blog | werkgroep caraïbische letteren
1
 

De ‘Cotton Club’, een kroeg met kleur

door Tessa Leuwsha

Cotton Club, de bewogen geschiedenis van een café is het tweede boek van Alice Boots en Rob Woortman die eerder de knappe biografie over Anton de Kom brachten. Is die biografie een helder verhaal over het leven van Anton de Kom van wieg tot graf, ‘Cotton Club’ over een café in Amsterdam waar ook veel Surinamers kwamen, laat zich lezen als een verzameling anekdotes van mensen die de wereld rond die kroeg bevolken. En dat is een aardig ruig stelletje: pooiers, hoeren, kroegbazen en dealers. Ze komen pagina voor pagina voorbij, maar het café als verbindende factor biedt tussen al die vertellingen soms een maar erg dun draadje.

Veel meer lijkt het de makers erom te doen een tijdgeest te willen vangen, van toen levens meer geleefd dan gepland werden en de buurtkroeg nog stond voor geborgenheid en gemeenschapszin in een snel veranderende wereld. In die opzet is het boek geslaagd.
De Cotton Club begon in 1940 onder de naam café Smit als eigendom van Frits Smit en zijn vrouw Alida, beter bekend als Da. Ome Frits heeft de kroeg aanvankelijk bedoeld als inkomstenbron voor zijn moeder, maar eigenzinnig als hij is besluit hij zelf achter de tap te gaan staan. Het is een lastige tijd om een café te beginnen. De Tweede Wereldoorlog is uitgebroken en de kroeg aan de Nieuwmarkt, dichtbij de rosse buurt, ligt midden in de Jodenwijk.

Een anekdote die niet in het boek terug te vinden is maar wel een hardnekkig leven leidt onder bezoekers van het café is de volgende: toen ome Frits door de Duitsers die Nederland hadden bezet, werd verplicht om een bordje ‘Verboden voor Joden’ op zijn kroegdeur te hangen, hing hij er een tweede bordje naast: ‘Verboden voor Duitsers’. Strijd met het gezag zou in het leven van Frits Smit een lopend vuurtje zijn. De kroeg wordt al vroeg een plek voor vrijbuiters.

Cotton Club

De naam Cotton Club krijgt het café als dochter Annie de uitspanning van haar vader overneemt. Annie is verliefd geworden op een Surinaamse muzikant, Theodoor Kantoor. Theodoor Kantoor weet heel goed dat zijn naam in het artiestenleven geen zoden aan de dijk zet. Hij doopt zich om tot het Amerikaans klinkende Teddy Cotton, een naam die appelleert aan de cotton fields, de katoenvelden van weleer in de Zuidelijke Staten van Amerika. In het kielzog van Teddy verschijnen er meer Surinamers in de kroeg en krijgt die de naam een ‘negercafé’ te zijn. In de naoorlogse dagen worden kleurlingen nog geregeld uit Nederlandse etablissementen geweerd; thuiszitten in slecht verwarmde huurkamers is geen aanlokkend alternatief. De Cotton Club wordt voor veel Surinamers een tweede huiskamer. Ze worden er door ome Frits, die naast zijn dochter nog altijd zijn stempel op het café drukt, met open armen ontvangen. De bruine jongens brengen sfeer en zij trekken op hun beurt weer in Duitsland gelegerde zwarte Amerikaanse soldaten aan, die tot over de grens hebben gehoord van de fameuze Cotton Club.

Ook Hollandse meisjes komen vertier zoeken in de exotisch getinte kroeg en dansen heupwiegend op de door de Amerikanen meegenomen jazzplaten. Maar met de meisjes begint het gedonder. Het is de tijd van vóór de vrouwenemancipatie. Meisjes werden na school geacht te trouwen; alleen arbeidersvrouwen werkten, zoals de dochters van ome Frits en tante Da. Vrouwen behoorden al helemaal niet in een kroeg te komen, laat staan in eentje waar een luchtje aan hangt. Naast kleurlingen komen ook hoeren en pooiers in de Cotton Club geregeld een pintje pakken. En ook kunstenaars en andere avant-gardisten genieten er van de jazz van John Coltrane, Miles Davis en Thelonious Monk en van de jointjes, die in de jaren zestig steeds vaker onder de cliëntèle de ronde doen. Vanaf dan wordt de Cotton Club door de politie scherp in de gaten gehouden. Het is de tijd van de Pleiners, in het zwart geklede jongeren, artistiekelingen, die de Franse filosoof Sartre aanbidden, tegenover de met vetkuiven getooide Dijkers. Terugkijkend op die tijd kleefde er aan misdaad een zekere romantiek: in het boek komen verhalen aan bod van een hoerenmadam die de buurt schoonhoudt van tuig en van pooiers van het type ruwe bolster blanke pit.

Rob Woortman k

Rob Woortman. Foto © Michiel van Kempen

Een kantelpunt in het bestaan van de tolerante Cotton Club treedt op in de jaren zeventig wanneer harddrugs in de buurt opmars maken. Ome Frits, op dat punt groen als gras, heeft niet door dat onder zijn neus heroïne wordt gedeald. Het komt de kroeg duur te staan, de drankvergunning wordt ingetrokken. Dochter Annie weet onder de meer neutrale naam ‘Café Annie’ met de verkoop van frisdrank en lekkere Surinaamse hapjes jarenlang overeind te blijven. Toch raakt de familie het café uiteindelijk kwijt. Een snelle jongen koopt de kroeg op, trekt met commerciële ingrepen een nieuw yuppiepubliek aan en verjaagt daarmee de oude Surinaamse klanten. Pas als Marion, kleindochter van Frits Smit, de kroeg waarin ze grotendeels opgroeide, weet over te nemen en die weer omdoopt tot Cotton Club, krijgt het buurtcafé zijn oude functie als plek voor jong en oud en voor wit en bruin terug. Marion realiseert die overname dankzij een aanzienlijke financiële inbreng van haar halfbroer Dino Soerel. Dat Dino Soerel niet lang daarna wordt aangehouden voor zijn aandeel in zware georganiseerde misdaad, is dan niet voorzien. Marion weet maar net sluiting door justitie te voorkomen en ook dit gegeven past naadloos bij de van oudsher als rebels bekend staande Cotton Club.

woortman de-cotton-club-amsterdam-boek
Cotton Club, de bewogen geschiedenis van een café is voornamelijk samengesteld uit wat orale geschiedenis heet. De makers vermelden in hun nawoord terecht dat het waarheidsgehalte van sommige verhalen op zijn minst twijfelachtig te noemen is. Waarnemingen zijn altijd persoonlijk en hebben bovendien met de tijd de neiging te verkleuren. Maar hoe mensen geschiedenis beleven én onthouden is beslist ook historie, misschien wel meer dan droge opsommingen van feiten.

.
Alice Boots en Rob Woortman: Cotton Club. De bewogen geschiedenis van een café. [Amsterdam]: uitgeverij Atlas Contact, 2014. ISBN 978-90-450-2624-4

1 comment to “De ‘Cotton Club’, een kroeg met kleur”

  • Zo rond 1960 werd ik klant in de Cotton club. Nu zoveel jaar later ben ik dat nog nu alleen op de zaterdagmiddag wanneer er live jazz wordt gespeeld. Marion heb ik als baby over de bar zien kruipen. Ik heb het boek met veel plezier gelezen, het is wel te merken dat de schrijvers niet tot de vaste klanten behoorden. Met de recensie ben ik het helemaal eens, het is een verhaal over een tijdperk toen de buurt ruig was, niet aangeharkt zoals nu. Wij, de klanten van toen zijn zelf geschiedenis geworden.

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter