blog | werkgroep caraïbische letteren
0
 

De kleine wereld van árya samáji Hindoestanen in Den Haag en Suriname

door Bris(path) Mahabier

De geschiedenis van Hindoestanen in Suriname en Nederland heeft in de afgelopen drie decennia – eindelijk – meer aandacht van wetenschappelijke onderzoekers en anderen gekregen dan voorheen. Dr. Surrendra Santokhi (gespecialiseerd in economische en sociale geschiedenis) en zijn oudste zuster Eline Santokhi (een gepensioneerde basisschooldirecteur) zijn twee actieve Haagse árya samáji hindoes. Zij hebben in de afgelopen vijf jaar jaarlijks een of twee culturele bijeenkomsten georganiseerd. Ook publiceerden zij in dezelfde periode enkele brochures die gratis onder geestverwanten en geïnteresseerden gedistribueerd werden.

Eline Santokhi

Op 29 september 2019 publiceerden zij hun boek Hindoehervormers en hun passie voor de Arya Samaj; Persoonlijke ervaringen van árya samáji’s in Suriname en Nederland. Eline en Surrendra Santokhi hebben negen artikelen geschreven, inclusief enkele uitgewerkte interviews, en ook de redactionele werkzaamheden voor hun rekening genomen. Aan deze publicatie hebben 17 personen als informanten en/of schrijvers meegewerkt. Op één na behoren alle medewerkers – ook de twee redacteuren – tot actieve leden van de árya samáj-beweging. Deze artikelenbundel telt 215 bladzijden en bevat 35 kleurenfoto’s van redactieleden, mandirs (tempels), auteurs, geïnterviewden en twee gefotokopieerde documenten. Vermeldenswaardig is, dat de eerste honderd exemplaren van dit boek (zonder ISBN-nummer) op de dag van de presentatie kosteloos aan de aanwezigen zijn aangeboden.

De Arya Samaj is een vereniging die door Swami Dayanand Saraswati (1824-1883) in Mumbai (India) in 1875 werd opgericht. Tot de eerste generatie aanhangers van deze organisatie behoorden vooral westers opgeleide intellectuelen. De aanhang van de Arya Samaj in Noord-India bleef getalsmatig beperkt, in tegenstelling tot de voormalige koloniën, waar Brits-Indische contractarbeiders op de plantages te werk waren gesteld. In Suriname behoort naar schatting 20% van de hindoes tot de árya samáji-beweging. Tempels (mandirs) van árya samáji’s vind je o.a. in Den Haag, Zoetermeer, Rotterdam en Amsterdam. De grootste árya samáji mandirs (tempels) staan in Den Haag en Zoetermeer.

Voor de árya samáj-beweging, die in Suriname vanaf 1911 en sedert 1929 in geformaliseerde verenigingsvorm, sociaal-religieuze hervorming, in het bijzonder religieuze aanpassing door o.a. teruggrijpen naar de bron van het hindoeïsme en vernieuwing nastreeft, is de studie van de Vedische literatuur individueel of in groepsverband van groot belang. De vier Vedische boeken, in het bijzonder de Rig Veda, worden als absoluut gezaghebbend beschouwd. Voorts wijzen samáji hindoes, ook in Nederland, een groot aantal zaken behorend tot het brahmaans hindoeïsme rigoureus af, zoals de beeldenverering, de negen incarnaties van God, de geldverslindende voorouderverering, het erfelijke kastenstelsel en alle vormen van bijgeloof. De samáji’s zijn voorstanders van emancipatie van de vrouw. In Nederland zijn er meer dan tien panditá’s, vrouwelijke priesters. De árya samáji’s kennen een lange traditie van gepassioneerde discussie, hartstochtelijke debatten en democratische procedures. Vooral in Suriname waren ze fel gekant tegen kerstening en gedwongen islamisering bij huwelijken. Op het culturele vlak hebben zij in Suriname de grootste bijdrage geleverd in het verzorgen van Hindi-onderwijs. Het kritische optreden van árya samáji’s genoot absoluut geen waardering bij de sanátani’s, de hindoeïstische meerderheidsstroming en andere religieuze gezindten, m.n. de islamitische.

De árya samáji-beweging heeft, zowel in Suriname als in Nederland, interne conflicten gekend. Helaas gingen die meestal niet over inhoudelijke en ideologische zaken. Sommige interne en persoonlijke botsingen hebben geleid tot afscheidingen, rechtszaken, passiviteit en tot terugkeer van enkele vooraanstaande samáji’s in de moederschoot van het brahmaans hindoeïsme (brahmanen vormen de ‘hoogste’ kaste/játi).

De 16 árya samáji’s, die in dit boek uitgebreid aan het woord komen of zelf de pen hanteren, vertellen hun persoonlijke verhalen, hun familiegeschiedenissen zo eerlijk en gedetailleerd mogelijk, de opkomst van deze religieuze stroming in hun geboortestreek in Suriname en over rol in Arya Samaj Nederland (ASAN), een Haagse organisatie. De oudste onder hen is de 91-jarige Ram Oedei Dihal. De vertellers c.q. schrijvers komen uit verschillende regio’s in Suriname, zoals Van Drimmelenpolder, Groot Henarpolder in Nickerie, Volharding in Saramacca, Laarwijk in Commewijne, in Wanica: Indira Gandhiweg, Weggedacht C, Leiding, Kasabaholo, Vredenburg-Houttuin, Santo Boma en Kwatta.

De portretterende vraaggesprekken en de beschrijving van gebeurtenissen geven een biografische schets van personen en families in een aantal regio’s. De informanten, bijv. Moti Marhé, Gang Kalpoe, pandit Jagdiesh Datadin, Parasargir Ishwardat, Tara Dewkalie-Ramawadh, pandit Perkas Jhagru, pandita Shama Kanhaisingh-Jipat, pandita Louise Rewti, en Soerin Kalpoe, vertellen wat zij zelf, hun ouders en grootouders in hun woongebieden hebben meegemaakt. Hierdoor wordt de árya samáji mens, vooral op het Surinaamse platteland, zichtbaar. Hindoe-organisaties zijn niet sterk in het bijhouden van hun archieven. Dit boek kan gezien worden als vastlegging van de religieuze ontwikkeling van een deel van de Hindoestanen. In deze microgeschiedenissen wordt de rode draad gevormd door een aantal gemeenschappelijke punten, zoals het bestrijden van kastendiscriminatie binnen de hindoegemeenschap. De directe aanleiding voor deze strijd was de bevoorrechting van personen van brahmaanse afkomst: op huwelijksfeesten ten huize van sanátani hindoes mochten zij als eerste de feestmaaltijd nuttigen en de functie van priester (pandit) vervullen. Árya samáji families eisten samántá bhojan, het gemeenschappelijk gebruiken van de maaltijd, anders aten árya samáji’s niet, of zij verlieten met hun gezin direct de feesttent. Voorts het kosteloos verzorgen van Hindi-cursussen, de bouw van tempels met eigen middelen, de opleiding tot priester, het aanleren van bhajans, het geven van onderricht in de Vedische religie, de persoonlijke ontwikkeling, bestuurlijke perikelen, organisatorische bijdragen en verbeterpunten.

Enkele informanten en schrijvers (Soerindre Sital, Chander Santokhi, Bhasker Rewti en Sardhanand Baldew) blikken terug op de periode, waarin ze in Den Haag als vrijwilliger op het bestuurlijke vlak een bijdrage hebben geleverd. Door al deze vertellingen ontstaat er een historisch beeld van de ontwikkeling van de árya samáj-beweging op dorpsniveau in Suriname en in Den Haag. Immers, op één na zijn alle artikelen van binnenuit beschreven en sociaal-historisch van karakter. Enkele medewerkers aarzelen niet om diplomatisch geformuleerde kritische uitspraken over de Arya Samaj te doen.

In het Woord vooraf schrijft Bris Mahabier: ’Het is de plicht van onze generatie om de geschiedenis van onze ouders en grootouders, die samáji hindoes waren, vast te leggen; hoe bescheiden hun historie ook mag zijn geweest. De árya samáji-beweging heeft anno 2019 wederom behoefte aan diepgaande scholing en ideologische heroriëntatie. Zonder deze zal de samáj moeilijk van haar ritualistisch karakter afkomen.’ Zo wordt kort en bondig niet alleen het doel van dit boek, maar ook een opdracht voor de toekomst aangegeven.

Chander Santokhi: ‘Verschillende besturen, pandits en leden hebben in de vorige eeuw vele offers gebracht… Die erfenis moeten wij koesteren. Om de Arya Samaj door te laten groeien, hebben we deskundige pandits, toegewijde vrijwilligers en een maatschappelijke agenda met activiteiten nodig die goed aansluit bij de ontwikkelingen in de samenleving en de wensen van onze leden. Daartegenover staan de volgende opgaven: moreel leiderschap, professionalisering, meer transparantie in de bestuurscultuur, meer inhoudelijke verdieping, aansluiting vinden bij de nieuwe generatie…’

Ook Ram Oedei Dihal (91) juicht een professionele opleiding van samáji pandits toe. ‘Het collectieve doel dient altijd voorop te staan en dat vraagt om bruggen te bouwen en wederzijds respect.’ Voorts stelt hij vast, dat het niet gemakkelijk is om een kleine vereniging met verschillende opvattingen te besturen. Meer variatie in de preken van pandits acht Dihal wenselijk.

Parasangir Ishwardath mist ‘de eigen visie onder de huidige pandits, die gemakkelijk terugvallen op vaste patronen en imitatie, echter zonder oog te hebben voor de veranderingen.’ Een betere priesteropleiding ziet hij niet als een grote noodzaak in onze tijd van digitalisering: voor inhoudelijke kennis kan elke geïnteresseerde gebruik maken van het internet.

De gebroeders Gang en Suren Kalpoe stellen: ‘De nieuwe generatie moeten wij leren onbaatzuchtig betrokken te zijn bij de samenleving. Een opbouwende kritische houding naar de eigen geschriften is essentieel om met de tijd mee te gaan. Onze jongeren willen verklaringen en accepteren niet klakkeloos alle uitleg door pandits.’

Pandita Shama Jipat hecht grote waarde aan doorstroming van jongeren, transparantie en het gebruik van de Nederlandse taal door pandits (hindoepriesters). Shama stelt: ‘We moeten nooit meer negatief in het nieuws komen. Mat-bhed (twist) en nindá (achterklap) moeten wij verbannen. Wij moeten weer sukh-dukh (lief en leed) met elkaar gaan delen.’

Soerindre Sital heeft moeite met de veelgehoorde bewering: ‘…het staat allemaal in onze boeken.’ En dat de leer van Árya Samáj nog niet toegankelijk is gemaakt voor onze jongeren is een doorn in zijn ogen. Hij is ervan overtuigd: ‘… dat een kritische Arya Samaj nodig is om de hindoegemeenschap in Suriname en Nederland wakker te houden. Maar dan dient onze vereniging eerst te veranderen.

Surrendra Santokhi

Een uitzondering op de overheersende beschrijvende aanpak is de bijdrage van Surrendra Santokhi. In zijn afsluitende bijdrage is er zeker sprake van analyse en toekomstgerichtheid: ‘De Arya Samaj is een protestbeweging. Zonder discussie en debat heeft deze beweging misschien wel geen bestaansrecht. Dat zowel Suriname als Nederland een cultuur kent die ruimte biedt om van mening te kunnen verschillen, anders te denken, te groeperen en te hergroeperen, persoonlijke ambities te koesteren en daarvoor een podium te zoeken, geeft ruimte voor dynamiek aan kleine gemeenschappen en haar instituties, zoals de Arya Samaj… De Arya Samaj is nooit weggelopen van het interne debat en tegelijkertijd is er een extern debat nodig’. Misschien kan er dan weer met volle borst gezongen worden: ’Ham Dayanand ke sainik hai, duniyá men dhum macá denge’ (Wij zijn de krijgers van Dayanand, de wereld zal het weten.) Dit lied moet eerst in de kleine wereld van árya samáji’s in Nederland, in het bijzonder in Den Haag, overtuigend klinken…

Hindoehervormers en hun passie voor de Arya Samaj is een boek waarin de eisen van deze tijd in de Nederlandse samenleving en elders, een toekomstgerichte visie en een bescheiden missie door een aantal oud-bestuursleden, pandits, hoogopgeleiden en anderen beknopt, maar zeker in heldere termen worden aangeduid. Zijn leidinggevende árya samáji’s in staat en bereid om de sociaal-culturele uitdaging te accepteren? Of hebben deze Hindoestanen – uit gemakzucht en onkunde – de vroegere kritische houding (van kránti en khandan) voorgoed vaarwel gezegd? Wellicht niet. Hopelijk krijgt men oog voor nieuwe en oude niet-gerealiseerde idealen, zodat er weer dynamiek ontstaat in de kleine wereld van áryá hindoes in Nederland en dan kan ‘Ham Dayanand ke sainik hai’ vooral in Den Haag, Zoetermeer, Amsterdam en Rotterdam klinken…

Eline & Surrendra Santokhi, Hindoehervormers en hun passie voor de Arya Samaj; Persoonlijke ervaringen van árya samáji’s in Suriname en Nederland. Den Haag: Rishi Foundation, 2020. 215 pp, 35 foto’s. Meer informatie: 070 3977837.

Rishi Foundation is een particuliere organisatie, gevestigd in Den Haag.

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter