het wel kan werken.’

Kenneth Herdigein draagt Slory’s ‘Orfeu negro’ voor bij de herdenking van Slory bij de Vereniging Ons Suriname, Amsterdam, 17 maart 2019. Foto © Michiel van Kempen

Hoe gemakkelijk is het niet om deze eenvoudige woorden mis te verstaan. Hier zien we hoe voor Slory alles met alles samenhangt, natuur en beschaving, werkelijkheid en poëzie. Slory praatte net als Sint Franciscus met de vogels en de bloemen. Hij was een magiër voor wie alles vol tekens zat en die al die tekens voor ons neerlegde in de talige wereld van de gedichten. Hebben wij die wel goed verstaan? Hebben wij – los van de literaire prijzen die hij kreeg – hem wel de grani gegeven die hem toekwam? Het land van Suriname met alles wat er mooi èn lelijk in is, was voor hem één continuüm dat naadloos vertaald werd in de poëzie in zijn hoofd. Suriname was voor hem liefde, het Surinaamse volk was voor hem liefde en hij begreep niet dat uit dat volk niet één mooie vrouw, één grote geliefde voor hem gereserveerd was. Toen een scholiere hem een enquêteformulier voorlegde, vulde hij bij ‘Burgerlijke staat’ in: ‘Ongehuwd (helaas).’ In zijn allermooiste gedichten lees je die vertwijfeling, zoals in het gedicht ‘Wan Manspasiboskopu mi dyamanti blaka uma?’ [Een Emancipatieboodschap mijn diamanten zwarte vrouw]

Pe yu kotfaya pasa so
na ini a brektenson,
yu langa yapon srefi
no ben kan tapu.

(Ma skrifimarki tu de fanowdu ete?)

Die prachtige, langs schrijdende vrouw en dan die twijfel: als die vrouw er niet voor hem is, wat zouden zijn letters er dan nog toe doen? Slory voelde zich niet begrepen. Met zijn haarfijne zintuigen ving hij alle signalen op, hij voelde de meewarige blikken op zijn sjofele kleren en de plastic zak waarmee hij door de straten van Paramaribo liep. En hij sprak die pijn ook uit in dat eerder aangehaalde interview: ‘Ik heb nooit een vrouw gehad omdat ik teveel voor het Sranantongo heb gekozen. De mensen zagen me niet voor vol aan. Kijk bij de dag van de onafhankelijkheid: die mensen hebben me niet uitgenodigd. Ik heb zo hard gewerkt voor die mensen. Oké, is niet erg. De vlag wappert, de pagara’s worden afgeschoten, vuurwerk allemaal, en wat doet Slory thuis? Slory knielt gewoon en bidt uit de Bijbel. Maar ik vind het wel heel erg, dat die mensen zo reageren.’

 

Ronald Snijders bracht met een eigen compositie een ode aan Slory, VOS, 17 maart 2019. Foto © Michiel van Kempen

Hier voor mij liggen grote enveloppen met teksten die Slory me toestuurde, gedichten over de boeren in Nickerie, de hoge hakken van dames in Paramaribo, over Mighty Sparrow en Louis Doedel, over wrokoman dey, over tamarindes uit Thailand, over het voetbal in Brazilië, over het bos en het verraad van de milieuverontreiniging, over dyompofutu en kakafowru.

Skrifimarki tu de fanowdu ete? Doen letters er nog wat toe? Laat ik er dit van zeggen: als de letters van Slory er niet toe doen, dan kun je je afvragen of Suriname ertoe doet.

En daarom eindig ik met hem de rust toe te wensen die hij in 83 jaar zo weinig heeft gevonden. En ik geef hem het woord terug, met een gedicht van zijn hand dat u nog nooit gehoord zult hebben, omdat het nog niet is uitgegeven, getiteld ‘Afscheid van de doden’:

Afscheid van de doden

 

Geurig het afscheid.
Geurig het avondlicht
waar de boot vertrekt
voor altijd.

O dit leven
dat gaat en gaat,
en nooit weerkeert
en nooit weerkeert

O mogen mijn woorden zijn als bloemen
in het zacht wegkwijnend licht

O dat zij daar van gene zijde
ons eens zenden een bericht!

 

Michiel van Kempen bij uit het uitspreken van deze tekst, VOS, 17 maart 2019. Foto © Aafke Huizinga

 

De presntatrice van de herdenking, Tanja Jadnanansing

 

V.l.n.r. Raj Mohan, Geert Koefoed, Hugo Fernandes Mendes, Denise Jannah, Delano Veira, Michiel van Kempen, Tanja Jadnanansing, Rabin Baldewsingh, Ronald Snijders. Niet op de foto Marita Kitaman, Romeo Grot, Vincent Sams en Kenneth Herdigein. Foto © Aafke Huizinga

.

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter