blog | werkgroep caraïbische letteren

De Inktaapnominaties: Peeters & Brouwers

Van de redactie van De Ware Tijd Literair

In het kader van de week van het Nederlands besteden we op deze pagina aandacht aan twee Inktaapnominaties, die ook door scholieren in Suriname zullen worden gelezen. Zij zullen begin volgend jaar een van de boeken als winnaar kiezen. Al besproken zijn Fansi’s stilte van Tessa Leuwsha, de inzending vanuit het Caribisch gebied. Marieke Visser heeft Jij zegt het van Connie Palmen besproken. Een van de vier Inktaapnominaties voor 2017 is Het hout van Jeroen Brouwers. Hoewel Jerry Dewnarain op de Literaire pagina eerder een samenvatting heeft gegeven van dit boek, krijgt u in deze editie een uitgebreidere versie. Verder komt Malva van Hagar Peeters aan bod. Beide romans gaan over liefde voor kinderen, wel op een heel verschillende wijze uitgewerkt.
Vorige week is aangegeven dat na het vertrek van Michiel van Kempen in 1987 de redactie van de Literaire pagina werd overgenomen door Els Moor. Dit willen we bij deze rectificeren. Jan Bongers heeft het stokje opgepakt, en pas in de loop van 1993 zijn Chandra van Binnendijk en Els Moor tot de redactie toegetreden. Bongers is tot vorig jaar, 2015, zijn krachten blijven geven als eindredacteur. We wensen met deze pagina een archief over de Surinaamse literatuur aan te leggen, en dat behoort dan ook op correcte wijze te geschieden. Bij deze!

Een handicap: Liefde voor elk kind

 

door Helen Chang

 

malva-hagar-peeters

Malva is de eerste roman van Hagar Peeters. Van haar verschenen eerder gedichten en een non-fictie over een Nederlandse crimineel (Gerrit de stotteraar). In Malva worden fictie en non-fictie met elkaar verweven tot een verhaal waarin het meisje Malva op zoek is naar de liefde van haar vader, Pablo Neruda. De non-fictie in Malva is te vinden in de verhaalfiguren die hebben bestaan, zoals de Griekse filosoof Sokrates, de Duitse schrijver Goethe en de Britse schrijver Roald Dahl. Verder in historische feiten zoals de koloniale overheersing in Oost-Indië, de Tweede Wereldoorlog, de Spaanse Burgeroorlog en de machtsovername door Augusto Pinochet in Chili. En ook in de vertaalde gedichten van Neruda, van de Spaanse dichters Vicente Aleixandre 1898-1984 (Kom altijd, kom en Eenheid in haar) en Federico García Lorca 1898-1936 (Verzen bij de geboorte van Malva Marina Neruda) en van de Poolse dichteres Wislawa Szymborska 1923-2012 (Thomas Mann, Spookdiertje, Steeds). De dichteres Hagar Peeters kon het niet laten zelf ook wat gedichten te plaatsen in haar verhaal.
Pablo Neruda is een zeer bekende Chileense dichter die leefde van 1904-1973. In 1971 won hij de Nobelprijs voor de literatuur. Zijn echte naam is Ricardo Eliécer Neftalí Reyes Basoalto. Al op zeer jeugdige leeftijd schreef hij gedichten. Omdat zijn vader niet enthousiast was over zijn dichterlijke ambities, besloot hij onder een schuilnaam te schrijven. Als diplomaat heeft hij in verschillende landen gewoond. Hij werd later een overtuigd communist en adviseur van Salvador Allende, die als wettig gekozen president door Pinochet werd verdreven. Neruda’s mysterieuze dood nauwelijks twee weken na de machtsovername door Pinochet werd toegeschreven aan een complot van de machthebbers. Neruda is drie keren getrouwd geweest. Zijn eerste vrouw van 1930-1948 was de Nederlandse MaríaAntonia Hagenaar, ‘Maruca’. Met haar kreeg hij in 1934 zijn enig kind, Malva Maria Trinidad Reyes. Zijn tweede vrouw van 1943-1966 was de twintig jaar oudere Argentijnse Delia del Carril. Van 1966 tot zijn dood in 1973 was hij getrouwd met de Chileense Matilde Urrutia.

Noch in zijn gedichten noch in zijn memoires (Ik beken, ik heb geleefd) wordt Malva genoemd. Zou het zijn omdat Malva een waterhoofd had, waardoor ze niet kon praten en niet kon lopen? Is het uit schaamte, egoïsme of angst, of alle drie gecombineerd dat Neruda kort na de geboorte van Malva letterlijk vertrekt uit het leven van zijn vrouw en dochter? Neruda laat hen achter in Europa en gaat naar Chili. Ze zullen elkaar nooit meer terugzien. Door geldgebrek is ook Maruca gedwongen haar dochter achter te laten bij een pleeggezin, de familie Julsing, in Gouda. Ze wordt in een bolderwagen (een twee-assige kar die met menskracht wordt voortgetrokken) rondgereden. Dit gezin heeft Malva vier jaren tot haar dood in 1943 met liefde omringd. In de roman probeert de dochter postuum alsnog in het gevlei bij haar vader te komen. Het verhaal wordt verteld vanuit de ogen van Malva die vanuit het hiernamaals terug kan kijken op haar verleden en in het verleden van haar moeder en vader. Niet alleen kijken, ook erbij zijn, maar dan wel onzichtbaar voor de levenden. Ze vraagt aan Hagar Peeters het verhaal te schrijven. Ze kiest voor Hagar, omdat Hagars vader in Chili verbleef tijdens de machtsovername door Pinochet en de begrafenis van Malva’s vader heeft meegemaakt, ook omdat Hagar in haar jeugd net als Malva geen vader heeft gekend: vader Peeters heeft het bestaan van zijn kind jarenlang genegeerd.
‘Ach, Hagar, ik noemde zomaar een paar bekende gevallen, maar het aantal verwaarloosde kinderen van intelligente, creatieve en kunstzinnige vaders is eindeloos. Naar aanleiding van het geval van Gauguin, die zijn gezin verliet om op Tahiti nobele wilde vrouwen te gaan schilderen, heeft de filosoof Bernard Williams er zelfs een term voor bedacht: moral luck. Moreel geluk valt beroemde en succesvolle mannen die hun kinderen in de steek laten ten deel: zij komen ermee weg als ze hun verworven vrijheid gebruiken om de mensheid onsterfelijke kunstwerken te schenken.’ (p. 144). In het hiernamaals is Malva in gezelschap van drie vrienden. Daniel (1966, de zoon met het downsyndroom van de Amerikaanse toneelschrijver Arthur Miller (1915-2005); pas in 2007 kwam men erachter dat Arthur Miller een zoon had. Lucia is de schizofrene dochter (1907-1982) van de Ierse dichter James Joyce (1882-1941). De derde vriend in het verhaal is het fictieve, eeuwige en geestelijk gehandicapte kind Oskar Matzerath uit de roman De blikken trommel van de Duitse schrijver en winnaar van de Nobelprijs literatuur 1999, Günter Grass (1927-2015). Er ontstaat een vriendschap tussen deze vier die in het aardse leven niet volmaakt geschapen waren, maar waarvan ze geen last ondervinden in het hiernamaals.
‘De kinderen van de schilder Gauguin hebben al gevraagd of ze ook bij ons aan tafel mogen zitten, maar die vinden Daniel en Oskar niet gehandicapt of afwijkend genoeg. Dan zijn er nog de vele kinderen van de filosoof Rousseau, die hij allemaal onderbracht in een kindertehuis zonder verder nog naar ze om te kijken, terwijl hij zelf zijn beroemde Emile, ou De l’éducation schreef: de grondbeginselen van de pedagogiek, uiteengezet door een man die geen vinger naar zijn eigen kroost uitstak. Ze zijn niet al te snugger maar toch niet onsnugger genoeg naar onze smaak; daarover verschillen Lucia en ik van mening. Lucia vindt dat wij niemand mogen uitsluiten, ik vind dat we alleen de meest uitgestotenen mogen toelaten, en daar begint de heibel al! Zelfs hier, in het hiernamaals.
Een goede kans maakt Eduard Einstein, de schizofrene zoon van Albert. Terwijl hij zo vlug mogelijk op zijn ezel achter ons aan hobbelt, zet hij ons de toedracht van zijn leven uiteen. Op aarde was hij een intelligente, gevoelige en vooral erg muzikale jongen. Hij studeerde medicijnen en wilde psychiater worden, maar werd ironisch genoeg rond zijn twintigste levensjaar gediagnosticeerd als schizofreen. Hij had erg te lijden onder de scheiding van zijn ouders, en zijn gezonde broer Hans Albert is het met hem eens dat de verblijven in sanatoria en pleeggezinnen hem meer slecht dan goed hebben gedaan. Vooral de elektroshocktherapie is hem niet in de kouwe kleren gaan zitten. Over de relatie van zijn vader met zijn moeder Mileva is door de aardlingen al veel beweerd. Sommigen denken dat zij het grootste deel van het werk heeft verricht dat zijn vader diens eerste Nobelprijs bezorgde. Zeker is dat ze door de hoge kosten voor zijn verzorging in geldnood kwam, en dat zijn vader het prijzengeld van de Nobelprijs weigerde te delen.’ (p. 142).

Het verhaal over 235 bladzijden is verdeeld in 33 hoofdstukken die weer onderverdeeld zijn, aangegeven met een puntkomma (;): ‘… de puntkomma kenmerkend is voor de gedaante die ik was op aarde, met mijn kleine lichaam als een komma, een kromme haal, een kronkelige vorm, en mijn almaar uitdijende schedel als een groteske punt die zichzelf ontsteeg en die groeide richting hemel; … ‘ [p. 19]. Op pagina 218 staat een cryptisch gedicht van Malva voor haar vader: dit gedicht bestaat uit leestekens.
Lukt het Malva vanuit het hiernamaals om postuum de aandacht en liefde van haar vader te krijgen? Voor het antwoord raad ik u aan het boek te lezen. U zult er geen spijt van hebben.

Hagar Peeters: Malva. 2015 Amsterdam: Bezige Bij. ISBN 9789023492665

 

Een internaat: Liefde voor elk kind?

 

door Helen Chang

Brouwers Het hout

De ruimte van deze roman is een bestaande autonome mannenkloostergemeenschap met jongenspensionaat in Zuid-Oost-Nederland. Het klooster bestaat uit een gebouwencomplex met muren eromheen. Het vormt een enclave, afgescheiden van de buitenwereld. De titel Het hout slaat op het werktuig waarmee de jongens werden gekastijd. Ook verwijst het naar het hout van het kruis waaraan Jezus is gestorven. Hierdoor creëert de schrijver een verband tussen de tuchtstraffen en de katholieke kerk. Het verhaal is opgebouwd uit drie delen: I, II en III, die ongenummerde titelloze hoofdstukken hebben. In deel I vertelt de ik-figuur over het leven in het klooster. Deel II verhaalt over de gore praktijken van het schoolhoofd met de leerlingen. In deel III volgt de ontknoping. Drie is ook het aantal knopen in het koord van de kloosterlingen die herinneren aan drie geloften: armoede, gehoorzaamheid en onthouding/kuisheid. De eerste gelofte bemerkt de ik-figuur, wanneer al zijn aardse bezittingen worden weggenomen: zijn fiets, zijn opa’s horloge, ook zijn vulpen, portefeuille, paspoort, familiefoto’s en geld. Aan de tweede gelofte houdt de ik-figuur zich vaak niet: in plaats te doen wat de leiding van hem verlangt, doet hij wat hij denkt en voelt dat goed is. Aan de laatste gelofte kunnen vele broeders zich niet houden. Dat is te merken aan de seksuele intimidaties, de seksuele (zelf)bevredigingen, de verkrachtingen met behulp van ether en andere vunzige/onzedelijke praktijken die regelmatig plaatsvinden in het jongenspensionaat (in Suriname zeggen wij internaat) dat verbonden is aan het klooster. Zowel de leiding als medebroeders maken zich schuldig hieraan. De broeders die niet meedoen aan dit soort praktijken maar wel degelijk op de hoogte zijn, houden hun kaken stijf op elkaar. Ook de ik-figuur. Zelfs buitenstaanders die vermoedens hebben, zwijgen. Zo komt de dorpsdokter langs. Hij ziet striemen op het bovenbeen van pupil Wil, die niet van zwiepende struikentakken kunnen komen zoals de ziekenbroeder beweert. Dokter: ‘Iemand heeft gemept. Heb je flink teruggemept?’ [p. 166]. De dokter ziet, maar maakt er verder geen werk van.
Drie als getal komt terug in de vertelde tijd, die drie dagen duurt: van dinsdag in de Goede Week tot en met Witte Donderdag van het jaar 1953. Het verhaal is niet chronologisch, want het verhaalheden (die drie dagen) en het verleden wisselen elkaar af.
De ik-verteller is Eldert Haman, die wordt aangenomen als leraar Duits, omdat hij katholiek en vrijgezel is. Na enige tijd krijgt hij kost en inwoning binnen het convent in het gastenverblijf aangeboden met behoud van zijn onafhankelijkheid. De volgende stap is dat hij het voorstel krijgt om vanwege verbouwing van het gastenverblijf voor zijn gemak in het klooster te eten en te slapen. Zo komt van het een het ander, waardoor Eldert langzaam maar zeker wordt ingekapseld in het kloosterleven. Op een gegeven moment wordt zijn hele salaris ingehouden ter compensatie van alles wat de kloostergemeenschap zo genereus biedt: eten, drinken en een gemeubileerde kamer. Hij wordt in 1950 opgenomen in deze gemeenschap als broeder Bonaventura. ‘Zoals er dieren zijn die in de late herfst aan een winterslaap beginnen, zo was ik in mijn zomer begonnen aan een levensslaap. Hoogtepunt in het vrijgezellenbestaan.’ (p. 82).

Het verhaal begint wanneer de zesentwintigjarige Bonaventura als kloosterbroeder in de slaapzaal waakt over jongens van twaalf tot zestien/zeventien jaar. Een van de jongens, Mark Freelink, ligt niet in zijn bed. De broeder die de moestuin onderhoudt, vertelt de volgende morgen dat hij Mark heel vroeg gevonden heeft bij het poortje (naar de buitenwereld), na wat lijkt op een zelfmoordpoging. Hij brengt Mark naar de ziekenboeg. Wil Lanschot is de vriend van Mark. Het plan om samen te vluchten, mislukt. Wil voelt zich nog meer schuldig wanneer Mark de volgende morgen nog niet op de slaapzaal is. Na het ochtendgebed rent Wil weg, naar de poort in de hoop Mark daar te vinden. Op de terugweg van de ziekenboeg (waar hij Mark heeft gebracht) naar zijn moestuin ziet de broeder dat Wil naar de poort rent. Tijdens het ontbijt keert Wil terug met slechts een schoen van Mark. Natuurlijk krijgt hij straf en ze mogen ook niet meer met elkaar praten.

De lijfstraffen worden gegeven door het hoofd Mansuetus (Mansoeweetoes): zo omvangrijk als deze man is, zo onhoorbaar kan hij sluipen en naast je staan zonder dat je het merkt. Zijn bijnaam is ‘ever’. Leerlingen maken geluiden als het om Mansuetus gaat: ‘Knorknor, ahûmm, agrômm. Knorremans.’ Hij trekt aan de oren van de leerlingen, klapt hen met de vlakke hand of met beide vuisten, knijpt, beledigt, schreeuwt, slaat met het hout en wat het ergste is, hij laat zijn seksuele lusten botvieren op de leerlingen. Mansuetus raakt zijn slachtoffers aan, al dan niet in aanwezigheid van medebroeders, hij verbergt het niet. ‘Al wilde ik het niet zien, ik zag het en ik wist het voorgoed. Op een of andere manier medeplichtig.’ (p. 52) ‘Het schoolhoofd houdt van blond.’ (p. 14) ‘Die zoekt er dagelijks wel een, ook wel twee, of drie, uit voor onderhout, dit is een woordspeling, waar de jeugd krom en naar adem happend van het schreeuwen en de verwarring van terugkeert.’ (p. 15) ‘Het is weer zover, zeiden we tegen elkaar, of zeiden we niet en spraken alleen onze blikken. Wie?’ ( p. 20). Vanaf 1951 geeft Mansuetus leiding in het klooster. Een van de zaken die hij verandert is dat hij Bonaventura als leraar bedankt. Voortaan moet hij huishoudelijke diensten verrichten. In de avonduren moet hij de wacht houden op de slaapzaal. Hij gedraagt zich anders tegenover de leerlingen dan zijn medebroeders. ‘Ik raak de leerlingen niet aan. Ik niet.’ (p. 15).

Door zijn kaakpijn mag Bonaventura naar een tandarts in de profane wereld. Bij de tandarts leert hij de weduwe Patricia kennen. Aan haar vertelt hij alles over het kloosterleven. Patricia wijst hem erop dat hij medeplichtig is aan al die gore praktijken. Na lang wikken en wegen verlaat hij zonder toestemming het klooster om bij haar te zijn. Als straf wordt hij naar Duitsland gestuurd: tien dagen bezinning in het hoofdklooster. Deze bezinning houdt totale afzondering in en met uitsluiting van alles. Na deze straf krijgt hij te horen dat hij niet past in het kloosterleven. Hij zou vele regels hebben overtreden. Door een cultuur van verklikken wordt hem plichtsverzaking verweten. Voor straf sturen ze hem naar Nieuw-Guinea. Op Witte Donderdag verwacht het klooster bezoek van de bisschop en is men daarom druk in de weer om alles in orde te maken. Bij het willen schoonmaken van het grote, zware houten kruis met het Jezusbeeld, valt het kruis naar beneden. Het beeld is gelukkig niet beschadigd, maar de broeders besluiten het kruis op de vloer te laten liggen en pas na het bisschoppelijk bezoek omhoog te takelen. Tijdens de dienst met de bisschop maakt hij de knopen in het koord los en loopt hij niet als Bonaventura maar als Eldert Haman naar voren, terwijl hij zich ontdoet van zijn kloostergewaad. Hij legt zijn kleding voor het altaar en loopt de kerk uit. Wil van Lanschot sluit zich als eerste aan, daarna volgen nog minstens vier andere jongens die zo hun vrijheid tegemoet lopen.

Het is een heftig verhaal met een gevoelig en pijnlijk onderwerp voor de katholieke kerk en voor de slachtoffers. Het is een verhaal over machtsmisbruik en seksueel misbruik, maar ook over vriendschap en liefde die overwint. En het heeft een happy open einde. Wat de realiteitswaarde betreft: op internet hebben mannen gereageerd die in dat jongensinternaat hebben gezeten, maar ze melden allen dat ze niet seksueel gemolesteerd zijn. De tuchtstraffen herinneren ze zich wel.

Jeroen Brouwers: Het hout. Amsterdam: Contact. Oorspronkelijke druk 2014. ISBN 978 90 254 4225 5

1 comment to “De Inktaapnominaties: Peeters & Brouwers”

  • Binnengekomen reactie van Hagar Peeters:
    In de bespreking van mijn roman door Helen Chang staat een fout.
    ‘Vader Peeters’ moet zijn: ‘Vader Herman Vuijsje’, de journalist en
    Latijns-Amerika deskundige. Ook van belang is de overeenkomst in
    engagement tussen Neruda en Vuijsje en hun afwezigheid als vaders. Met
    vriendelijke groet, Hagar Peeters, schrijfster van ‘Malva’

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter