blog | werkgroep caraïbische letteren

De Suriname-plannen

door Nico Eigenhuis

Er zijn in de loop der eeuwen de nodige plannen geweest voor de ontwikkeling van Suriname. Onderstaand een overzicht van de plannen die het land in de loop der tijd direct of indirect raakten. Het is beslist geen complete lijst, maar wel een om met verwondering kennis van te nemen.

Hanauisch-Indie
Na de verovering van Suriname door de Zeeuwen werd er namens de Duitse staat Hanau op 18 juli 1669 door Johann Joachim Becher met de WIC een verdrag gesloten in opdracht van graaf Frederik Casimir van Hanau. Volgens het verdrag zou Hanau een gebied van 100.000 km² tussen de Orinoco en de Amazone als leen van de WIC in bezit nemen. Hanau zou door het bezit van een kolonie een positieve handelsbalans moeten krijgen, hetgeen volgens het mercantilisme een vereiste was voor gezonde overheidsfinanciën. De West-Indische Compagnie zou verregaande rechten in het gebied krijgen, waaronder het transportmonopolie op goederen van en naar de kolonie. Vanaf het begin af aan leed het project aan een gebrek aan geld en kolonisten. Voor Hanau werd het een financieel fiasco en in 1672 probeerde de graaf zijn rechten aan Engeland te verkopen.

Het Nicaraguaplan
Koning Willem I had begin 19e eeuw grootse plannen met de oprichting van ‘zijn’ West-Indische Maatschappij. In 1828 kwam hij met zijn plan een Interoceanische verbinding voor 100 jaar realiseren. Centraal stond een doorgraving van de landengte van Nicaragua. Als hoofdzetel, en tevens hoofddepot voor de handel , werd hiervoor Curaçao aangewezen. Baron Ludolph van Heeckeren –tot dan gouverneur van alleen Suriname- werd als eerste Gouverneur-generaal voor ‘de West’ benoemd. Een ander plan van Willem I in deze was het moderniseren van de plantages in Suriname. In 1829 adviseerde hij industrieel Cockerill, die in België actief was, om de modernisering van plantage Susanna’s Daal te Commewijne ter hand te nemen.

De geprojecteerde stad Columbia
In 1828 kreeg Johannes van den Bosch de opdracht van Willem I om in het kader van het Nicaraguaplan bij de Surinaamse vesting Groningen de stad Columbia te vestigen. Hiervoor werd allereerst de leprozerie van Voorzorg naar Batavia verplaatst en vervolgens werd ruimte geboden voor landbouwers.De nieuwe stad Columbia zou het centrum moeten worden van de economische activiteiten in de regio en ter plekke zou een nieuwe haven moeten worden aangelegd om de geproduceerde goederen uit de regio te verschepen. Als eerste stap in de plannen was er het idee om ’s lands slaven zich na 1828 als vrijen op Voorzorg te laten vestigen. Dit sloot aan op hetgeen de in 1808 overleden gouverneur Wichers voorstond, die met zijn ruime manumissie-beleid streefde naar een gekleurde middenklasse in het land. De plannen stuitten op de nodige tegenwerking ter plaatse van de gevestigde plantersgemeenschap. Door het gebrek aan succes moest Van den Bosch vertrekken en kwam er een vroegtijdig einde aan de plannen.

Killingers wachterkrachtplan
Frans Pavel Vaclav Killinger (1876–1936) was een Hongaars militair die in 1899 in Suriname aankwam. In 1904 had Killinger het in Paramaribo tot inspecteur van politie gebracht. In 1908 zou de Nederlandsch Indische Gasmaatschappij een concessie krijgen voor de levering van stadsgas in Paramaribo. Killinger vond echter dat voor de stad elektriciteit moest worden opgewekt met een waterkrachtcentrale. Daarnaast zou volgens hem de corruptie moeten worden uitgebannen en zou alle macht voortaan bij de politie berusten. Tijdens een verlof in Europa besprak hij zijn ideeën met enkele geldschieters. De gasfabriek was overigens inmiddels voltooid. Terug in Suriname zette Killinger met zes andere avonturiers een samenzwering op touw die in 1910 door de voormalig politiebeambte Schoonhoven werd verraden. Killinger werd naar Nederland overgebracht waar hij vijf jaar moest zitten. Hij overleed in 1936 in Turkije.

Mussert’s Guyanaplan
In 1938 kwam de leider van de NSB, Anton Mussert, met een voorstel voor een Joods Nationaal Tehuis in Zuid-Amerika. Hij wilde het “volk zonder land” transporteren naar het “land zonder volk”, de Guiana’s. Mussert had ook voorzien wat men met de al in de Guiana’s levende bevolking (minder dan een half miljoen mensen) moest doen: “Daarvan bestaat een belangrijk deel uit Indianen en Negers, waarvoor een reservaat zou kunnen worden ingericht.” De overige bevolking (hoofdzakelijk Hindoestanen en Javaanse Surinamers) zou Nederland “moeten overbrengen naar Nederlands Oost-Indië.”. De kosten van het plan zouden door de Verenigde Staten moeten worden gedragen.

De plannen van Kielstra
Johannes Kielstra ( 1878-1951) bezocht in 1925 -ruim voor zijn aanstelling als gouverneur- Suriname. Vanuit zijn landbouwachtergrond en ervaringen in Nederlands Indië ontwikkelde hij zijn eigen ideeën over de toekomst van het land, waarbij de ontwikkeling van de landbouw centraal zou staan. Zijn dorpskernen concentreerden zich op de kuststrook en waren grotendeels langs de Oost-West verbinding te vinden. Qua gekozen speerpunten leken zijn plannen aan te sluiten op de plannen die een eeuw eerder door koning Willem I waren ontwikkeld. De Kielstra-dorpen die door hem werden aangewezen zijn Cassipora, Powakka, Berlijn, Groot-Poika (Bigi Poika), Kampong Baroe, Sidodadi;, Nieuw-Waldeck, Sidoredjo, Longmay, Paradise, Taman-redjo, Poerwodadi en de Vier Hendrikken. Van de eerder genoemde dorpen waren ten behoeve van de indianen Cassipora, Powakka , Groot-Poika bedoeld en voor de creolen Berlijn en de Vier Hendrikken. Alle overige dorpsgemeenten waren toebedeeld aan de Javanen, vooruitlopend op de aanvoer van meer Javaanse landbouwkolonisten.. Cruciaal voor de invullingen van zijn plannen was de aanvoer van nieuwe arbeidskrachten vanuit Java. De tweede wereldoorlog stond de verdere invulling van de plannen van Kielstra in de weg.

Nieuw Suriname
In november 1945 verscheen in Nederland de tweede editie van het blad Nieuw Suriname. In Nieuw Suriname wordt in de diverse nummers aandacht besteed aan verschillende aandachtsgebieden voor het Nieuwe Suriname, zoals een welvaartsplan, de landbouw, de houtsector, de industrie, medezeggenschap en onderwijs en de Coppenameplannen. Een aantal van de betrokkenen zou later een belangrijke rol spelen in Suriname. Zo werd bijvoorbeeld Jan Buiskool (1899-1960) -die zijn jonge jaren in Suriname doorbracht- er in december 1945 benoemd tot lid van het Hof van Justitie. Hierna werd hij er onder andere ook waarnemend Gouverneur. Lou Lichtveld keerde in 1949 terug naar Suriname waar hij landsminister van Onderwijs en Volksontwikkeling en tevens landsminister van Volksgezondheid werd.

“Nieuw Nederland”, het Coppenameplan
De in het huidige Indonesië geboren Gerardus J. Antes kreeg na de tweede wereldoorlog voor de ontwikkeling van zijn “Nieuw Nederland” langs de Surinaamse Coppenamerivier de nodige adviezen van Simon Sanches. Antes had voor zijn Coppenameplannen de nodige ideeën. Zo stond hem een stuwdam en krachtcentrale in de rivier voor ogen, zo dicht mogelijk bij de Raleighvallen, met daarbij een tussenkolonie, en wilde hij bij de Voltzberg en Van Stockumberg koffieplantages vestigen en rubber gaan winnen. Bij de monding van de rivier wilde hij een laad- en losplaats voor de in de omgeving geteelde producten. Er zou cocos en cassave geteeld moeten worden, en ook een varkensfokkerij worden opgezet. In de drie aan te leggen dorpen zouden ook een cassavemeelfabriek, zeepfabriek, tapiocafabriek, papierfabriek en spiritusfabriek moeten komen. Tot slot wilde hij een scheepswerf.

De coup van Sanches
Simon Sanches (1915-2002) vertrok in 1934 uit Suriname naar Nederland. Na de oorlog wilde hij als remigrant in Suriname in november 1947 vervroegd de Surinaamse autonomie af te dwingen middels een coup. Hij vond medestanders bij gedemobiliseerde Surinaamse oorlogsvrijwilligers. Over zijn verdere motieven verschillen de meningen. Zo zou de coup-poging zijn ingegeven doordat hij vond dat het koloniale bestuur de Aziatische groepen voortrok, en de creolen werden onderdrukt. Ook bestond het idee dat hij communistische invloeden had. Deze gedachte is wellicht mede ingegeven door zijn idee om het beeld van Wilhelmina te vervangen door dat van Anton de Kom. De coup was goed voorbereid, maar mislukte; volgens overlevering doordat de vrouw van een van de daders het plan biechtte aan de pastoor. Die briefde het weer door aan de militaire commandant. Sanches’ coup werd hierdoor verijdeld en hij werd hierna veroordeeld tot ‘slechts’ zeven maanden gevangenisstraf.

Saramaccaplan
Na de Tweede Wereldoorlog werd er door de Amerikaans-Joodse organisatie Freeland League met de regeringen van Nederland en Suriname onderhandeld over de vestiging in Suriname van 30.000 ontheemde Joden uit Europa. De Joden zouden zich moeten vestigen in het Saramaccadistrict, ten westen van Paramaribo. Aanvankelijk verliepen die onderhandeling positief, maar na enige tijd zetten beide regeringen de onderhandelingen stop. De Nederlandse regering zou hebben gevreesd dat zich onder de Joodse immigranten uit Centraal- en Oost-Europa veel ‘communistische infiltranten’ bevonden. Alexander Heldring schreef zijn proefschrift over Het Saramacca project.

Lelydorpplan
In de jaren vijftig was er het plan om “Indo’s” in het Surinaamse Lelydorp in te zetten. Op Lelydorp waren al Javanen gehuisvest sinds 1903, toen ze bij de aanleg van Lely’s Lawaspoorlijn werden ingezet. De reeds aanwezige landbouwinitiatieven van Pater Ahlbrincks met de Javanen aldaar werden omarmd in het Lelydorpplan. Toen na de onafhankelijkheid van Indonesie er zich “Indo’s” melden om zich in Suriname te vestigen werden ze in eerste instantie op plantages gestald. Speciaal voor hun verplaatsing naar Lelydorp werden er ter plekke voorzieningen getroffen. Bij de zittende Surinaamse gemeenschap zette de voorkeursbehandeling kwaad bloed,. Daarenboven bleek het hele plan geen groot succes, hetgeen fijntjes werd verwoord in 1954 toen bij een tussentijdse evaluatie werd gesteld dat het te vroeg was om conclusies te trekken.

Eysvoogelplan
Ein jaren veertig was er een verzoek van de Surinaamse regering om een plan voor irrigatie en drainage in de Nickeriepolder uit te werken. Door J. van Blommestein, E.E. Hens en W.F. Eysvoogel werd in 1950 het Noord-Nickerieplan (Eysvoogel-plan) ontwikkeld, met daarnaast een veel groter plan: het Brokopondoplan. Het Noord-Nickerieplan werd uitgevoerd in de jaren zestig en leidde tot de rijstpolder Wageningen. Ter plekke werd de staatsonderneming Stichting Machinale Landbouw (SML) gevestigd die in 1949 werd opgericht door de Nederlandse Landbouwhogeschool Wageningen als project met het doel Nederlandse boeren aan te zetten om rijst te verbouwen in Suriname. Nadat deze opzet mislukte werd de SML een zelfstandig rijstbouwbedrijf.

Brokopondoplan
Het Van Blommesteinmeer of Brokopondomeer was een ontwerp van Willem Johan van Blommestein. De in Nederlands-Indië geboren Willem Johan van Blommestein (1905-1985) bezocht de HBS in Bandoeng en behaalde in 1928 zijn ingenieursdiploma. Hij verzorgde hierna irrigatiewerken op West-Java. In 1936 vertrok Van Blommestein met zijn gezin naar Europa, waar hij in zich in Duitsland specialiseerde in het werken met waterkracht en turbines. Het combineren van verschillende functies in één ontwerp zou het handelsmerk worden van Van Blommestein. Vooral zijn opvattingen over geregelde bevloeiing het gehele jaar door, de schaalgrootte van werken (grote reservoirs, ‘inter basin transfer’) het combineren van diverse functies (vooral irrigatie en waterkracht) waren nieuw. De stuwdam werd in de jaren zestig gerealiseerd en zorgde voor de benodigde energie voor de bauxietindustrie.

Het Toraricaproject
Een mobiele stuwdam in de Surinamerivier moest de stad Paramaribo gaan voorzien in zowel stroom als een keurig te reguleren waterhuishouding. Belangrijkste doel van het Torarica-project zou de irrigatie van het kustgebied zijn, maar al in 1965 wenste “Jopie” Pengel niet volledig afhankelijk te zijn van de dam te Afobaka bij het stuwmeer voor de energievoorziening van de particulieren in Suriname. Het West-Duitse ‘Salzgitter Industriebau Gesellschaft MBH” zorgde voor het benodigde ontwerp. Naast de beweegbare stuw werd een vaste brug voorzien in het gebied tussen Afobaka en Paranam. Pengel nodigde in 1967 de Duitse prinses Alexandra von Hohenlohe- uit om over de financiering te praten. Ze vertegenwoordigde in 1967 een West-Duitse financieringsonderneming. Uiteindelijk kwam er geen deal tot stand.

West-Surinameplan
Van de ‘handdruk’ van drie miljard gulden ten tijde van de Onafhankelijk zou bijna de helft worden besteed aan West-Surinameplan. Dit geld werd merendeels aangewend voor aan de Nederlandse inbreng. Geestelijk vader van het project was de voormalige Surinaamse minister van opbouw Frank Essed, die begin jaren zestig via ‘operatie Grasshopper’ de natuurlijke rijkdommen van Suriname in kaart bracht. Het plan behelsde onder meer het winnen van bauxiet in het Bakhuisgebergte, het bouwen van stuwdammen en waterkrachtcentrales in de Kabaleborivier nabij Avanavero (het Kabaleboproject) en in de Nickerierivier (het Stondansieproject), en het aanleggen van een overslaghaven in Apoera. In het kader van dit plan werd van 1976 tot 1978 een 80 kilometer lange spoorweg aangelegd, van het Indianendorp Apoera naar het Bakhuisgebergte ten behoeve van bauxietwinning. Uiteindelijk is het project uiteindelijk gestaakt, waardoor de spoorweg nooit is gebruikt. Al in een eerder stadium was duidelijk dat uitvoering van het project door onder andere gedaalde prijzen van bauxiet op de wereldmarkt waarschijnlijk verliesgevend zou worden.

Tot slot:
Hoewel het lijkt dat veel van de plannenmakerij nergens toe leidt was in een aantal gevallen de timing van de plannen of de te hoge ambities niet in lijn met de realiteit. In sommige gevallen leidden de plannen niet direct tot resultaat, maar kregen ze op een later moment toch een positief vervolg. Wat vooral blijkt uit deze plannen is dat er in de loop der eeuwen veel perspectief werd gezien in de natuurlijke rijkdommen van Suriname.

Foto’s © Nico Eigenhuis / Fam. Sjaarda – 1963.

on 08.02.2019 at 7:49
Tags:

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter