blog | werkgroep caraïbische letteren

De Assepoester van het Midden-Oosten

door Fred de Haas

In de epiloog van mijn boek Geest van Sefarad uit 2017 stonden enkele kritische opmerkingen over de politiek van Israël ten aanzien van een van de oorspronkelijke volken van  Palestina. Omdat het kader van het boek zich niet leende voor een door argumenten ondersteunde en genuanceerde mening over dit gecompliceerde onderwerp, nam ik mij voor om mijn gedachten over de politieke situatie in Israël met de nodige onderbouwing binnen niet al te lange tijd op schrift te stellen, me daarbij te laten leiden door historische feiten en het eindoordeel, vanzelfsprekend, aan de lezer over te laten.

Hondius, Palestina in de 16e eeuw

Ik heb dit voornemen een tijdlang uitgesteld totdat ik in augustus 2018 een programma zag waarin de Nederlandse journalist Coen Verbraak sprak met een aantal religieuze leiders in Nederland. In die gesprekken probeerde hij erachter te komen wat hen dreef en ‘bezielde’.

Een van die religieuze leiders was de Nederlandse Opperrabbijn die Israël kenschetste als het ‘beloofde’ land en ‘ons joodse land. Punt!’ Op de vraag van journalist Verbraak waaraan Israël zijn positie ontleende, antwoordde de opperrabbijn met stelligheid dat dit de Bijbel en het Joodse geloof waren. Voorwaar, meningen die  geen tegenspraak duldden.

Mijn verbazing over het feit dat iemand met zoveel overtuiging kon spreken over het ‘Beloofde Land’ en een eeuwenoud  verhalenboek als de Bijbel – toch niet bepaald een notariële acte – aanhaalde als bewijs voor zijn stellingen, was de reden waarom ik eindelijk ben begonnen aan mijn voorgenomen betoog.

De vraag hoe men het zou vinden als er grote aantallen Arabieren uit het Midden-Oosten naar Spanje zouden trekken om daar een moslimstaat te stichten omdat hun voorouders er achthonderd jaar hebben gewoond voordat zij door de Katholieke Koningen uit Spanje werden verdreven in 1492, drong zich meteen aan mij op. Ook vroeg ik mij af of de afstammelingen van de honderdduizenden mensen die zich  in de loop van de geschiedenis tot het Jodendom hadden bekeerd, allemaal aanspraak konden maken op Israël als hun vaderland.

Maar laten we niet op de gebeurtenissen vooruitlopen en eerst in grote trekken schetsen welke situaties en welke mensen ertoe hebben bijgedragen dat de Staat Israël in 1948 werd gesticht en welke gevolgen dit tot de dag van vandaag heeft gehad zowel voor de Joodse als voor de Islamitische en de seculiere bevolking van het land.

De Bijbelse verhalen als wegbereiders voor het Zionisme

De gedachte aan een mogelijke terugkeer van de Joden naar Palestina is niet zomaar uit de lucht komen vallen. De miserabele situatie waarin de Joden verkeerden aan het eind van de 19e eeuw was een belangrijke aanleiding tot de verwerkelijking van die gedachte. Een voorname inspiratiebron was daarbij ook de Bijbel. 

Herodotus, boek VIII, 2de eeuw na Chr.

In de Reformatie werd de Bijbel vertaald in de omgangstaal, de taal die de ‘gewone’ mensen, die geen Latijn of Grieks kenden, konden begrijpen. Calvijn vertaalde de Bijbel in het Frans, Luther in het Duits, de Statenbijbel verscheen in het Nederlands en Hendrik VIII voerde in 1538 de in het Engels vertaalde Bijbel in alle  kerken van Engeland in. In 1611 werd deze opnieuw vertaald en zou bekend worden onder de naam ‘King James Bible’.

De Bijbel, een boek dat door een heterogeen aantal auteurs, verdeeld over vele generaties, werd geschreven en herschreven, werd, ondanks zijn verklaarbare doublures en gebrek aan innerlijke samenhang, een bestseller en was vaak het enige boek in huis waaruit regelmatig aan tafel werd voorgelezen. De hoofdrolspelers uit het Oude Testament kregen door deze frequente omgang een soort heldenstatus. Hun afstammelingen zouden Palestina verlaten en zich voor eeuwen vestigen in plaatsen buiten Palestina met alle vervolgingen die daarmee gepaard zouden gaan. Zo werden zij in  de 13e eeuw uit Engeland verbannen en in 1492 uit Spanje, waarna zij zich verspreidden over Noord-Afrika en Europa.

Het Midden-Oosten, waarvan Palestina deel uitmaakte, kwam onder Arabisch bestuur. Arabische moslims hadden dus  het –  in christelijke ogen –  ‘heilige’ land veroverd. Dat feit zou de aanleiding worden voor de beruchte en door de Pausen geïnspireerde Kruistochten met o.a. als resultaat de verovering door de Kruisridders van Jeruzalem in 1099. De ridders stichtten vervolgens eigen Staatjes die tweehonderd jaar hebben voortbestaan. Daarna werd het Midden-Oosten deel van het machtige Ottomaanse Rijk totdat dit ten onder ging tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Palestina zou 1300 jaar lang een overwegend Islamitisch land blijven.

Van de twaalfde tot de achttiende eeuw trokken er, niettemin, tienduizenden christelijke pelgrims naar Jeruzalem. De Joden toonden in die tijd nauwelijks belangstelling voor bezoeken aan Palestina. Wel is er een 12e eeuws reisverslag bekend van een rabbijn – Petachja – uit Regensburg die vermeldt dat er in Jeruzalem ongeveer 300 Joodse families woonden.

Palestijnse boeren

De vroege rol van Engeland

Eind achttiende eeuw begon Engeland langzamerhand invloed te krijgen in Palestina. In 1799 had de Britse vloot de Turkse Sultan geholpen om Napoleon te verdrijven die Akko op de Palestijnse kust belegerde. In 1838 zou Lord Palmerston de eerste Britse consul naar Jeruzalem sturen.

Engeland zou opnieuw een kans krijgen om zich verdienstelijk te maken bij de Turkse Sultan in 1840. Toen hielpen de Britten om de Egyptische heerser Mohammed Ali Pasja, die in 1831 Syrië en Palestina had veroverd terug te dringen naar Egypte.

Het Ottomaanse Rijk begon al sinds enige tijd duidelijk te verzwakken en men sprak over de Sultan als ‘de zieke man aan de Bosporus’.

Terugkeer naar Palestina

In de 19e eeuw begon de gedachte op te komen om de Joden terug te laten keren naar Palestina en ze vervolgens tot het Christendom te bekeren. Dat laatste, nogal absurde idee werd gepromoot door o.a. prof. Alexander McCaul die Hebreeuws doceerde aan King’s College in Londen en door de schrijver Edward Bickersteht (The Restoration of the Jews to their own land, 1841).

In Engeland waren er voor- en tegenstanders van Joodse emigratie naar Palestina. Het imperialistische denken stond omstreeks de helft van de 19e eeuw nog in de kinderschoenen. Maar het tij begon te keren toen Engeland in 1882 Egypte veroverde en 44% van de aandelen in het Suezkanaal verwierf, dank zij de Engelse filantroop en bankier Lionel de Rothschild.

Het streven naar terugkeer zou de geschiedenis ingaan onder de naam ‘Zionisme’. De benaming ‘Zionist’ kan zowel een neutrale betekenis hebben (een aanhanger van het Zionisme) als de aanduiding zijn voor ‘Jood’. In het laatste geval heeft het, helaas, soms een antisemitische ondertoon. Het spreekt vanzelf dat in dit artikel ‘Zionist’ en ‘zionistisch’ een neutrale betekenis hebben.

Het Zionisme

De 19e eeuw: het Zionisme

Nathan Birnbaum

De term ‘Zionisme’ is afgeleid van ‘Zion’, de naam van de Tempelberg in Jeruzalem. Het betekent  in zijn algemeenheid het streven van de Joden naar een eigen, nationale Staat in Palestina. De term werd geïntroduceerd door de Oostenrijkse journalist Nathan Birnbaum (1864-1937) en vervolgens overgenomen door Theodor Herzl die er, in tegenstelling tot Birnbaum,  een politieke lading aan heeft gegeven. Ook was Birnbaum een voorvechter van het algemeen gebruik van het Jiddisch, een streven waarin hij verschilde van de uit Litouwen afkomstige Eliezer ben Yehuda, een arts die in Parijs studeerde en op een dag besloot alleen maar Hebreeuws te gaan spreken. Opmerkelijk genoeg moest Ben Yehuda, toen hij in Jeruzalem was, zijn standpunt verdedigen tegen de orthodoxe Joden die vonden dat het Hebreeuws alleen maar mocht worden gebruikt voor het gebed en de liturgie.

In de 19e eeuw begon de belangstelling voor Palestina sterk op te komen. Er komen Europese consulaten en  het Suezkanaal gaat een belangrijke rol spelen in de verwikkelingen rond Palestina. De stad Jeruzalem krijgt een grote politieke en symbolische waarde. Herzl zal gaan strijden voor de politieke wedergeboorte van de Joden en een Joodse Staat die, naar zijn mening, zal beginnen met het ontstaan van joodse kolonies in wat hij noemde ‘het land van zijn voorouders’. Vanaf de tijd dat de leiding van het Zionisme zich begon te verplaatsen naar Berlijn (1889) begonnen de Ottomaanse Turken zich in het toenmalige Constantinopel (nu Istanbul) zorgen te maken over de mogelijke toestroom van Joden naar Palestina. In 1893 verbiedt de Turkse regering zelfs de emigratie van Joden naar Palestina. De toekomstige joodse emigratiegolven en de daarmee gepaard gaande demografische veranderingen zouden in de volgende jaren een heet hangijzer blijken.

Belangrijke Zionisten

Talrijke talentvolle Joden hebben zich ingezet voor het Zionisme. Ik zal mij beperken tot het noemen van enkelen onder hen, die, wat hun gedachtegoed betreft, een goede inleiding op het verdere verhaal vormen.

Het is opvallend dat sommigen van hen groot begrip toonden voor de mogelijke reactie van de inheemse Arabische bevolking van Palestina op de joodse plannen en een besef dat joodse emigratie naar dat land wel eens desastreuze gevolgen zou kunnen hebben.

Leo Pinsker (1821-1891)

Leo Pinsker werd geboren in Polen, studeerde rechten in Odessa en medicijnen in Moskou. Hij vond aanvankelijk dat de Joden  zich in Rusland moesten assimileren en Russisch moesten spreken in plaats van Jiddisch. Van dat standpunt kwam hij terug na de pogroms van 1881-1883. Hij vraagt zich af waarom mensen zo vijandig staan tegenover Joden: ‘Angst voor Joden is een psychose. Als zodanig is deze erfelijk en als ziekte die al 2000 jaar wordt overgebracht, ongeneeslijk’.

Joden werden beschouwd als een volk zonder eenheid en zonder land. Ideale zondebokken.

Pinsker was dan ook van mening dat Joden een eigen nationale identiteit moesten zoeken in Palestina of elders. Hij constateerde ook dat veel Joden, vooral westerse Joden, die behoefte aan een eigen nationale identiteit niet voelden. Daarom moest, aldus Pinsker, dat verlangen worden gewekt als ze niet wilden blijven vegeteren in een armzalig bestaan. En dan schrijft hij (en dat zal ongetwijfeld vreemd klinken in onze tijd):  ‘In tegenstelling tot de vrije volken moeten de Joden, net als de negers en de vrouwen, nog worden geëmancipeerd’. Dat is niet onmogelijk want: ‘De Joden behoren, in tegenstelling tot de negers, tot een superieur ras’. Helaas hebben ze, naar de opvatting van Pinsker, in de diaspora de idee verloren dat er zoiets bestaat als menselijke waardigheid en daardoor een minderwaardigheidscomplex ontwikkeld: ‘Nederigheid is ons wapen en de vlucht onze verdediging. Gelukkig hebben de Russische pogroms (gewelddadige Jodenvervolgingen die ongestraft bleven) het verlangen naar een eigen land wakker gemaakt. Voor de Russische regering zal het Joodse volk altijd een ‘buitenlands’ volk blijven. Maar we moeten af van de illusie dat we een of andere goddelijke missie hebben en een uitverkoren volk zijn’.

Voor Pinsker stond het vast dat, gezien de omstandigheden, de Joden een eigen grondgebied moesten hebben, een veilig toevluchtsoord. Des te beter als dat Palestina zou zijn, maar dat hoefde niet perse. Het kon ook een gebied zijn in Noord-Amerika of een autonoom grondgebied binnen Turkije waarvan de neutraliteit door het Ottomaanse Rijk en de andere grootmachten zou worden gegarandeerd. Maar de kolonisatie zou langzaam moeten plaatsvinden: ‘met bedachtzaamheid, omzichtigheid en volharding’.

Vijf jaar na de dood van Pinsker publiceert Theodor Herzl zijn bekende boek Der Judenstaat (1896)  waarin hij een blauwdruk schetst voor een toekomstige Joodse Staat. In 1897 organiseert hij het eerste Zionistische Congres in Basel. Aanvankelijk wilde hij het congres in München houden, maar de autoriteiten hielden dat plan tegen.

Ahad Ha’am

Ahad Ha’am (1856-1927)

Ahad Ha’am (ps.van Asher Zvi Hirsch Ginsberg) werd geboren in de Oekraïne, omgeving Kiev. Hij was journalist en schreef het boek (oorspronkelijk in het Hebreeuws en in 1912 vertaald door Leon Simon) The Jewish State and the Jewish Problem (1897) .

Hij was de oprichter van Ha-Shiloah, dat een belangrijk, Hebreeuws literair tijdschrift zou worden.

Ha’am was tegen het politiek georiënteerde Zionisme en vond de plannen van Herzl niet werkbaar. Hij betoonde zich alleen een voorstander van Palestina als spiritueel centrum voor de Joden in de diaspora. Hij was ervan overtuigd dat, zelfs als de Joodse Staat een feit zou worden, het merendeel van de Joden in het buitenland zou blijven wonen. Bovendien zou die Joodse Staat geen veilige plek zijn ‘zolang er geen algemeen geldende rechtvaardigheid tussen de mensen en de naties zou heersen’.

De geschiedenis zou hem, helaas, tot op de dag van vandaag, volledig gelijk geven.

Theodor Herzl (1860-1904)

Herzl werd geboren in Budapest. Hij was jurist, een geweldig organisator en een onvermoeibare diplomaat. Hij is de stichter van de Zionistische Wereldorganisatie.

Theodor Herzl en zijn gezin

Om zijn plannen voor een toekomstige Joodse Staat te verwerkelijken organiseerde hij van 1897 tot 1903 zes congressen om te voorzien in een bestuurlijke en financiële infrastructuur voor dit doel.

Herzl stelt vast dat er een ‘Joods vraagstuk’ is en probeert daar een oplossing voor te vinden in Der Judenstaat (1896). Antisemitisme – openlijk of stiekem – is van alle tijden en daar moet een politieke oplossing voor worden gevonden. Wie voor zo’n oplossing een beroep wil doen op de ‘goedheid van de mens’ is volgens Herzl een utopische dromer en een sentimentele kletskous.

Joden worden overal aangevallen en gediscrimineerd, ze hebben geen toegang tot functies in het leger of openbaar bestuur. Ze zijn niet veilig in Rusland waar joodse dorpen worden geplunderd, ook niet in Roemenië, Duitsland en Oostenrijk. In Algerije gaan fanatieke predikers tegen hen tekeer. Het antisemitisme en de wederzijdse vijandigheid nemen zelfs toe. Hoe goed de Joden ook zijn geïntegreerd, ze blijven altijd vreemdelingen. En de meerderheid bepaalt wie er vreemdeling is. Een kwestie van brute macht.

Onder bescherming van de Europese grootmachten en in overleg met de autoriteiten, zou er een hoeveelheid grondgebied, bijvoorbeeld in Palestina, Argentinië of zelfs Oost-Afrika, kunnen worden verkregen: ‘geef ons de souvereiniteit over een stukje van het aardse oppervlak dat overeenkomt met de legitieme behoeften als volk en wij belasten ons met de rest’. In dit kader stelde Herzl zelfs aan de Sultan van het Ottomaanse Rijk een deal voor waarbij deze Palestina zou afstaan in ruil voor financiële steun.

Theodor Herzl

Als Staatsvorm voor een Joodse Staat gaf Herzl de voorkeur aan een aristocratische Republiek met een beroepsleger. Referenda waren niet gewenst. Volksraadplegingen waren nog erger dan parlementen met beroepspolitici. In een toekomstige Staat zou iedereen zijn eigen taal – geen ghetto talen! – kunnen spreken en als algemene communicatietaal zou de meest geschikte worden gekozen. Maar geen Hebreeuws. 

In dit laatste heeft Herzl zich, begrijpelijk genoeg, vergist.

Belangrijk was dat Herzl de invloed van de godsdienst wilde uitbannen. Alleen al wanneer je heden ten dage kijkt naar wat voor moeilijkheden orthodoxe Joden en fundamentalistische islamieten kunnen veroorzaken, zou je Herzl  in dat opzicht gelijk moeten geven.

De waarschuwing van Yithzak Epstein (1905)

Yitzhak Epstein werd geboren in Rusland. Hij was leraar van beroep. Hij zou zich later vestigen in Israël.

In 1905 hield hij een rede voor het 7e Zionistische Congres in Basel. Daarin waarschuwde hij de Zionisten voor het conflict dat zou kunnen ontstaan als ze niet voldoende rekening zouden houden met de in Palestina wonende ± 600.000 Arabieren.

Hij wijst er in zijn rede op dat de Zionisten niet nadachten over hun betrekkingen met de Arabieren die ‘al eeuwen in Palestina woonden en die er niet aan dachten om te vertrekken’. Epstein vermoedde dat het kwam omdat de Zionisten niet genoeg van het land en de bewoners wisten. Maar dat gebeurde niet met opzet: ‘Zionist leaders have continuously studied the arrangements and the laws of the land, but the question of people who are settled there, its workers and its true owners, has not arisen, not in practice and not in theory…’.

Epstein pleit voor een goede kennis van het Arabische volk en hun kenmerken, verlangens, gewoonten en taal.

Vooroordelen

Volgens Epstein leefden er onder de Zionisten allerlei vooroordelen over Palestina. Beweringen dat het land niet goed bewerkt was en dat de lokale bewoners lui waren, sloegen volgens hem nergens op.

Palestijnse boeren gaan naar de markt

Hij waarschuwde dat het aankopen van land in Palestina grote gevolgen zou kunnen hebben. Als de Palestijnse boeren zouden beseffen wat dit voor hun leven zou kunnen betekenen, zouden zij niet stil blijven zitten. De Zionisten zouden er goed aan doen om na het verwerven van grond de Arabische boeren op het land te laten blijven en hen te leren hoe ze nieuwe landbouwmethodes zouden kunnen toepassen.

Maar de waarschuwingen van Epstein werden in de wind geslagen en de Palestijnse pachtboeren zouden systematisch van hun land worden verjaagd.

Zijn voorspellingen zouden maar al te juist blijken. De systematische aankoop van Palestijns grondgebied zou de kiem leggen voor de ‘Palestijnse kwestie’.

Arthur Balfour

Drie jaar na de Balfour Verklaring (1917) schreef Ahad Ha’am, als late steun voor Epstein, het volgende over de Palestijnen: ‘for them, too, the country is a national home, and they have a right to develop national forces to the extent of their ability. This situation makes Palestine the common land of several peoples, each of whom wishes to build its national home there. In such circumstances it is no longer possible that the national home of one of them could be total…’ (Introductie bij de nieuwe uitgave van ‘At the Crossroads’).

Max Nordau (1849-1923)

De in Budapest geboren Max Nordau (ps. van Simon Maximilian Südfeld), was de zoon van een rabbijn. Hij was arts en werd de trouwe secondant van Theodor Herzl. Nordau formuleerde in zijn bekende speech over de situatie van de Joden in de wereld de basis voor de discussies tijdens het eerste Zionistische Congres in Basel (1897).

Max Nordau

Die situatie was ellendig, vooral in Oost-Europa, Noord-Afrika en het Westen van Azië. In Rusland mochten miljoenen Joden slechts in een bepaald deel van het land wonen (de westelijke provincies) en het was hun niet toegestaan om bepaalde beroepen uit te oefenen. Uitzonderingen werden gemaakt voor rijke Joden en academici.

Anti-joodse sentimenten smeulden en brandden in Oostenrijk, Hongarije, Polen, Roemenië en Bulgarije. De emancipatie van de Joden in West-Europa was meer een kwestie van verstand (de verlichte logica van de 18e eeuw en de ideeën van de  Franse Revolutie) dan van het gevoel.

Nordau: ‘de voorwaarde voor het Zionisme is het bestaan van een joods gevoel, van trots op het joodse verleden, van de wens om de historische evolutie van dit zo eerbiedwaardige en zo oude ras (sic!) voort te zetten’.

Hoewel de discriminatie in West-Europa niet verdween (‘de realiteit blijft dat men de Joden niet mag, net zo min als de negers en de gele koelies’) voelden de ‘aangepaste’ Joden in West-Europa niet veel voor het Zionistische gedachtegoed en was de hoop van de Zionisten meer gevestigd op de Joden in Oost-Europa die, vanwege de ellendige omstandigheden waarin ze verkeerden, eerder geneigd zouden zijn om naar Palestina te emigreren. Aan het eind van de 19e eeuw waren de Joden, volgens Nordau, merendeels een ‘stam van verachte bedelaars’.

Nordau was een groot voorstander van massa-emigratie naar Palestina. Hij wilde streven naar een half miljoen emigranten en calculeerde in dat er daarvan maar een deel, ± 300.000, in Palestina zou blijven. Chaim Weizmann vond dit wel een groots idee, maar keurde het toch af omdat hij het risico te groot vond. Vandaar dat Nordau zich omstreeks 1920 distantieerde van de leidende zionistische instellingen.

Nordau was begeesterd door de resultaten die werden behaald in de joodse kolonies in Palestina en schetst de reiziger een lyrisch beeld hiervan: ‘als hij bomen ziet, een schaduwrijke laan, bloemperken, zachtjes murmelende bronnen temidden van droge en verlaten vlaktes, dan zijn die joods […]; een modern lyceum temidden van het onbeschaafde barbarendom, dan is dat joods’.

De tendentieuze toon is hiermee gezet.

Max Nordau huldigde de oude koloniale opvatting dat West-Europa de beschaving kwam brengen. Zo was hij ook van mening dat de Hollanders in Zuid-Afrika de beschaving brachten en wilde hij in het Midden-Oosten tot stand brengen wat de Engelsen in India hadden gedaan: ‘beschavingswerk, geen veroveringswerk’…

Hij voegt hieraan toe: ‘als de Joden willen terugkeren naar Palestina is dit niet om zich te storten in het Aziatische barbarendom maar om zich te bevrijden uit het ghetto’.

Nordau, die psychiater was, heeft echter ook positieve gedachten over datzelfde ghetto, hoewel je, gezien de laatste zin, dit niet zou denken. Hij is van mening dat het ghetto voor de Joden niet zozeer een gevangenis was als wel een toevluchtsoord. Met Christenen onderhielden ze alleen zakelijke contacten, maar als ze erkenning zochten was dat in het ghetto, onder hun eigen mensen.

Chaim Weizmann (1874-1952)

De in Wit-Rusland geboren Chaim Weizmann was een onafhankelijk en groot denker die vóor diplomatie en tegen geweld was.

Harry Truman en Chaim Weizmann

 In 1903 zei hij in Bern dat de rede van Herzl op het 6e Zionistische Congres duidelijk had gemaakt dat de grootmachten het Zionisme nu eindelijk beschouwden als een echte organisatie, maar dat de Zionisten onmogelijk hun doel – het stichten van een eigen Staat – in Palestina konden verwezenlijken. Het voorstel om een eigen territorium in Oost-Afrika (Kenya) te creëren moest daarom in overweging genomen worden.

Maar de deelnemers aan het Congres stemden dit voorstel weg en de Hoge Commissaris voor Afrikaanse Zaken Sir Percy Girouard, zei in Londen tegen Weizmann: ‘als ik Jood was zou ik geen cent en geen mens voor zoiets geven. Want jullie kunnen Palestina niet inwisselen voor een ander land’.

Weizmann was het met dit laatste eens. Voorwaarde was wel dat er eerst een bepaalde  getalsmatige, Joodse aanwezigheid moest  zijn in Palestina en dat er pas daarna kon worden gestreefd naar politieke rechten: ‘We kunnen geen Joodse Staat creëren in een land waar geen Joden zijn’.

Weizmann en de Arabieren

In 1907 zei Weizmann in Den Haag dat het de regeringen duidelijk gemaakt moest worden dat de Joden Palestina als hun vaderland beschouwden.

Weizmann enkele jaren later (Parijs, 1913): ‘de Arabieren vormen een moeilijkheid. Zij zijn in feite de inwoners van het land. Ze zijn bang dat de joodse kolonisatie hen verjaagt en we hebben de plicht die vrees weg te nemen en hun te laten zien dat het land plaats heeft voor ons en voor hen. We moeten hun uitleggen dat we met hen willen samenwerken en dat de vestiging van een grote joodse gemeenschap gunstig voor hen zal zijn.’

Een jaar later zei Weizmann dat hij zich ervan bewust was dat de Zionisten als idioten beschouwd werden en dat ze, als ze ‘normaal’ waren, helemaal niet naar Palestina zouden gaan. Maar wie geen moeilijke weg wilde bewandelen, zei Weizmann, kon maar beter thuisblijven want ‘met angst en bedeesdheid kan je het eeuwige gebouw van het vaderland niet oprichten’.

Weizmann over de Balfour Verklaring

Na de Balfour Verklaring (1917) drukte Sir Mark Sykes Weizmann op het hart ‘niet te verzuimen om rekening te houden met de Arabische kwestie en niet te vergeten dat Jeruzalem heilig is voor drie religies’.

Sir Mark Sykes

Dat Weizmann dit advies serieus nam blijkt uit de woorden die hij schreef in Manchester (1917): ‘een van onze wezenlijke plichten zal zijn om tot een gewenste verstandhouding te komen met onze buren, de Arabieren en de Armeniërs. Palestina heeft genoeg land, lucht en water voor ons allemaal’. Een jaar later, in Jeruzalem: ‘elke stille of uitgesproken angst van de Arabieren dat ze verjaagd zullen worden van de grond waarop ze heden zijn gevestigd berust op een vergissing of lasterpraat die wordt verspreid door onze vijanden’.

Weizmann hoopt op een sterke politieke eenheid onder de Arabieren. Hij vermeldt de schitterende joods-arabische beschaving uit de ‘Spaanse’ tijd toen ‘onze beste literators net zo makkelijk in het Arabisch dachten en schreven als in het Hebreeuws’. En wat de directe toekomst betrof: ‘wij, Zionisten, willen dat de hoogste politieke leiding van het land (Palestina) wordt toevertrouwd aan een van de meest democratische landen van Europa, dat zal worden aangewezen door de Volkenbond’.

Bij de eerste steenlegging van de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem (1918) sprak Weizmann zich uit voor het gebruik van het Hebreeuws, ‘de enige taal waarin de ene Jood zich met de andere kan verstaan’. Ook sprak hij de hoop uit dat er bijzondere aandacht zou zijn voor de studie van het Arabisch en andere semitische talen.

Weizmann schrijft dat ze de Balfour Verklaring (zie hieronder) onverwacht in de schoot geworpen hadden gekregen. Hij hing weliswaar in de lucht en de basis daarvoor was jaren daarvoor gelegd, maar toch, dit betekende dat de Engelse regering de Zionisten eindelijk serieus nam.

Weizmann merkte in Parijs (1918) dat het Britse militaire bestuur in Palestina (aartsconservatief) en Downing Street (progressief) ‘minstens vijf eeuwen uit elkaar lagen’. Allenby, de ‘Bevrijder’ van Palestina, moest worden overtuigd en dat lukte. Weizmann: ‘we hebben de hele wereld overtuigd, maar de Joden nog niet’.

In 1930 hield Weizmann een speech op het Duits Zionistische Congres in Jena waarin hij sprak over de verhouding tussen Joden en Arabieren : ‘de twee volken zijn elementen met gelijke rechten om het land op te bouwen. We moeten samenwerken en als we op een dag de meerderheid vormen, zullen we hen niet onderdrukken door de macht van de meerderheid, evenmin als wij nu niet wensen dat zij óns onderdrukken’.

De tempelmuur

Martin Buber (1878-1965)

Martin Buber werd geboren in Wenen en onderwees filosofie en sociologie aan de universiteiten van Frankfurt en Jeruzalem. Hij was drie jaar hoofdredacteur van Die Welt een tijdschrift dat door Herzl was opgericht. Vanaf 1916 had hij een eigen tijdschrift: Der Jude.

Buber raadde de zionistische leiders aan zich aan de Engelse voogdij te onttrekken en een verbond te sluiten met de Arabische bevolking. Hij keurde het principe van de verdeling van Palestina goed (Verenigde Naties, 1947) om de overlevenden van de Holocaust de kans te geven om te emigreren. Maar hij was ook een groot voorstander van een duurzame en vriendschappelijke verstandhouding met de Arabieren op alle gebieden van het openbare leven. Hij betreurde het dat men in Europa niets deed om de Arabieren duidelijk te maken dat ze er door de joodse emigratie economisch en cultureel op vooruit zouden gaan.

Vladimir Zeev Jabotinski (1860-1940)

De in Odessa geboren Jabotinski bewoog zich op veel verschillende, meestal activistische vlakken. Hij was Zionist, dichter, vertaler, journalist, redenaar en soldaat. Na de pogrom in Kishinev (1903) richtte hij zionistische zelfverdedigingsgroepen op. Ook wierf hij joodse vrijwilligers om Palestina te bevrijden van de Ottomaanse Turken. In 1923 werd hij de oprichter van Betar, een zionististische, strijdbare joodse jeugdvereniging die later voor een deel opging in de militaire organisatie Haganah en de illegale Irgoen, waarvan de 6e premier van Israel, Menachim Begin, een tijdlang commandant was.

Zeev Jabotinski

Jabotinski had uitgesproken opvattingen over de rechten van Arabieren en Joden. Hij vond het ondenkbaar dat de Arabieren konden worden uitgezet. Palestina, zei hij, is altijd een land geweest dat bewoond is door twee volken. Hij was vóór gelijkheid van rechten. Jabotinski was echter ook een realist die besefte dat het nutteloos was om een akkoord te verwachten tussen de Joden en de Arabieren en dat de Arabieren nooit een Staat zouden accepteren waarin de Joden een meerderheid vormden.

Jabotinski (1923): ‘elk volk heeft zich tegen indringers verzet. Elke autochtone natie heeft zijn land als een ‘Nationaal Thuis’ beschouwd. Dat willen de Arabieren ook. Ze zullen willen verhinderen dat men van Arabisch Palestina ‘Eretz Israël’ maakt. De Arabieren willen geen Joodse immigratie.’

Jabotinski trok de conclusie dat de Joden af moesten zien van immigratie OF zich onder bescherming moesten plaatsen van een macht die niet afhankelijk was van de lokale bevolking, beschut door een ‘IJzeren Muur’ die door die bevolking niet doorbroken zou kunnen worden.

We zien dat bijna honderd jaar later Jabotinski op zijn wenken wordt bediend. Die muur, hoewel niet van ijzer, is voor een groot gedeelte klaar en scheidt op de Westoever Arabieren en Israëliërs van elkaar. Het Internationaal Strafhof in den Haag heeft deze Muur illegaal verklaard.

Aan de andere kant, schreef Jabotinski in 1933, zijn de Joden zich bewust geworden van het feit dat het Zionisme een moreel verschijnsel is dat het recht aan zijn kant heeft. Als de hele beschaafde wereld het recht van de Joden om terug te keren naar Palestina heeft erkend, dan heeft de huidige bevolking geen recht om dit uit naam van de ‘democratie’ of ‘zelfbeschikking’ te verhinderen. En, denkend aan de grootte van de hele Arabische wereld: ‘wie teveel grondgebied heeft staat een gedeelte af aan degenen die te weinig hebben. […] de onteigening van het gebied van een volk dat grote gebieden bezit om een Thuis te bieden aan een zwervend volk, is een daad van eenvoudige rechtvaardigheid’.

De aanloop naar de Balfour Verklaring

Het begin van de 20e eeuw was een tijd die werd gemarkeerd door de voortschrijdende imperialistische, genocidale politiek van de Europese grootmachten die in de 19e eeuw was ingezet. Algerije was bezet door de Fransen (1830), Tunesië en Libië door Italië en Egypte door Engeland. Namibië werd in 1884 een Duits ‘protectoraat’.

Het Suezkanaal en de weg naar India waren een bron van zorg voor de Engelsen die er alles voor over zouden hebben om hun imperium veilig te stellen. Palestina zou hierin een belangrijke rol spelen als mogelijke haven en olieterminal en werd gezien als een vitale verbinding en buffer om de Engelse positie veilig te stellen. Dat was een belangrijke reden voor de Engelsen om de Zionistische beweging te steunen. Ze hadden liever de Joden als bondgenoot in Palestina dan de Arabieren. Maar, karakteristiek voor de Engelse diplomatie, wilden de Engelsen beide kanten te vriend houden en muntte hun diplomatie uit in vaagheden en schimmige toezeggingen. De Balfour Verklaring, waarover straks meer, werd dan ook een document waarin de Britse imperialistische macht op een geraffineerde manier zijn eigen doelen nastreefde.

Het perfide Albion

Shariff Hussein

Midden in de Eerste Wereldoorlog, waarin de Turken bondgenoten waren van Duitsland, werd er een correspondentie gevoerd tussen MacMahon, de Britse Hoge Commissaris in Kairo, en Shariff Hussein van Mekka. Hussein wilde de Britten wel helpen tegen de Ottomaanse Turken in ruil voor een na-oorlogse Arabische Staat die een bondgenoot zou zijn voor Engeland. MacMahon vermeed het om vaste toezeggingen te doen maar liet doorschemeren dat de Britten welwillend stonden tegenover die eis. De bedoeling van MacMahon was alleen maar om op een listige manier tijd te winnen en vervolgens na de oorlog een betere onderhandelingspositie te hebben.

In het Damascus Protocol van 1915 dat ook door Shariff Hussein werd ondertekend hadden de Arabieren, in ruil voor hun steun aan de Britten, hun territoriale grenzen duidelijk omschreven. In grote lijnen liep de door de Engelsen voorgespiegelde Arabische Staat in het Noorden tot de Perzische grens, in het Oosten tot de Perzische Golf, in het Zuiden tot de Indische Oceaan en in het Westen tot de Rode Zee.

In 1917 had er overleg plaatsgevonden tussen Britse en joodse vertegenwoordigers, onder wie Chaim Weizmann, die vanaf het overlijden van Herzl in Engeland was blijven lobbyen voor een ‘National Home’ voor de Joden in Palestina. De uitkomst van het overleg was dat men de voorkeur gaf aan een Brits Protectoraat in Palestina en daarna pas aan een Joodse Staat. Frankrijk accepteerde het voorstel, hoewel niet van harte. Duitsland had verder geen belang bij het plan.

Tegenstanders van een Joods ‘National Home’

Er waren ook tegenstanders van een National Home zoals de voorzitter van de Anglo-Jewish Association, Claude Montefiore, die had begrepen dat de Joden liever autonomie binnen Rusland kregen en niet buiten Rusland. Ook de Voorzitter van de Jewish Board of Guardians dacht er zo over en de Staatssecretaris voor Indiase Zaken, Edwin Montagu, was zelfs fel tegen het streven van de Zionisten. De wetenschapper, onderwijskundige en hulprabbijn Sir Philip Magnus was het er niet mee eens ‘that the Jews regard themselves as a nation’.

Lord Curzon, leider van de House of Lords en voormalig onderkoning van India, vond dat je met de term ‘National Home’ alle kanten uit kon, want wat zou de status zijn van de niet-Joodse burgers? Naar aanleiding van de Balfour -verklaring merkte Lord Curzon op: ‘I do not myself recognise that the connection of the Jews with Palestine, which terminated 1200 years ago, give them any claim whatsoever’.

De Balfour-verklaring (Balfour Declaration)

Nog voor het einde van de oorlog kwam er een document dat de geschiedenis is ingegaan als de ‘Balfour Verklaring’.

Er zijn verschillende versies van de Verklaring gemaakt waaronder een tekst van Weizmann waarin stond dat Palestina zou worden ‘hersteld’ in zijn oorspronkelijke vorm. Zijn tekst suggereerde een historische continuïteit die er in feite niet was. Zijn voorstel zou om die reden de eindstreep niet halen.

De Britten, die heel goed beseften wat ze de Arabieren min of meer hadden beloofd en tegelijkertijd rekening wilden houden met de koloniale verlangens van Frankrijk, wilden een zo vaag mogelijke tekst die voldoende ruimte zou laten voor interpretatie.

David Ben Gourion

De mening van Ben Gourion, die in de VS verbleef, was duidelijk: ‘we willen een sociaal rechtvaardige Staat maar we willen ook een Staat met een joodse meerderheid, waar de meerderheid van het joodse volk zou wonen, zo niet alle Joden. Jullie formulering verduistert de zaken. Noch de Joden noch de Arabieren zullen hem begrijpen’.

In dit laatste had Ben Gourion groot gelijk.

De Balfour-verklaring was verwoord in een brief van Lord Arthur James Balfour, de Britse minister van Buitenlandse Zaken, aan Lord Walter Rothschild, waarin de Britse regering steun gaf aan de vestiging van een ‘Jewish National Home’.

Hieronder volgt de tekst van de Verklaring van 2 november 1917.

Gekopieerde tekst (cursief van ondergetekende):

Foreign Office
November 2nd, 1917

Dear Lord Rothschild,

I have much pleasure in conveying to you, on behalf of His Majesty’s Government, the following declaration of sympathy with Jewish Zionist aspirations which has been submitted to, and approved by, the Cabinet.

Lord Walter Rothschild

His Majesty’s Government view with favour the establishment in Palestine of a national home for the Jewish people, and will use their best endeavours to facilitate the achievement of this object, it being clearly understood that nothing shall be done which may prejudice the civil and religious rights of existing non-Jewish communities in Palestine or the rights and political status enjoyed by Jews in any other country.

I should be grateful if you would bring this declaration to the knowledge of the Zionist Federation.

Yours,

Arthur James Balfour

Geen zelfbeschikking voor de Palestijnen

Voordat de Verklaring de deur uitging was deze gewikt en gewogen, niet alleen door de Britse regering, maar ook door de Zionisten.

De Britse regering maakte met die geraffineerde tekst kenbaar dat ze de vestiging van een ‘national home’  in Palestina voor de Joden ‘gunstig gezind’ (?) was. Ze legden zich dus niet vast op een belofte.

Er stond wel duidelijk in dat de ‘burgerrechten’ van bestaande niet-joodse gemeenschappen in Palestina niet geschaad mochten worden (dit om de twijfels van Lord Curzon weg te nemen), maar wel dat de rechten en politieke status die Joden in andere landen hadden, gerespecteerd moesten worden (dit om antisemitische reacties te voorkomen).

Uit de Verklaring werd niet duidelijk hoe het stond met de politieke rechten van de niet-Joodse gemeenschappen (lees: overwegend Arabieren, want die vormden 90% van de bevolking). Die politieke rechten werden niet benoemd.

De Balfour Verklaring

En wat werd er bedoeld met ‘burgerrechten’? Dat wist niemand, ook de Britse Hoge Commissaris niet toen hem dit werd gevraagd door J.M.N. Jeffries (Palestine: The Reality;  Longmans, Green & Co., 1939). En wat hielden die ‘best endeavours’ (= zo groot mogelijke inspanningen) in? Hoe zou men dat ‘national home’  bevorderen (facilitate)?

De Zionisten zouden later de term ‘National Home’ voor eigen gebruik eerst vervangen door ‘Jewish Commonwealth’ en tenslotte door ‘Jewish State’.

Uit de Verklaring kan worden opgemaakt dat de Britten (en de Zionisten) eigenlijk vonden dat Palestina niet toebehoorde aan zijn huidige inwoners. Er woonde toen 90% niet-Joden in Palestina. Een volk dat bijna in zijn geheel in de diaspora woonde zou dus meer recht hebben op Palestina dan de bevolking die er al eeuwen geworteld was! Volgens de Franse juriste Monique Chemillier-Gendreau, specialist op dit gebied, was de Verklaring volledig onwettig, omdat de souvereiniteit over een land altijd toebehoort aan het volk.

De Balfour-verklaring gaf de Palestijnen geen recht op zelfbeschikking.

De Franse regering reageerde, desgevraagd, vrij neutraal op de Verklaring. Ze waren het eens met de Britse regering over de kwestie van een joodse vestiging in Palestina (‘un établissement juif en Palestine’). De Italiaanse regering gaf er blijk van dat ze de strekking van de Balfour-verklaring doorzag. De Italianen beloofden medewerking op voorwaarde dat ‘er geen schade zou worden berokkend aan de wettelijke en politieke status van bestaande religieuze gemeenschappen en aan de burgerlijke en politieke rechten die de Israëlieten in welk ander land dan ook genoten’.

‘Oude tradities’

Lord Arthur Balfour zelf was door zijn protestantse opvoeding gepokt en gemazeld in de Bijbel en dat maakt aannemelijk dat hij de neiging had om de Joden een voorkeursplaats te geven. Immers, in 1919 schrijft hij aan Lord Curzon dat ‘het Zionisme, of het gelijk heeft of niet, of het goed of slecht is, wortelt in oude tradities, in actuele noden, in toekomstige hoop die van een diepgaander belang zijn dan de wensen en vooroordelen van de 700.000 Arabieren die nu deze oude grond bevolken (Doreen Ingrams, Palestine Papers, 1917-1922, p. 73; Memorandum, 11 augustus 1919).

Binnen twee eeuwen was de overgang van een vage droom naar een koloniaal project een feit geworden. Weizmann schreef: ‘wij Joden hebben de Balfour Verklaring onverwacht gekregen; anders gezegd: wij zijn de voornaamste winnaars van de oorlog. We droomden niet eens van een Balfour Verklaring. Om helemaal eerlijk te zijn, hij viel ons onverwacht in de schoot’.

King Crane Commission wijst de Balfour Verklaring af

De Amerikaanse President Wilson, overigens een echte kolonialist met racistische ideeën over Afro-Amerikanen, wilde de mening over de Balfour Verklaring horen van een speciale commissie. Dat werd de King Crane Commission. Deze Commissie maakte verschil tussen een ‘Jewish Homeland’ en een ‘Jewish State’. Een Jewish State ‘zou de ernstigste inbreuk betekenen op de burgerlijke en godsdienstige rechten van bestaande niet-joodse gemeenschappen in Palestina’ (‘the gravest trespass upon the civil and religious rights of existing non-Jewish communities in Palestine’).

Koning Faisal van Irak

Het voorstel van de Commissie hield een duidelijke verandering in van de extreem zionistische stellingname. Haar voorstel was een duidelijke afwijzing van de Balfour Verklaring. De Commissie zelf wilde één groot Syrië plus Libanon en Palestina met Faisal als koning en onder mandaat van de VS.

Engeland zou tweede keus zijn.

Het voorstel werd opzij geschoven. Frankrijk en Engeland hadden daar geen zin in, evenmin als in de voorstellen van het Syrisch Nationaal Congres.

In oktober 1918 vestigt Faisal een Arabische regering in Damascus met zichzelf als koning aan het hoofd. In maart 1920 wijst het Syrisch Nationaal Congres de mandaatvoorstellen af en verklaart de onafhankelijkheid van Syrië en Palestina. Maar op 24 juli van datzelfde jaar bezetten de Fransen Damascus en zetten, met volle steun van de Britten, Faisal af. Faisal vertrok en ging naar Haifa waar hij werd begroet door… de pas aangekomen Hoge Commissaris voor het Palestijnse mandaatgebied Herbert Samuel die zeer pro-zionistisch was en in een memorandum (1915) aan het Britse kabinet gezegd had dat ‘widespread and deep-rooted in the Protestant world is a sympathy with the idea of restoring the Hebrew people to the land which was to be their inheritance, an intense interest in the fulfilment of the prophesies which have foretold it’ (CAB 37/123).

Koning Faisal op een vredesconferentie

Het Rampjaar / Am al-Nakba

Het jaar 1920 zal voor de Arabieren de geschiedenis ingaan als het Rampjaar (Am al-Nakba). In een memorandum aan de toenmalige Staatssecretaris van Koloniën Winston Churchill stelde het derde Palestijnse Congres in december 1920 dat de Balfour Verklaring een contract was ‘between England and a collection of history, imagination and ideals existing only in the brains of Zionists who are a company, a commission, but not a nation’ (= een mengsel van geschiedenisverhalen, fantasie en idealen die alleen bestonden in het hoofd van Zionisten die een Commissie vormen, maar geen natie).

Hiermee was de kiem gelegd voor een conflict dat tot nu toe voortduurt. Binnen zes maanden na het derde Congres kwamen er aanvallen op Zionistische nederzettingen in Palestina.

Een onderzoekscommissie onder voorzitterschap van de opperrechter van de Hoge Raad in Palestina Sir Thomas Haycraft, waarin vertegenwoordigers van Moslims, Joden en Christenen zaten concludeerde in 1921 o.a. dat de Britten en de Zionistische Adviesraad van de regering in Palestina in hun mandaat de Joden bevoordeelden boven de Palestijnen, dat er, proportioneel gezien, een te groot aantal Joden in de regering zaten, dat immigranten een economisch gevaar vormden en dat ze de Arabieren beledigden door hun arrogantie en minachtende houding.

Volkenbond bekrachtigt het Mandaat voor Engeland

Lloyd George

Gebaseerd op de Balfour Verklaring ratificeert de Volkenbond in 1922 het Mandaat voor Engeland over Palestina en voor Frankrijk het Mandaat over Syrië en Libanon. Dat was overigens al bekokstoofd vóór de Parijse vredesconferentie van 1919, toen Lloyd George (die zelf Palestina wilde hebben) aan de Franse premier Georges Clemenceau de toezegging deed dat Frankrijk de vrije hand zou krijgen in Syrië en Libanon.

Onder Engels Mandaat zou de joodse bevolking in Palestina groeien door een hardnekkig volgehouden zionistische politiek van immigratie. Dit ondanks het feit dat het Britse kabinet in 1919 had gesteld dat de Balfour Verklaring ‘niet de bedoeling had om Palestina te laten volstromen met joodse immigranten noch om de huidige grondeigenaars te verwijderen of gunstige concessies te verlenen aan individuen of een meerderheid te laten regeren door een minderheid’ (CAB 24/145).

De Balfour Verklaring krijgt door de ratificatie internationale erkenning.

In artikel 2 van het Mandaat kwam te staan: ‘the Mandatory shall be responsible for placing the country under such political, administrative and economic conditions as will secure the establishment of the Jewish National Home’.  In artikel 11 krijgt een Jewish Agency volmacht het land te ontwikkelen.

Voor de Palestijnen kwam er niet een soortgelijke instelling als de Jewish Agency.

Chaim Weizmann stelde in persoonlijke gesprekken met de Britten (1929) voor om Transjordanië in the lijven bij het land Israël. Jabotinski steunde die gedachte. Er bestonden ook plannen bij de Zionisten om de Palestijnse bevolking te verplaatsen en er kwamen ‘Transfer’ Commissies die bestudeerden hoe die plannen verwezenlijkt konden worden. Dat leidde in de dertiger jaren bij de Britten tot voorstellen voor een deling van het land.

Ben Gourion spreekt bij de onafhankelijkheidsverklaring van Israël

Palestijnse ‘onzichtbaarheid’

De Palestijnse aanwezigheid zou voor tientallen jaren en tegen beter weten in, naar de achtergrond worden gedrongen, als het ware weggeretoucheerd. De latere premier van Israël, Golda Meir, zei in 1969: ‘het was niet zo dat er Palestijnen waren die zich als volk zouden hebben gemanifesteerd en die we weggejaagd zouden hebben na hun land te hebben ingepikt. Ze bestonden niet’ (Walid Khalidi, From Haven to Conquest, XXII).

Ben Gourion, de eerste premier van Israël, zou ongeveer hetzelfde zeggen: ‘[…] we hadden duidelijke rechten op het land. Niet het recht om het van anderen af te nemen – er was niemand anders – maar het recht en de plicht om zijn verlaten, uitgestrekte gebieden te bevolken, om zijn onvruchtbare vlaktes te doen herleven, om een moderne vorm van ons oude vaderland te herscheppen’ (Ben Gourion parle, Paris, Stock 1971, p.34).

Merkwaardige standpunten in het licht van de waarschuwingen van Yithzak Epstein in 1905.

Twintigste  eeuw

Palestijns verzet en ballingschap

Na WO II valt het Ottomaanse Rijk uiteen. De Britten krijgen het Mandaat over Palestina. Twintig jaar lang verzetten de Palestijnen zich tegen de Britse voogdij en tegen de joodse immigratie die na 1933 massaal toeneemt vanwege het opkomende nazisme in Duitsland. Ze verzetten zich tegen de verkoop van hun land aan de joodse immigranten. De Engelsen proberen tevergeefs de landverkoop terug te dringen via de Land Transfer Regulations.

Na de Stichting van de Staat Israël in 1948 ervaren de Palestijnen een verlies van identiteit. Ze voelen zich een minderheid in eigen land te midden van een vreemd volk. De voorloper van het Israëlische leger, de Haganah, kondigt aan dat ze dorpen zouden aanvallen die waren toegewezen aan de Palestijnen. Er worden 480 Arabische dorpen opgeblazen, in brand gestoken en vele inwoners gedood. Honderdduizenden Palestijnen worden verdreven van huis en haard. De Palestijnen noemen deze tragische gebeurtenis ‘Al-Nakba’ (= de katastrofe).

De Engelsen verlaten Haifa in 1948

Arabisch nationalisme. FATAH en PLO

In de jaren ’50 ontwikkelt zich het Arabische Nationalisme onder leiding van Gamal Abd-el-Nasser die in 1956 het Suezkanaal nationaliseert met als resultaat dat Engeland via een tactische zet van het Israëlische leger Egypte binnenvalt en het Suezkanaal voor zijn imperialistische doelen ‘veilig’ stelt.

In 1959 richten Arabische studenten die als ballingen in Kairo, Koweit en Beirouth wonen de FATAH op rond de (nu historische) persoon van Yasser Arafat. De FATAH is op dat moment voorstander van gewapend verzet. In 1964 wordt de PLO in het leven geroepen op een Arabische top in Kairo. Yasser Arafat zou de PLO op een krachtige manier gaan leiden. De strijd tegen Israël zal zich buiten Israël gaan verplaatsen.

In 1968 verwerpt het Palestijnse Parlement in ballingschap het verdelingsplan van 1947 dat erin had voorzien dat de Joden die 1/3 van de bevolking uitmaakten 56% van het grondgebied zouden krijgen.

Voor de PLO moest Palestina een ondeelbare territoriale eenheid blijven. Met dit doel voor ogen probeert FATAH een guerrilla te ontketenen in de bezette gebieden maar krijgt geen steun van de lokale bevolking op de Westelijke Jordaanoever.

In de komende periode zullen de Palestijnen 50% van hun grondgebied kwijtraken door confiscatie van land om ‘veiligheidsredenen’. In 1964 schrijft de Arabische beweging Al-Ard (= de Aarde) een brief aan de secretaris-generaal van de VN waarin o.a. volledige gelijkheid van alle burgers in Israël en de aanvaarding door Israël van de resoluties van 1947 over de verdeling van Palestina wordt geëist.

Oorlog. Erkenning van Israël door de Palestijnen

In 1967 ondernemen Egypte, Jordanië en Syrië een gezamenlijke aanval op Israël. Israël wint de oorlog door een goede voorbereiding en informatiepositie. De pan-arabische droom van Nasser stort ineen en het Palestijnse volk wordt op zichzelf aangewezen.

Het Israëlisch-Arabische conflict wordt nu het Israëlisch-Palestijnse conflict. De toekomst ziet er somber uit. In Jordanië zijn de Palestijnen niet meer welkom en ze worden in 1970/71 uit Amman verjaagd. Een paar duizend boeren worden door de troepen van Hussein gedood.

300.000 mensen raken op drift. De Palestijnen nemen hun toevlucht tot het bedrijven van terrorisme: gijzelingen, aanslagen, sabotage, zelfmoordcommando’s.

In Libanon ontstonden kampen die werden gecontroleerd door Libanese veiligheidstroepen. Libanon beschouwde de Palestijnen als gevaarlijke, opstandige vreemdelingen. Libanese burgers hadden geen toegang tot de kampen. Dank zij steun van de Arabische wereld kon Arafat zich ontdoen van de Libanese Veiligheidsdienst. De Palestijnen gingen nu de straat op en zorgden voor ‘opschudding’ (= intifada). Ongewapend. Het was de eerste politieke overwinning van de PLO.

Briefkaart die de verklaring van generaal Allenby aan de Palestijnen toont. Courtesy of Tower of David Museum Archives.

In 1974 erkent de Palestijnse beweging in feite de Staat Israël en geeft de wens te kennen voor het stichten van een onafhankelijke Palestijnse Staat op het gebied dat in 1967 door Israël is bezet. De Palestijnen accepteren coëxistentie met Israël, maar eisen de terugkeer van de vluchtelingen uit 1948.

In 1977 werd in een bijlage bij de Geneefse Conferentie van 1949 verklaard dat gewapend verzet mocht worden geboden om het recht tot zelfbeschikking uit te oefenen. De Palestijnse strijd in de bezette gebieden werd nu beschermd door de Internationale Wet.

Generaal Allenby

In 1982 voert Israël oorlog in Libanon. Na de oorlog moet het militaire apparaat van de PLO naar Tunesië in ballingschap. De Palestijnen worden financieel gesteund door de Golfstaten, waardoor ze zich kunnen herorganiseren.

Er leven op dat ogenblik 1.3 miljoen Palestijnen onder Israëlische bezetting. De bevolking van Gaza (ongeveer twee miljoen inwoners) bestaat voor 95% uit Palestijnse vluchtelingen. Geen wonder dat bewegingen als FATAH en HAMAS zijn ontstaan in Gaza, de belichaming van het verzet.

Pleidooi voor ongewapend verzet

De psycholoog professor Mubarak Awad, een Amerikaanse Palestijn, pleit in zijn werk voor ongewapend verzet tegen de Israëliërs. Hij vestigt zich in Israël (1983) maar wordt in 1988 het land uitgezet door Yitzhak Shamir.

Volgens Mubarak Awad kan door ongewapend verzet de oorlogsmachine van Israël worden stopgezet. Ook kan de internationale publieke opinie dan beter worden gewezen op het lot van de Palestijnen en ontkracht het de rechtvaardiging van het gebruik van oorlogsgeweld door Israël vanwege de zogenaamde ‘veiligheid’. Op die manier zou Israël moreel en politiek kunnen worden geïsoleerd. Bovendien tast ongewapend verzet het moreel van de Israëlische soldaat aan. Mubarak stelt dat ongewapend verzet een positief en actief middel is, maar een hoge graad van organisatie en discipline vereist. Middelen van ongewapend verzet zijn o.a. protestdemonstraties, obstructie, stakingen, solidariteitsacties, burgerlijke ongehoorzaamheid etc.

De eerste Intifada. Voorstel voor Twee Staten. Geboorte van HAMAS.

In 1987 vindt de eerste, echte Intifada plaats. Deze wordt,helaas, niet gevolgd door de internationale media. Deze zitten in Tel Aviv, hebben oude betrekkingen met het Israëlische establishment en zijn voor hun informatie afhankelijk van het Israëlische leger. Bovendien werken er geen Palestijnen op TV stations.

De eerste Intifada betreft een niet gewapend volksverzet waarin ook vrouwen meedoen, een verzet dat gepaard gaat met een steeds scherpere bewustwording van het nationale Palestijnse gevoel.

De PLO geeft opdracht om geen wapens te gebruiken. Daar wordt grotendeels gevolg aan gegeven en het verzet komt vooral neer op het gooien van stenen naar Israëlische tanks en soldaten. Er vallen weinig slachtoffers aan Israëlische kant. Aan Palestijnse kant zijn 700 doden te betreuren in 1989. In 1992 zijn er 1100 Palestijnse doden en tienduizenden gewonden. Het jaar 1988 ziet ook de geboorte van HAMAS, een Palestijnse organisatie die aanslagen zou gaan plegen op Israëlische militairen en burgers en in Gaza aan de macht zou komen. In hetzelfde jaar neemt het Bestuur van de PLO de naam aan van ‘Palestijnse Autoriteit’ die zich achtereenvolgens in Jericho, Gaza en Ramallah zou vestigen. De Palestijnse Nationale Raad in Algiers spreekt zich uit voor het bestaan van twee Staten op Palestijns grondgebied. Arafat zegt in Algiers (1988) dat hij een Palestijnse Staat zou aanvaarden op een deel van Palestina: de Westelijke Jordaanoever, de Gazastrook en Jeruzalem.

In Israël zelf begint de mening onder de bevolking te kantelen. Tot dan toe ontkende men dat de Palestijnen een volk en een natie vormden en stelde men Palestijnen gelijk met terroristen. In Israël ontstaan bewegingen als Shalom Archav (= Vrede Nu) en Yesh Gvul (= Er is een grens). Rondom het oude Jeruzalem wordt een keten gevormd van 30.000 Palestijnen en Israëliërs onder de slogan ‘Time for Peace’.

Vredesonderhandelingen

Er worden pogingen gedaan om de vrede te bewerkstelligen. Er komt een Conferentie in Madrid (met deelname van de PLO) en in Oslo worden geheime onderhandelingen gevoerd (1993). Er werd besloten tot een Veiligheidssamenwerking,waarbij de Palestijnse Autoriteit (PA) zou afzien van gewapend en ongewapend verzet.  Israël ging, jammer genoeg, gewoon door met het stichten van nieuwe nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever, terwijl de Palestijnse Autoriteit, zoals afgesproken in Oslo, het Palestijnse verzet de kop indrukt.

Rabin, Clinton en Arafat bij de Camp David akkoorden

De onderhandelingen in Oslo worden gevolgd door het ondertekenen van een Akkoord (Oslo I) op het Witte Huis (1993) in tegenwoordigheid van de Amerikaanse President Clinton, de premier van Israël Yitzhak Rabin en de Palestijnse leider Yasser Arafat. Het document (Declaration of Principles) werd ondertekend door de Israëlische minister van Buitenlandse Zaken Shimon Peres, de Russische minister van Buitenlandse Zaken Andrei Kozyrev, de Amerikaanse Staatssecretaris Warren Christopher en Mahmoud Abbas namens de PLO.

Naar de tweede Intifada

Ondanks de algemene wens tot vrede stevende men af op een nieuwe periode van bittere strijd. Shimon Peres en Ariël Sharon zijn ervan overtuigd dat HAMAS uit is op de vernietiging van Israël.

Op 28 september 2000 maakt de toekomstige premier van Israël, Ariël Sharon, een provocerende ‘wandeling’  op het Plein voor de Al-Aqsa Moskee in Jeruzalem, vergezeld van 1000 militairen en agenten. Dat gaf aanleiding tot het begin van de tweede Intifada en talloze vijandelijkheden van beide kanten. De tweede – ditmaal gewapende  – Intifada is gericht op het verkrijgen van onafhankelijkheid. Het nieuwe leiderschap van de Intifada sluit ook Hamas in en de Islamitische Jihadgroepen. Religie zal daardoor een rol gaan spelen.

Media

De tweede Intifada wordt door de media nauwkeurig gevolgd. Er is een Palestijnse Pers, radio en TV. Ook de dagelijkse fusillades van Palestijnen worden uitgezonden. Arabische satellietstations verzorgen non-stop uitzendingen van de gebeurtenissen. Maar het geweld van de tweede Intifada heeft de geloofwaardigheid van de Palestijnen aangetast. De zelfmoordaanslagen van Hamas hadden geen effect en er was geen steun van de massa. De negatieve balans was dat er een Israëlische herbezetting kwam en dat het de mislukking zou inluiden van de Oslo Akkoorden.

Met de moord op een man met een groot verantwoordelijkheidsgevoel, de Israëlische premier Yithzak Rabin in 1995,  kwam hieraan een definitief einde. Een schrijnende bijkomstigheid was dat de moord werd gepleegd door een orthodoxe Jood.

De raad van Herzl om de godsdienst buiten de politiek te houden bleek niet zomaar uit de lucht gegrepen.

Eenentwintigste eeuw

De Muur. Gaza door Sharon aan Hamas overgeleverd.

In 2002 begon Israël in de bezette gebieden langs de Westelijke Jordaanoever met de bouw van een Muur, die 168 km lang zou worden en zo zou worden geconstrueerd dat alleen de Israëlische kolonisten ervan zouden profiteren. Ook werd er Palestijns land in beslag genomen om de Joodse nederzettingen te kunnen uitbreiden.

Door de Muur werden sommige Palestijnse wijken afgesneden van Jeruzalem. Voor Palestijnen aan de Oostkant van de Muur zou het heel moeilijk worden zich naar de Westkant te begeven.  Er komen streng bewaakte toegangspoorten en er moet vaak uren worden gewacht om door de Israëlische controles te komen (https://youtu.be/PI24DZCQwGo). Het economische leven van de Palestijnen wordt ontwricht. Het Internationaal Strafhof heeft de bouw van de Muur onwettig verklaard in 2004. Het officiële Israël heeft zich niets van dat oordeel aangetrokken, maar er kwamen wel organisaties in Israël die zich verzetten tegen de bouw en meededen aan de (volks)demonstraties tegen de Muur (Gush Shalom, Yesh Gvul, Rabbis for Human Rights etc). Ook kwam er belangstelling van activisten uit de VS, Frankrijk, Groot-Brittannië en Italië. Men wil getuigen van de werkelijkheid van het Palestijnse leven onder de bezetting en situaties aan het licht brengen die door de Israëlische media worden verhuld.

De historicus Avi Shlaim noemt Israel een ‘Schurkenstaat’

In 2005 heft Ariël Sharon de nederzettingen in Gaza op, maar weigert het gebied aan de Palestijnse Autoriteit te geven, waardoor er chaos ontstond en Hamas in 2007 volledige controle zou krijgen over het gebied.

Israël zal drie grote militaire operaties ondernemen in Gaza.

De Tempelberg

Amira Hass, journaliste van Haaretz is in 2009 ter plekke en meldt dat er hoge flats worden gebombardeerd waar mensen op de begane grond schuilen. Fabrieken en landbouwgronden worden verwoest. Tussen 2008 en 2014 zullen er duizenden Palestijnen sterven. De Israëlische historicus Avi Shlaim noemt in The Guardian van 7 januari 2009 Israël een schurkenstaat. Redenen: het land is in bezit van massavernietigingswapens, het past geweld toe op burgers voor politieke doeleinden en heeft geen respect voor het internationale recht dat de bouw van de Muur en de vestiging van joodse kolonies in de bezette gebieden afkeurt.  Oost-Jeruzalem was al vijftig jaar geleden geannexeerd.

In 2011 stuurt Marwan Barghouti, een bestuurder van Fatah, die al 10 jaar gevangen zat, een boodschap aan de Palestijnen om elke vorm van samenwerking met Israël op te geven. In Hebron richt Issa Amro de NGO ‘Youth against settlements’ op (zie ook het interview van Chloé Dumoulin met Issa Amro op 23 december 2016 in Mediapart: ‘Israël sombre dans la folie’). Er worden in 2014 vanuit Gaza 8000 in elkaar geflanste raketten afgeschoten die aan drie Israëlische burgers het leven kosten. Ongeveer duizend Palestijnse gevangenen beginnen een hongerstaking en Barghouti roept op tot burgerlijke ongehoorzaamheid.

Palestijnse autoriteiten boeten aan gezag in

Er kwam geweldloos verzet van Palestijnse dorpen die nadelige gevolgen ondervonden door de Muur. De beweging richt zich tegen de Israëlische kolonisatie (nederzettingen), de Muur en ook tegen de Palestijnse machthebbers op de Westelijke Jordaanoever. De Palestijnse autoriteiten op de Westoever en in Gaza zijn niet solidair en het bestuur wordt gekenmerkt door dictatoriaal gedrag en corruptie. Een positieve verandering is dat Hamas zijn Handvest herziet en niet langer aandringt op de vernietiging van Israel zoals in 1988. Wel blijft Hamas streven naar de bevrijding van de bezette gebieden en het vestigen van een Palestijnse Staat met Jeruzalem als hoofdstad.

De jongere Palestijnen hebben het respect voor hun bestuurders verloren en beginnen zelf het heft in handen te nemen. Ze hebben kunnen constateren dat zowel de Palestijnse Autoriteit als Hamas weinig of niets hebben gedaan voor de Palestijnen en druk bezig waren met hun eigen politieke en financiële ambities.

Amerika erkent Jeruzalem als hoofdstad van Israël

In 2017 wordt Jeruzalem door President Trump van Amerika als hoofdstad van Israël erkend, een gevaarlijke en roekeloze zet. Iedereen weet dat een eventuele Palestijnse Staat zonder Jeruzalem onbestaanbaar is. Een ‘kosmopolitisch’ Jeruzalem dat omringd is door joodse nederzettingen is een misleidende term. De joodse nederzettingen zullen bovendien door een tramverbinding met de stad worden verbonden.

Trump’s zogenaamde ‘Vredesplan’ als ‘Deal of the Century’ , uitgedragen door Jared Kushner, Jason Greenblatt en David Friedman, allen van Joodse afkomst, is niet gericht op zelfbeschikking voor de Palestijnen en alleen in het politieke belang van Israël en het zakelijke belang van Amerika. Geen Palestijn zal hiervan willen weten. Velen zijn geraadpleegd voor dit plan (o.a. de Saoedi’s, de Bahreini’s, de Emirati’s, de Egyptenaren, de Jordaniërs), behalve de Palestijnen. Hiermee is voor de Palestijnen ook komen vast te staan dat de Arabische Staten zich hebben geconformeerd aan Israël. Zij voelen zich in de steek gelaten door hun Arabische ‘broeders’. Immers, wat te denken van Arabische Staten die het prima vinden dat Jeruzalem als hoofdstad van Israël wordt erkend?

Ongetwijfeld hoopt Israël dat de Palestijnen zich zo in het nauw gedrongen zullen gaan voelen dat zij uit eigen beweging vertrekken.

 Van Europa valt ook geen extra steun te verwachten. Europa is verdeeld en krachteloos door onderlinge verschillen tussen West- en Oost-Europa. De tijd (1980) dat de Europeanen in Venetië het recht op zelfbeschikking voor de Palestijnen bekrachtigde is voorbij.

De ‘mars van de terugkeer’

Van Palestijnse kant keert men om strategische redenen terug naar het ongewapende verzet. In Gaza wordt de ‘Grote Mars van de Terugkeer’ georganiseerd.    Zie https://www.facebook.com/trtworld/videos/2111799399090205/

 en de reactie van o.a. de Israëlische president Netanyahu en Michelle Bachelet in 2019 https://www.facebook.com/trtworld/videos/800629346970464/. Ook https://www.facebook.com/trtworld/videos/1249900855164932/

De ‘Grote Mars van de Terugkeer’ in Gaza bij de Israëlische grens, eist opheffing van de blokkade, vrij personenverkeer en het recht op terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen.

De hoofdredacteur van de krant Haaretz, Bradley Burston, die heeft gediend in het Israëlische leger, schrijft op 21 maart 2018: ‘Israël is vreselijk bang voor het nieuwe wapen van de Palestijnen’.

Met dat nieuwe wapen wordt bedoeld het niet gewapende  verzet  georganiseerd in familieverband en het zoveel mogelijk vermijden van confrontatie met Israëlische troepen. Ook vrouwen en kinderen nemen hieraan actief deel. Israëlische militairen kunnen, moreel gesproken, weinig beginnen tegen ongewapende protesten op het gevaar af dat de publieke opinie zich tegen hen keert. Niettemin heeft het Israëlische leger een aantal demonstranten gedood en honderden verwond. Amnesty International en Human Rights Watch spreken over oorlogsmisdaden.

Men demonstreert in  Nabi Saleh al jaren tegen het in beslag nemen van olijfgaarden. Dat gebeurt in naam van de Israëlische ‘Wet van de drie jaren’ die de kolonisatie rechtvaardigt van land dat al drie jaar niet is bebouwd  (Zie voor beelden https://youtu.be/LerFuCLyv20

 en https://binged.it/2L8WxOn ).

Gewapend verzet tegen Israël is geen optie meer en is tot mislukken gedoemd. Israël is een kernmacht en geniet, blijkbaar, internationale straffeloosheid. Het land gaat door met versnelde kolonisatie van de Westelijke Jordaanoever, kennelijk met het doel om dit gebied in te lijven.

Hagai el-Ad, de directeur van B’Tselem (het Israëlische Informatiecentrum voor mensenrechten in de door Israël bezette gebieden) zegt in 2018: ‘Er is heden geen enkele tolerantie meer voor het Palestijnse verzet. Het is bijna een grap: als een Palestijn een demonstratie filmt, heet dat’ media-terrorisme’; als er om een boycott wordt gevraagd, heet het ‘economisch terrorisme’; als men naar een internationale rechtbank wil gaan, heet dat ‘wettelijk terrorisme’. Alles wat niet ‘s-morgens bij het wakker worden Israël bedankt voor de bezetting krijgt deze benaming’.

Al meer dan 70 jaar lijdt de hele Palestijnse burgerbevolking onder de Israëlische bezetting: de Muur, de kolonisatie en de militaire checkpoints op de Westelijke Jordaanoever, de blokkades, het sluiten van doorgangen, de racistische wetten en de afwezigheid van perspectief.

Haifa

Tenslotte

We eindigen met de woorden die Leila Shahid, ex-ambassadeur van Palestina bij de Europese Unie, sprak in 2016:

‘[…] het Project van twee Staten die naast elkaar leven in Israël en Palestina is het beste tegengif tegen de opkomst van racisme, angst voor de Ander en het verwerpen van de Ander’.

De vraag blijft of er in de toekomst nog genoeg (fysieke) plaats zal zijn voor een Palestijnse Staat.

Wassenaar, december 2019

.

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter