blog | werkgroep caraïbische letteren
Categorie: Cola Debrot Lezing

De Tweede Cola Debrot-lezing van Ana Menéndez

[Volledige tekst van de Tweede Cola Debrot-lezing, nu verschenen op de website van de Werkgroep Caraïbische Letteren; hieronder het begin]

The Bilingual Imagination

El universo (que otros llaman la Biblioteca) se compone de un número indefinido, y tal vez infinito, de galerías hexagonales, con vastos pozos de ventilación en el medio, cercados por barandas bajísimas. Desde cualquier hexágono se ven los pisos inferiores y superiores: interminablemente.
Como todos los hombres de la Biblioteca, he viajado en mi juventud; he peregrinado en busca de un libro, acaso del catálogo de catálogos; ahora que mis ojos casi no pueden descifrar lo que escribo, me preparo a morir a unas pocas leguas del hexágono en que nací.

Good evening. Thank you all for being here tonight and thank you to the Working Group on Caribbean Literature and especially to Dr. Van Kempen for making it possible for me to be here. It’s a real pleasure to speak to you tonight in this gorgeous library.
Some of you may have recognized the opening, slightly abridged, of Jorge Luis Borges’ short story La Biblioteca de Babel, The Library of Babel. A library, because I thought it would be appropriate tonight. In Spanish, because that is how he wrote it, and because I wanted to open with a foreign cadence, the music of the other. And Jorge Luis Borges because he was bilingual, iconoclastic and completely original. And it is the inter-relation of those qualities that is the subject of my talk tonight.

[Lees hier verder]
Klik op het label hieronder voor verschillende verslagen van de lezing.

Foto: @ Wietse Rypkema

Cola Debrot-lezing met Ana Menéndez

door Jan Bouman

Op weg naar de Cola Debrot-lezing in de Centrale Bibliotheek in Amsterdam passeer ik een typisch Amsterdams ‘iets’. Een vlot in het water voor de bibliotheek bij het centraal station. Het blijkt iets te maken te hebben met overleven en visie. Ark van Noach staat erop en kokervisie. Een mens met zijn benen omhoog zit in een koker hulpeloos vast. Hij was niet in staat twee visies te combineren. Zodoende heeft hij geen perspectief. Geen diepte in de toekomst.
De lezing op de bovenste verdieping van de centrale bibliotheek blijkt juist over visie te gaan. Door de afdeling Caribische letteren aan de universiteit is naar voren geschoven schrijfster Ana Menéndez. Als dochter van Cubaanse vluchtelingen is zij geboren in Los Angeles (1970). Verschillende boeken heeft zij gepubliceerd: Loving Che, een roman, en het korte verhaal ‘In Cuba I was a German shephard’. Een tweede verhaal kreeg de titel ‘The last war’. Beide verhalen werden onderscheiden met een prijs. Door de geschiedenis is zij via haar ouders sterk verbonden met Cuba. Door haar geboorte in Los Angeles is zij een inwoner van ‘the States’, een Amerikaanse. Van haar mogen we dan verwachten, dat zij geen kokervisie heeft. Gesteund door studie kan zij haar mening goed verwoorden: BA Engels aan de Florida International University en MBA aan de universiteit van New York.
Zij vertelt, hoe haar eerste taalbelevenissen waren. Haar moeder sprak Spaans met haar. In een eerste herinnering viel het haar op, dat toen haar moeder iets uit de ijskast pakte er een Engels woord doorheen kwam. Sindsdien leeft zij in twee werelden. Het begon haar op te vallen, dat in het Spaans alles vrouwelijk of mannelijk is en in het Engels niet. In het begin was Spaans haar moedertaal. De taal waarin ze sprak, dacht en droomde. Engels moest ze bewust gaan leren. Ze beleefde dat er meerdere realiteiten zijn. Dat is wat ze vooral leerde thuis. Ze vond er geen antwoorden voor. Wel de vorm (‘shape’) van een antwoord. Hoe is het met problemen? Schuiven we ze weg in de toekomst als nucleair afval? Is het probleem als een ‘oud verhaal’? Een taboe in de toekomst? Als dat zo is, zegt het veel over hoe wij schrijven als auteur. In de vorm van het antwoord ligt verborgen, dat het moeilijk is om te vertalen. Vertalen als het begrijpen van de ene in de andere wereld. Het Spaans van Cuba begrijpen in de wereld van de Verenigde Staten, in het Engels. De bijna onmogelijkheid die werelden te verbinden. Wat die werelden voegt is het wonder van het leven zelf, in leven zijn. Dit is dan de ondergrond van het schrijven. Van daaruit kunnen we elkaar begrijpen. In elk land leeft een identiteit. Een manier van hoe je zou kunnen zijn als persoon. Maar hoe kun je zijn als schrijver? In elke samenleving is een schrijver een ‘outsider’, iemand die aan de zijlijn staat. Een journalist is beschrijvend; non-fictie. Iemand die fictie schrijft, die houdt zich bezig met het ‘Waarom’. Waarom bestaan we, waarom maken we die fouten, waarom kan ik mij iets wel of niet voorstellen?

Sinds 1991 heeft Ana Menéndez gewerkt als journaliste in de VS en daarbuiten, onder andere bij de Miami Herald. Ze heeft reportages gemaakt over Cuba, Kashmir, Afganistan en India en publiceerde in The New Republic, The New York Times en Gourmet Magazine. Ook publiceerde zij in Cubanismo van uitgeverij Cristina Carcia en American food writing van Molly O’Neil. In het schrijven van reportages heeft zij zich in een andere wereld begeven en die naar het publiek ‘vertaald’. Steeds duidelijker heeft zij ervaren, dat haar werk een zoektocht is naar de twee werelden in haar. Die van Amerikaans staatsburger en van Cubaanse emigrant via haar ouders. Zij is als het ware in Cuba opgegroeid; omgeven door de verhalen van haar ouders en grootmoeder. Zo voelde Cuba als ‘thuis’. Maar ook ervoer ze de persoon van schrijver als die van een andere wereld. De wereld van beschouwer. Ze heeft geen antwoord. Niet als schrijver, niet als mens. Maar ze zoekt niet in het verleden. Ze zoekt in de toekomst. Aangezien deze in nevelen gehuld is, ziet zij daar geen antwoord nog, maar wel de vorm van een antwoord.

De lezing werd gepresenteerd door bijzonder hoogleraar West-Indische literatuur aan de universiteit van Amsterdam, Michiel van Kempen.
.
De Cola Debrot-lezing dankt zijn naam aan de Antilliaanse dichter, romancier, toneelschrijver en politicus Cola Debrot, die vooral bekend is geworden om zijn novelle Mijn zuster de negerin. Eens in de twee jaar wordt een lezing georganiseerd, om en om in Leiden en Amsterdam.
De opkomst was klein op 6 april, maar diegenen die er waren genoten van de lezing van Ana Menéndez: een vorm van hoop voor de toekomst van het Caribisch gebied.

[uit Antilliaans Dagblad, 13 april 2011]
Bovenste foto: @ Michiel van Kempen
Onderste twee foto’s: @ Wietse Rypkema

Schrijfster Menéndez: ‘Voor Amerikanen is tweetalig onderwijs boeboelaas!’

door Stuart Rahan

“Americans see bilingual education as a boogieman. It’s a fraught topic in the US. They think their country will be taken over by Mexicans.” Dat zegt de Cubaans Amerikaanse (of Amerikaans Cubaanse) schrijfster Ana Menéndez tijdens de tweede Cola Debrot-lezing, georganiseerd door de Werkgroep Caraibische Letteren.

Geboren als dochter van Cubaanse vluchtelingen in Los Angeles maakt zij nu carrière als schrijfster en gastspreker overal in de wereld, na eerst als journaliste gewerkt te hebben voor The Miami Herald en The Orange County Register.

De Amerikaanse schrijfster uit Cubaanse ouders Ana Menéndez signeert haar eerste boek In Cuba I Was a German Shepherd voor Carl Haarnack, lid van de Werkgroep Carabïsche Letteren.

Zij was in Nederland op uitnodiging van de werkgroep Caraïbische Letteren om te vertellen over haar werk als schrijfster in een wereld van tweetaligheid. Menéndez groeide tweetalig op maar werd niet als zodanig opgevoed. Omdat haar ouders altijd in de hoop leefden ooit terug te keren naar hun Spaans sprekende geboorteland Cuba, vonden zij het niet nodig dat hun dochter ook Engels leerde. Zij koos er op latere leeftijd bewust voor om beide talen te blijven spreken.
Roddelen in eigen taal

In een korte anekdote vertelde Menéndez over haar grootmoeder die nooit een woord Engels sprak. Na bezoeken aan bijvoorbeeld de supermarkt werd de oude vrouw kwaad op de Amerikanen, die zij verweet niet de moeite te nemen om ook maar een woord Spaans te leren. De terugkeer van de familie Menéndez werd steeds uitgesteld en de kleine Ana moest naar school. Daar werd slechts Engels gesproken. “It was the kindergarten where I first spoke English”, herinnert zij zich. “De Spaanse taal werd later overwegend thuis gesproken, of om te roddelen en zaken af te keuren.” De hardnekkigheid van haar oma en het roddelen in het Spaans is vergelijkbaar met de manier waarop Sranantongo door Surinamers in Nederland wordt gesproken. Cabaretier Jetty Mathurin maakte wel eens de opmerking dat de Nederlanders na vierhonderd jaar bezetting ook de moeite hadden kunnen nemen de taal te leren.

American writer
De eerste schooljaren waren voor Ana Menéndez een soms zeer verwarrende periode. Vanwege de uitspraak bijvoorbeeld, vertaalde haar moeder het Spaanse hielo (ijs) als yellow (geel). Menéndez groeide op in twee werelden, Amerika en Cuba. Als kind beschouwde zij zich in Amerika een Cubaanse, maar toen zij voor het eerst in Cuba was, ontdekte zij Amerikaanse te zijn.

Een soort van identiteitscrisis. En elke keer als zij weer ergens anders op de wereld was, moest zij uitleggen wie zij was en waar zij vandaan kwam maar het absolute hoogtepunt in haar ‘crisis’ ziet zij haar verblijf in Pakistan. “In Pakistan I was a woman.” Gelukkig is zij nu heel helder over haar eigen identiteit. “I am an American writer.” Toch komen in haar werken regelmatig Spaanse woorden terug, die leiden tot opmerkingen bij haar uitgever. Voor haar gevoel kun je bepaalde begrippen niet naar het Engels of een andere taal vertalen omdat deze plaatsgebonden zijn. “It’s like music. It gives us a certain kind of feeling”, werpt zij op.

Ana Menéndez schreef tot nu toe een drietal boeken waarvan In Cuba I was a German Shepherd (2001) de Pushcart Prize won. Hierin beschrijft zij de wereld van Caraïbische immigranten in het Amerikaanse Miami. Daarnaast verschenen Loving Che (2003) en The Last War (2009).

Ana Menéndez: Tweetalige schrijvers zijn succesvol!

door Quito Nicolaas

Afgelopen woensdag vond in het Amsterdamse Theater van het Woord de 2e Cola Debrot-lezing plaats, welke verzorgd werd door de Amerikaans-Cubaanse schrijver Ana Menéndez. Geheel onopgemerkt kwam ze de foyer binnen, gekleed in zwart en met een rode sjaal. Zoals ze op de foto’s eruit ziet, zo zag ze deze avond ook uit. Op het eerste gezicht krijg je de indruk – vanwege haar rustige uitstraling – dat het om een auteur gaat die heel kort het woord voert en de rest aan het publiek overlaat. De titel van haar lezing The bilingual imagination deed de wenkbrauwen van menigeen in de zaal fronsen.
Los Angeles
Geboren uit ouders die in de jaren ’60 Cuba waren ontvlucht, sprak ze haar eerste woorden in Los Angeles waar ze als gezin terecht kwamen. Een van de eerste woorden die ze leerde was het woord hielo (ijs) dat door haar moeder – wegens de fonetische uitspraak – werd vertaald in yellow (geel). Thuis spraken ze alleen Spaans en eenmaal op de kleuterschool moest Ana overschakelen op het Engels. Gelet op de terugkeerplannen van haar ouders naar Cuba moest de auteur in haar jeugd in twee werelden hebben geleefd. Een worsteling om de Amerikaanse droom te vervangen door de Caribische–Cubaanse utopie. Over deze worsteling, die feitelijk voor haar de nodige interne strijd met haar ouders meebracht, werd weinig verteld.
Worsteling
Vrij lang borduurde ze op het thema door. Op de vraag of haar tweetaligheid betekende dat ze als auteur ook vanuit een ander perspectief schrijft. In de zin dat zij – schrijvende over het Cubaanse migratieproces – de beelden in het Spaans ziet voorbij komen en vervolgens in het Engels op papier moet zien te verwoorden. Of dat een ander resultaat opleverde dan haar Amerikaanse collega-schrijvers? Haar antwoord bleef nogal vaag en beperkte zich tot algemeenheden en het feit dat ze niet langer over en voor de Cubanen schrijft. Wel kwam de verhouding tussen auteur en uitgever even naar voren, toen ze liet weten dat een aantal Turkse zinnen niet uit het manuscript mocht worden geschrapt.
Betoog
Opmerkelijk in haar betoog was dat ze Umberto Eco aanhaalde in verband met toxic waist. De boodschap was: willen we een bewustwordingsproces bereiken dat men over duizend jaar voor de gevaren van gifafval zijn gewaarschuwd, dan moet er continu hierover geschreven worden. Anders vertaald: Willen we over het arbeidsmigratieproces en de erbarmelijke omstandigheden waaronder Chicano’s en Latino’s in de VS moesten leven, kennen, dan moet hierover geschreven worden. In principe zou dat voor elk denkbaar thema in de Nederlandse literatuur moeten gelden. Het onderscheid in de Nederlandse literatuur tussen primaire en secundaire (tweederangs) literatuur moet tot het verleden behoren.
.
Identiteit
Over de eigen identiteit is Ana Menéndez heel duidelijk: Ik ben een Amerikaanse schrijver. Als auteur van drie boeken In Cuba I Was a German Shepherd (2001), waarmee ze de Pushcart Prize won, Loving Che (2003) en The Last War (2009) is dat misschien het gevoel dat je overhoudt. Tegelijkertijd vielen namen als die van Jorge Luis Borges en van landgenoot Alejo Carpentier, om haar betoog kracht bij te zetten. Hier ontbrak de link tussen tweetaligheid en identiteit, althans de doorwerking en een nadere onderbouwing hiervan. De vraag waar je als tweetalige auteur eigenlijk toe behoort, is niet alleen een gevoelsmatig antwoord waard, maar is meer een kwestie van identiteit en of het gastland je als zodanig erkent. Als schrijver heb je meerdere identiteiten die je kunt aannemen en dat voorrecht heb je als stadsgenoot, landgenoot en migrant.
Het thema van deze avond doet mij beseffen dat Literatuur en de beleving daarvan in elk land een ander fenomeen voorstelt, afhankelijk van de aanwezige cultuur en sociaal-politieke factoren in dat land. De Werkgroep Caribische letteren kan terugkijken op een geslaagde avond.
Foto’s: @ Wietse Rypkema

Ana Menéndez

door Michiel van Kempen

[Inleidend woord bij de Tweede Cola Debrotlezing door Ana Menéndez, georganiseerd door de Werkgroep Caraïbische Letteren in de Openbare Bibliotheek Amsterdam, woensdag 6 april 2011]

Good evening ladies and gentlemen,

On behalf of the Werkgroep Caraïbische Letteren I welcome you all for this second Cola Debrot-lecture, and a special word of welcome for tonight’s guest speaker, Mss Ana Menéndez.

The Werkgroep Caraïbische Letteren organizes two series of lectures: one in Leiden of a more scientific character, called after Surinamese first historian: the Rudolf van Lier-lectures; and a series of literary lectures here in Amsterdam, called after the great Antillean (or should I say Curaçaoean or Bonairean?) writer Cola Debrot.

As many of you probably will remember, the first Cola Debrot-lecture was given by Derek Walcott, Nobel Prize winner from Saint Lucia, almost 80 years old, one of the great poets of our times and – I was about to say: at the end of his literary career. But no, since he lectured here in Amsterdam he was awarded the TS Eliott Prize, the most important British award for poetry, for his book White Egrets. (I am not suggesting there is any relation between his Amsterdam lecture and Walcott winning this prize.)

Today we warmly welcome somebody of perhaps two generations younger, a woman, an award-winning writer, not from Saint Lucia but with Caribbean roots, Cuban-American Ana Menéndez. I hesitate to say “Caribbean roots”, since you might say that Miami – where Ana Menéndez stays – is a living part of the Caribbean. I remember quite some years ago being adressed by a Miami bus driver in Spanish, my hair was still black in those days. In Ana Menéndez first book, the collection of short stories In Cuba I was a German Shepherd, published ten years ago in 2001, she comes up with vivid images of life among Caribbean migrants in Florida’s capital. The title story reminds of the famous novel Dubbelspel Double-play by Frank Martinus Arion, the most important living writer from Curaçao. Ana Menéndez describes four men playing domino, being watched by passers-by, four men showing in their sometimes aggressive, sometimes heart-braking conversations their fragile position in some space in-between two worlds. The story got Menéndez the Pushcart Prize, an award by the Pushcart Magazine honouring the best “poetry, short fiction, essays or literary whatnot” published in the small presses over the previous year. Among the founding editors of the Pushcart Magazine were Anaïs Nin, Ishmael Reed, Joyce Carol Oates and Ralph Ellison. The New York Times named In Cuba I was a German Shepherd a Notable Book of the Year. And there she was: one of the most gifted Caribbean-American writers of the youngest generation.

Two years later Ana Menéndez published her first novel, Loving Che, unravelling again the pain of exile in an intelligently constructed and moving story of home-seeking. It tells about a young woman haunted by the many questions why her Cuban mother sent her away to live with her grandfather. And then – of course – there is Ernesto Che Guevara. The cover of the book says ‘National bestseller’ and having read the many, many enthusiastic reviews, I do not suppose this is one of the publisher’s well-known selling-tricks. This is the sort of book withholding you from going asleep: you have to read it until the last page.

In 2008 Ana Menéndez moved from Miami to Cairo in Egypt. There she held fine lectures on the future of narrative in the age of internet – a text you can read on our blogspot Caraíbisch Uitzicht.

Earlier Mss Menéndez lived in Istanbul, the great city on the banks of the Bosphorus, offering part of the setting of her latest novel, The Last War, published two years ago. The book focuses on a theme of all times but more than ever of current interest: how do we cope with our personal “small” sorrows in a “big” world full of distress, war and terrorism? One of the peculiarities of this book is the introduction of a number of Turkish lines, without translation – not a really common phenomenon in American fiction.

This brings us to Ana Menéndez lecture of tonight. As a little girl, she herself spoke Spanish only, until she went to kindergarten. Her books make clear that a bilingual youth doesn’t prevent somebody from mastering two languages up to the highest level. Ana Menéndez knows all about it and is going to tell us more. After her lecture she is pleased to take questions from the audience. Mss Menéndez: the floor is yours.

Michiel van Kempen en Ana Menéndez
Foto’s: @ Wietse Rypkema

Ana Menéndez gaf 2de Cola Debrot-lezing


Gisteren, woensdag 6 april, gaf de Cubaans-Amerikaanse schrijfster Ana Menéndez de tweede Cola Debrot-lezing in het Theater van ‘t Woord in de Openbare Bibliotheek Amsterdam onder de titel ‘The bilingual imagination’. Haar lezing werd gevolgd door een levendige gedachtenwisseling met het publiek. Een verslag volgt.

Foto: @ Wietse Rypkema

Ana Menéndez – The future of narrative (4, end)

Vandaag, woensdag 6 april, geeft de Cubaans-Amerikaanse auteur Ana Menéndez de Tweede Cola Debrotlezing in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam. In The Poets and Writer’s Magazine, May-June 2009, verscheen een tekst die zij in 2008 met regelmaat in Egypte heeft gepresenteerd, ‘The future of narrative’; we plaatsen die hier in afleveringen, dit is de vierde en laatste aflevering.

by Ana Menéndez

Some 250,000 people are part of the Eve Online universe – a vast imaginary system of galaxies where players from around the world gather on a single server to create adventures in real-time. The setting is science fiction, but the stories – created by anonymous players – illuminate mankind’s oldest themes: greed, betrayal and ambition. Without an Omniscient Narrator to guide them, the individual characters have arranged themselves along stock narrative types: Scheming Villians, Earnest Good Guys, Lone Wolves, Bold Leaders.

Subscribers pay about $15 a month to play. Few would describe what they’re involved in as “story-telling”; it’s just good (and safe) fun to go zipping around virtual space, tracking down bad guys, hijacking abandoned ships and meeting up with buddies to plan the next adventure. But that is exactly what story is: an imaginative leap that transforms the mundane into the sublime. These guys (and most of them are men) are storytellers in the strictest and oldest sense of the word.

Shakespeare, if he were alive today, might be a world-class gamer.

*

Story-teller by Chuck Marshall

The poet we call Homer probably didn’t create the epic we know as the Odyssey. The ancient adventure story of scheming villains, earnest good guys, lone wolves and bold leaders was most likely a collaborative effort, a mythical-history that men told around the hearth and that successive generations enriched with their own contributions.

The author as discreet and sole creator doesn’t fully emerge until the invention of the printing press, which made story-telling profitable on a vast scale. Once there was money to be made, the notion of “intellectual property” acquired commercial value. And a whole system of copyright law and attorneys to interpret them developed to protect the new business of writing.

One of the most profound ways that the internet is reshaping the artistic landscape – and not just in writing – is by destroying these relatively modern ideas about the artistic product. The instant a piece of music, a work of art, a poem, gets onto the web, they become communal property. There’s no stopping this. The music industry is losing its once lucrative monopoly on music distribution. And all the lawyers in the world have not been able to halt its spiral.

The anonymous, promiscuous nature of the web is nudging us back toward an earlier, collaborative model. Story will survive. But The Author may be nearing the end of his 500-year life-span.

Considering the recent devaluation of the title, that may not be such a bad development. Still, story’s true keepers deserve protection.

Story-telling is an integral part of what it means to be human. It’s in our self-interest to see that those who create are sufficiently supported and encouraged, financially as well as morally, to continue their work. The goal should be to find ways to spread the awesome and as yet mostly untapped economic power of the web so that good art continues to be made. If not, we could conceivably lose the next Virginia Woolf simply because she could not afford a room of her own.

On the other hand, not even penury is strong enough to kill story. The artist is driven to story like a drunkard to his wine and the absence of remuneration — and even glory – is not enough to stop him. For proof, witness the poet working in obscurity and poverty in 21st century America or the hundreds of works of brilliance being produced all over the world with no promise of monetary gain.

Technological inventions arise and fall away. In the beginning was story and through every innovation, story has persisted and so it will be. The end of story will be the end of man.

Ana Menéndez – The future of narrative (3)

Vandaag, woensdag 6 april, geeft de Cubaans-Amerikaanse auteur Ana Menéndez de Tweede Cola Debrotlezing in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam. In The Poets and Writer’s Magazine, May-June 2009, verscheen een tekst die zij in 2008 met regelmaat in Egypte heeft gepresenteerd, ‘The future of narrative’; we plaatsen die hier in afleveringen, gisteren de eerste, vanochtend aflevering 2, nu aflevering3.

by Ana Menéndez

It may be too early to tell, but some patterns are already emerging and, despite the skeptics, some of them are quite positive.

Like the alphabet and the printing press, the internet has not eclipsed story, merely offered a new tool with which to imagine it.

The most obvious and immediate effect is the direct translation from the old media to the new: e-books, e-journals, blogs, newspaper websites. All of them digital recreations, in one way or another, of the paper world they are fast turning to ashes. In this way, the Net resembles the early days of television when the radio microphone still loomed ghost-like in memory and vaudeville aesthetics dominated the new medium. It took a generation to go from Dick Van Dyke to MTV.

But as the internet gains traction and its myriad possibilities reveal themselves, a new kind of artist will emerge to challenge and transform the way we tell stories. What shape this new art will take is difficult to predict, or even perceive, until its effects become themselves a matter of history many years from now. One hopes imagination will yield something more majestic than the sad hyper-text games and cut-and-paste projects that today bloat many academic studies on “electronic media”.

Instead, for a clue into the narrative possibilities emerging in the new age, it is more instructive to turn not to writing that apes old media, but to the internet’s purest contribution to story: online, multi-player games that not only re-define old concepts of competition and role-play but create entirely new worlds and peoples them with characters and situations whose evocative powers descend from the finest tradition of imaginative story-telling.

Eve Online as the heir to Flaubert? Travian.com our answer to Tolstoy? I can already hear the sneering dissent. No science-fiction boy-fantasy can equal the nuance and insight of Flaubert. Pixels can never contain the genius of Tolstoy. Of course not. Linear, realistic story-telling that delves into human nature and motivation isn’t going anywhere. We have not lost the classics. Beowulf – that pre-press beast that haunts high school Freshmen – yet lives.

The old forms are not being taken away, but new forms are being added. Story is deeply engrained into our psyches. And the need to give narrative shape to our fears and joys is much older than the printing press or the alphabet. The press is barely 500 years old. The oldest alphabet is not older than 6,000 years. But modern humans have roamed the planet for 50,000 years. And for as long as we’ve had language, we’ve had stories. It’s the way we pass on history, warn future generations and strive to make sense of what is at base a bewildering and mysterious existence.

It’s this innate power of story that persuaded Sebeok that only the folkloric tradition of story-telling could be counted on to communicate with humanity 10,000 years into the future. “Information needs to be launched and artificially passed on into the short and long term future with the supplementary aid of folkloristic devices, a combination of an artificially created and nurtured ritual-and-legend, which would be a “false trail” for the uninitiated, who would be steered away from the hazardous site for reasons other than the scientific knowledge,” he wrote. “A ritual annually renewed can be foreseen, with the legend retold year by year.”
The folkloric has always been with us. The internet is simply the latest stage for its performance. Interestingly, this most modern medium is redefining story along its most ancient model: collaborative, instantaneous and anonymous.

[klik hier voor deel 4]

Ill.: the first page of Beowolf

Ana Menéndez – The future of narrative (2)

Vandaag, woensdag 6 april, geeft de Cubaans-Amerikaanse auteur Ana Menéndez de Tweede Cola Debrotlezing in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam. In The Poets and Writer’s Magazine, May-June 2009, verscheen een tekst die zij in 2008 met regelmaat in Egypte heeft gepresenteerd, ‘The future of narrative’; we plaatsen die hier in afleveringen, gisteren de eerste, vandaag aflevering 2.

by Ana Menéndez

Like the invention of the alphabet and the printing press before it, the Internet has revolutionized the way we tell stories. And like both previous inventions, it has sent the old guard into a funk.

Socrates was among those who thought writing was a dangerous fad. He warned that those who acquired the ability would stop exercising their memory and would become forgetful. Students would be inundated with information and would become “filled with the conceit of wisdom instead of real wisdom and be a burden to society.”

Martin Luther, himself a prolific writer, despaired of the printing press barely 100 years after its invention: “The multitude of books is a great evil. There is no limit to this fever for writing; every one must be an author; some out of vanity, to acquire celebrity and raise up a name, others for the sake of mere gain.”

Socrates and Martin Luther were right in their own ways. The written word did erode memory. Where the ancients could memorize entire epics, we in the 21st Century are hard-pressed to remember our PIN numbers.

And when Joe the Plumber gets a book contract it’s tempting to see Martin Luther as the prophet of our literary apocalypse.

But the nature of innovation is rarely neutral. It taketh away, but it also giveth. The invention of the alphabet did not do away with oral instruction – it’s still a crucial part of education. And oral story-telling persists around our dinner tables, in our jokes, and in what I’m doing here today. The alphabet did not replace memory; only added another tool to its arsenal. In its early years, writing came to be seen as a kind of magic, but its most enduring effect was more prosaic: the establishment of a record. “When the thousands of mysterious Sumerian tablets were translated, they seemed to be business records,” writes Jack Gilbert in the sublime, The Forgotten Dialect of the Heart.

Likewise, the printing press did not do away with hand-written communication. Lovers still wrote scented letters to one another, students still took notes. What the press did usher in was a concurrent revolution in the sciences: suddenly knowledge could be shared very quickly, cheaply, and accurately. The new technology also helped create new concepts such as chapters, indexes and – perhaps its most morally ambiguous achievement: The Author.

Now it’s our turn to live a new revolution. In a much quoted essay in the Atlantic Monthly last year, Nicholas Carr wrote about the internet and its discontents. While bashfully admitting that he may be just one in a long line of curmudgeonly (though highly intelligent) skeptics like Socrates, Carr nonetheless can’t help but be depressed about the state of communications in 2008. “The Net seems to be chipping away my capacity for concentration and contemplation,” he wrote in the cheekily titled “Is Google Making Us Stupid?” Then, proving that Google – whatever its darker workings — had not eroded his fine talent for vivid metaphor, Carr added: ”Once I was a scuba diver in the sea of words. Now I zip along the surface like a guy on a jet ski.”

Carr quotes Maryanne Wolf, a development psychologist who worries that the disjointed and shallow nature of internet writing may be “weakening our capacity for the kind of deep reading that emerged with the printing press.” (A positive outcome of the technology that Martin Luther apparently did not foresee). An earlier essay in The New Yorker also raised concerns about the ways that internet reading may be affecting complex cognitive abilities developed through reading more sophisticated and involved texts such as books and, presumably, The New Yorker magazine.

These are real concerns. Cognitive science has revealed a human brain notable for its plasticity. It is not unreasonable to speculate that the internet not only shapes itself to the mind, but shapes the mind to itself. Whether the net effect is negative or positive we can’t know now, and anyway it’s a moot point. The internet is here to stay and we’re stuck with whatever furniture arrangement it undertakes inside our heads.

The internet will take away. What will it give?

[voor vervolg, klik hier]

Ana Menéndez – The future of narrative (1)

Morgen, woensdag 6 april, geeft de Cubaans-Amerikaanse auteur Ana Menéndez de Tweede Cola Debrotlezing in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam. In The Poets and Writer’s Magazine, May-June 2009, verscheen een tekst die zij in 2008 met regelmaat in Egypte heeft gepresenteerd, ‘The future of narrative’; we plaatsen die hier in 4 afleveringen.

by Ana Menéndez

There’s a story I like to tell about a story Umberto Eco tells that tells us everything we need to know about story.

It starts with 40,000 tons of nuclear waste sitting in temporary storage in the United States. That much regular garbage is daunting enough. That much hot garbage presents a major technical and ethical dilemma. The government doesn’t know quite what to do with it.

Some years ago, The Department of Energy proposed burying the radioactive waste under Yucca Mountain in Nevada. But even if they could persuade the public that the material would pose no hazard in the immediate future, scientists still had to ensure that the material would pose no hazard into the distant future: The garbage would be radioactive and deadly for the next 10,000 years. How to warn future generations to stay away from the mountain?

As Eco writes in The Search for The Perfect Language, the linguist Thomas A. Sebeok was hired in 1981 by the office of Nuclear Waste Isolation to come up with a solution.
Sebeok immediately ruled out any kind of written warning. There was no permanent language to warn human beings 10,000 years into the future to “Keep Out.” Words are abstract things, deeply rooted in the contemporary and dependent on context to transmit meaning. Just a few generations after the last Pharaoh, the knowledge of hieroglyphic writing had disappeared.

Sebeok ruled out other forms of permanent communication: noise and electrical signals needed a power supply; smells don’t last; and ideograms, like words, lose their meaning over time.

The only solution Sebeok could offer was for the U.S. to establish a kind of “Atomic Priesthood” — a select group of scientists aided by legend-makers whose job it would be to transmit the warning of the deadly waste from generation to generation through story-telling. Over time, the mechanics of the message would surely change, time and culture shaping the translation. But the meaning – Danger – would be preserved and transmitted as taboo from the distant past.

The Atomic Priesthood never came to be. And the Department of Energy is still battling environmentalists over the issue of nuclear waste disposal. What remains of that story is the enduring nature of story-telling itself.

[klik hier voor het vervolg]

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter