blog | werkgroep caraïbische letteren
Categorie: Album van de Nederlands-Caraïbische poëzie

J.G.A. Koenders – Siengie na Sranantongo

Siengie na Sranantongo

Wijse: ’t Zonnetje gaat vans ons scheiden e.s.m.f.[1]
Son, de go liebie wie baka,
Netie agen kon fadon,
Wrokoman wroko de saka,
Ala see doengroe fadon.
Loekoe din stärie, din brinkie so krien,
Ruste din tjarie gie ala piekien.
Ruste na foto, na fierie,
Ruste foe wroko en plee.

lees verder…

Bernardo Ashetu – Matroos

Matroos

Het kleine land
en het schip dat binnenloopt.
De kleine matroos die
aan wal stapt.
Het meisje dat lacht
en roept:
Jij daar, jij kleine matroos!
De weide.
Het verwijlen
en straks weer verder zeilen.
De valreep die wacht.

lees verder…

Richard de Veer – Oda na Hooiberg

Sinta den stupi di mi wela
Cara fiha pariba
Mi ta weita y gosa ful
Con mahestuoso bo ta.
O, wardado di Playa!
Unda cu mi bay
Bo ta mane mi sombra
Cu no ta laga mi so.
Ora mi ta core auto
Bo ta mi Stre’I Nort
Pa indica mi sin faya
Na unda asina mi ta.
Den tempo di awacero
Bo ta gusta laba cabes
Mane ta fiesta bo ta bay
Perfuma pa hole dushi.
Despues flor di kibrahacha
Ta tapa bo dj’ariba te abou
Un bata mane di oro
Ni si ta rei di Congo bo ta.
O, mi guia di tur dia
Con mi por lubida bo nunca!
Ta bo ta mi compañe
Mainta, merdia, atardi.
Awor, cada bes mi yega dj’afo
Bo ta di prome pa cuminda mi.
Mi curason ta mane habri
Mirando alomenos un cos conoci.

[Papiamento]

lees verder…

Mooie mannen in de mondi (een hekeldicht)

Het gemekker op de Nederlands-Caribische eilanden dat homoseksuele en lesbische relaties niet ‘eigen’ zijn aan het eilandelijk samenleven, stuit tegen de borst.
door Aart G. Broek

lees verder…

Nieuw werk van Astrid H. Roemer in 2015

Vrijdag 22 mei 2015 was Astrid H. Roemer na lange tijd weer even in Nederland voor ‘Was Getekend, hommage aan Astrid H. Roemer’. Bij die gelegenheid las ze enkele nieuwe gedichten. lees verder…

Kwame Dandillo – Paramaribo

Heerenstraat Paramaribo met links de YWCA, ca. 1940
Verloren loop ik langs
je mooie straten
en zie de krotten
als een reeks van gaten
in een blinkend wit gebit
De mensen schuiven transpirerend
in alverzengend zonlicht rond
en vraag mij vreemd verwonderd af
waarom men lacht
waar vinden zij de kracht
te gaan te staan
terwijl de hitte stijgt
en elk levend wezen hijgt
Ik voel de drang naar vrijheid
wurgend om mij heen
Vergeef mij als ik
in mijn wanhoop meen
dat oog om oog en tand om tand
de wet moet zijn van elk land
waar scharen armen eindloos paraderen
tussen limousines van
de nieuwe heren
[uit Palito, 1970]
Paramaribo 2014

Hecht en Sterk

door Lila Gobardhan-Rambocus

Shrinivási bij de presentatie van Hecht en Sterk op Curaçao in  het auditorium van de Nationale Bibliotheek Curaçao op 2 februari 2013

 

Hecht en Sterkverschijnt tweeëntwintig jaar na Sangam, de bundel waarvoor Shrinivási de Literatuurprijs van Suriname 1989-1991 werd toegekend. Geert Koefoed heeft in 1993 de tweede uitgave verzorgd en nu ook Hecht en Sterk, waarin hij een mooi nawoord heeft geschreven.
Shrinivási’s poëzie is voor elk wat wils: mooi, eenvoudig van taal én met diepere betekenislagen. Denkend aan Shrinivási komt meestal meteen ‘Deháti’ in mij op. Het gedicht uit zijn eerste bundel Anjali (1963) dat mij toen zo heeft geraakt. Het deed me denken aan het kind dat ik was toen ik op Meerzorg woonde. Ik voelde de pijn die de dichter verwoordde:
Opgebezemd
uit de modder
met koemest
aan de hielen
heb ik de drempel
van de Stad overschreden.
Ik heb een nieuw geloof beleden
van Caritas
Justitia.
Maar de patriciërs
braken het brood
nimmer met een paria.
Toen keerde ik
terug naar de rook
van de stallen
vreemd en
verstoten
onder mijn eigen volk.
Shrinivási en de Arubaans-Nederlandse criticus Henry Habibe

 

In Hecht en Sterk komen thema’s uit zijn eerdere poëzie terug. Zes gedichten uit Sangam zijn in deze bundel opgenomen, omdat, volgens Koefoed, Sangam niet bekend is in Nederland en Vlaanderen. Een van de mooiste gedichten uit deze groep is ‘Toen realiseerde hij zich…’ (p. 68). In dertien versregels een enkele zin. Het terugkeren van de thema’s – steeds anders verwoord – geeft deze bundel iets vertrouwds, en in deze fase van zijn leven accepteert de dichter het leven zoals het komt. Hij heeft net als in eerdere bundels oog voor alle details die naar hem toekomen, zoals een kind dat verwonderd zijn kleine wereld tegemoet treedt.

 

In 1991 schreef ik op de achterkant van het omslag van Sangam onder meer dat Shrinivási’s schrijven een zoektocht is naar de essentiële vraagstukken in het menselijk leven, waarin leven en dood centraal staan. Binnen deze zoektocht bleef hij oog hebben voor de schoonheid van de samenleving. Voor Shrinivási geldt daarom nog steeds dat een kunstenaar maar één lied heeft. In Hecht en Sterk is de melodie heel anders dan bij de vorige bundels: herinnerend, beschouwend, aanvaardend en speels. Zij blijft echter mooi en blijft nog lang in onze oren naklinken.

Albert Helman – Huisje op Saba

In majeur
 .
Ik heb een huisje op Saba.
                Dat wist je niet.
 
Gehurkt naast een goayaba.
                Wist jij ook niet.
 
’t Is keurig, maar wat kleintjes,
met luiken en gordijntjes.
                Dat wist je niet.
 
’t Heeft een rood zadeldakje.
Opzij staat het gemakje
en droomt er heel allenig.
                Wist je dat niet?
 
Maar ’t uitzicht is wel enig:
helblauwe zee en verder
veel schaapjes zonder herder
boven de strakke einder.
                Dat wist je niet.
 
En ook wat scheepjes zijn d’r.
De rest alleen maar rotsen
waartegen golven klotsen,
en langs die woestenijrand
ligt hier en daar wat weiland.
                Wist jij ook niet.
 
Je ziet zo ’t hele eiland –
niet groot, iets meer dan Rottum.
De hoofdplaats heet The Bottom
omdat je er af moet dalen
om brood en melk te halen.
Géén kans om te verdwalen.
                Dat wist je niet.
 
Je blijft steeds op de hoogte
bij regen en bij droogte,
leeft altijd in de stilte
bij hitte en bij kilte,
hoeft nooit je in te spannen
zoals de meeste mannen,
gaat ’s zondags wel ter kerke…
                Wist je dat niet?
 
Er valt geen draad te werken;
het zijn alleen de mieren
die vóór het huis tuinieren;
en ’t tuintje is niet bijzonder,
hoewel, dat is geen wonder:
al heeft het ook twee perken,
’t zijn witgekalkte zerken.
En ’s avonds uit de verte
lijkt ’t huisje net een derde.
                Wist jij ook niet.
 
Het is wat pietepeuterig,
maar toch erg knus en kneuterig,
een stulp om van te houen.
Maar ik voel niets voor vrouwen,
woon samen dus met Wouter…
Slechtaard! Hij ’s mijn kabouter.
Zijn vader kwam uit Elspeet
hij uit de berg bij Hell’s Gate
en is van de Sabanen
beslist de meest humane
en ook een zeer bekwame.
                Wist je dat niet?
 
We hebben ’t heerlijk samen.
Wout schrijft voor mij mijn boeken,
naait knopen aan mijn broeken
en doet ook nog de keuken,
krabt mij waar ik ’t voel jeuken…
want er zijn wel muskieten.
Ik kan dus echtgenieten.
                Dat wist je niet.
 
In die piepkleine woning
leef ik zoals een koning.
Ze heeft iets van een kerkje
dat leert: ‘O mens, beperk je,’
en preekt, met zang en toezang
één tekst: ‘Verboden toegang.’
                Wist je ook niet.
 
Je kunt heel maklijk komen
op ‘t eiland van mijn dromen,
maar moogt mijn deur niet binnen.
                Dat wist je niet.
 
Ik wil geen wijf beminnen,
nou ja, ofschoon, hoewel…
                Wist je dat niet?
 
’k Zit maar wat te verzinnen.
                Dat weet je wèl.
 
 
II. In mineur
 
Had ik een huisje op Saba?
Ik heb het nu niet meer…
Mijn Wouter is gestorven
en alles is bedorven.
Ik heb geen huisje meer,
ach, heb geen huisje meer.
 
Ik moest het wel verkopen,
wat kon ik anders doen?
Langs ’s Heren wegen lopen,
een zwerver uit de tropen,
en denken maar aan toen…
ach, denken maar aan toen.
 
Was Wouter blijven leven
– maar hij was al zo oud –
ik had mij nooit begeven
naar oorden waar het leven
zo eenzaam is, zo koud,
ach, eenzaam en zo koud.
 
Vaarwel dan, lieflijk Saba,
ik zie je nimmer meer,
behalve in gedachten,
als mijn doorwaakte nachten
vervuld zijn van weleer,
ach, vol zijn van weleer…
 
 
III. In hypo-mixolydisch
 
Ik roep al sinds de twaalfde eeuw:
‘Kabouter Wout, mijn metgezel,
waar ben je toch gebleven?
Heb jij de dood geproefd en laat
je mij zo-maar in leven?
 
Je was een fijne kameraad,
dus moet ik ’t je vergeven.
Nu woon je weer, heel hoog verheven,
achter de Helpoort in de berg,
terwijl ik hier alleen moet leven.
Het is wel erg…
 
 

[Oorspronkelijk verschenen in Sticusa Journaal. Herdrukt in Helmans Verzamelde gedichten, 1979. Opgenomen in de bloemlezing Vaar naar de vuurtoren; Eiland, Isla, Island, Eilân. Gedichten over twaalf eilanden van het Koninkrijk der Nederlanden. Samenstelling Klaas de Groot. Haarlem 2010, In de Knipscheer.]

Van kannibaal tot karibeño (III en slot)

door Fred de Haas

De Verenigde Naties heeft het jaar 2011 uitgeroepen tot ‘Internationaal jaar voor mensen van Afrikaanse afkomst’, de Afrikaanse diaspora. In een drietal afleveringen bestudeert Fred de Haas in onder meer 19e eeuwse geschriften de tot op de dag van vandaag doorwerkende vooroordelen over de Afro-Caribische mens en de weerstand die deze opriepen bij weldenkende blanke en zwarte intellectuelen van die tijd. In deze derde en laatste aflevering staat de bewustwording van een eigen Creoolse ‘identiteit’ centraal.

Het tijdschrift Watapana dat verscheen tussen 1968 en 1972 en dat werd opgericht door de Arubaanse hispanist en dichter Henry Habibe (Aruba, 1940) wilde eveneens een podium zijn voor schrijvers die in het Papiaments schreven. Het tijdschrift zou echter ook bijdragen publiceren in het Nederlands en het Spaans, mits deze in het teken stonden van de Antilliaanse taal en cultuur. Watapana heeft slechts een gering aantal bijdragen in de landstaal, het Papiaments, gepubliceerd.

Lauffer, Daal, Juliana
Er zijn natuurlijk ook dichters en schrijvers geweest die, buiten wat zij met grote tussenpozen publiceerden in tijdschriften, in hun overige werk een lans braken voor het gebruik van het Papiaments als speerpunt voor de vorming en erkenning van een eigen identiteit en aldus een tegenwicht vormden voor de overheersende invloed van de Nederlandse, Spaanse en Engelse taal. Ik denk hierbij vooral aan dichters als Elis Juliana (1927), Pierre Lauffer (1920-1981) en Luis Henrique Daal (1919-1997).

Luis Daal had in het culturele maandblad van de Antillen, Gydelcra, dat met grote tussenpozen tot 1961 volledig in het Papiaments verscheen, in het decembernummer van 1960 het volgende geschreven:

‘Nos hendenan no ta tribi papia papiamentu pasobra, pa desgrasia, nan no sá papiamentu bèrdè I nan ta sinti ku nan to ta pará firme den nan sapatu ora nan tin di papia riba un tema ku no ta relashoná ku komementu, bebementu o t’un tema kon-ku-tá. Hopi di nos hendenan ta pensa ku si nan papia papiamentu den un reunión o skirbi un karta na papia papiamentu o ekspresá un idea na nos lenga, tur otro hende ta pensa ku nan ta inferior sosial o intelektualmente… Lo ke ta nesesario pa siñamentu di otro lenga, ta nesesario pa siñamentu di papiamentu tambe, esta un esfuerso konstante i serio.’
Luis Daal, 1960

Vertaling:
‘Onze mensen durven geen Papiaments te spreken, omdat zij, ongelukkig genoeg, niet echt Papiaments kúnnen spreken; en ze voelen dat zij niet stevig in hun schoenen staan als ze moeten spreken over een onderwerp dat niet heeft te maken met eten, drinken of een onbelangrijke zaak.
Velen van onze mensen denken, dat, als ze Papiaments spreken op een vergadering of een brief schrijven in het Papiaments of een idee verwoorden in onze taal, alle andere mensen denken dat zij sociaal of intellectueel minderwaardig zijn…
Wat nodig is voor het leren van een andere taal, is ook nodig voor het leren van het Papiaments, namelijk een voortdurende, ernstige inspanning.’
[Vertaling FdH]

Dat gevoel van minderwaardigheid waar Daal over spreekt kwam niet uit de lucht vallen. De vroegere Nederlandse kolonialen hadden – in hun onwetendheid, arrogantie en onbewuste angst voor het onbekende – nauwelijks een goed woord over gehad voor het Papiaments. In 19e eeuwse geschriften vinden we karakteriseringen van het Papiaments als ‘bedorven Spaans, Indiaansch en Hollandsch, arm in woorden, zonder buiging, voeging of geslacht onderscheiden, maar rijk in hevig door de keel uitgesproken wordende schelle klanken en vooral in scheldwoorden’ (Van Paddenburgh, 1819), ‘eene hoogst armoedige taal’ (Bosch, 1829), ‘patois des lands’ (Jesurun, 1897), ‘patois van het Spaansch met allerlei bijmengsels’ (Kraus, 1915), een ‘Creolentaal’ (Lichtveld, 1955). Dat zijn zo een paar bronnen die de toen heersende opvattingen op niet mis te verstane wijze illustreren. Logisch dat, met de toenemende bewustwording van de eigen identiteit, er Antillianen opstonden om hun taal te verdedigen tegen de benepen opvattingen over het Papiaments die nog alom heersten.

De Curaçaose dichter Pierre Lauffer schreef in 1962:
Mi lenga Den nesesidat salí Fo’i alma di aventurero, Kultivá na boka di katibu, A bai drecha su pará Den kuentanan di yaya. […] Su kantika tin kandela, Su simplesa tin koló. Ku su wega di palabra Mi por ‘nabo su zoyá… […]
Pierre Lauffer: Raspá (1962), Mi Lenga

Mijn taal
Geboren uit nood,
Uit de ziel van avonturiers,
Bewerkt in de mond van slaven,
Tot volle wasdom gekomen
In de verhalen van de yaya.
[…]
En zijn lied is o zo vurig
En zijn eenvoud o zo kleurig
Met zijn klanken, woorden, grillen
Kan ik iedereen levend villen
[…]

Pierre Lauffer: Schraapsel, Mijn Taal

[Vertaling FdH]

Elis Juliana heeft de mogelijkheden van zijn moedertaal, het Papiamentu, tot in de diepste vezels en op zeer positieve wijze uitgebuit. Daarbij moet worden aangetekend dat voor hem het experimenteren met zijn Creoolse moedertaal voorop stond en hij niet de behoefte voelde om politieke statements af te geven of een vermeend ‘Afrikaans element’ in zijn poëzie te introduceren. Dat zijn poëzie een onlosmakelijk deel is geworden van het culturele erfgoed van Curaçao dat door de bevolking wordt gekoesterd, bewijst dat zijn poëzie het hart raakt van de ‘identiteit’ van het volk. Maar zoek geen Afrika in het volgende gedicht dat echter wel alles te maken heeft met de mogelijkheden van het Papiaments:

Kanta kweru Kanta,
kweru kayente, kanta
Kanta, kweru kayente, kanta
Kweru kanta eh pa mi lanta
Pa mi lanta, eh pa mi lanta
Kanta, kweru kayente kanta
Kweru no puntra pa ki’ me ke lanta
Mi ke lanta, mi ke lanta
Ai, mi lomba, eh mi ke lanta
Eh mi ke lanta kweru kanta
Mi ke lanta, eh mi ke lanta
Ai, mi lomba, eh mi ke lanta
Kanta, kweru kayente, kanta
Mi ta lanta, eh mi ta lanta
Ariba, lomba, eh sigi wanta
Mi ta lanta, mi ta lanta
Eh, m’a lanta, kweru, m’a lanta
Kweru, m’a lanta, para wanta
Sigi kanta, kweru, m’a lanta
M’a lanta, m’a lanta
Kanta, kweru kayente, kanta
Kanta, kweru kayente, kanta
Kanta, kanta…

Elis Juliana

Bom! Bom! Vurige trom!
Bom! Bom! Vurige trom!
Bom! Bom! Vurige trom!
Trom! Bom! ‘k wíl op de been!
Bom! Trom! ‘k wíl op de been!
Bom! Bom! Vurige trom!
Trom, trom, vraag niet waaróm!
Bom! Been! Bom, op de been!
Au, die rug! Maar kom! Op de been!
Bom! Op de been, trom! Bom! Op de been!
Bom! Been! Kom! Op de been!
Au, die rug! Maar kom! Op de been!
Bom! Bom! Vurige trom!
Been! Been! Kom! Op de been!
Recht met die rug! Nog éven, éven!
Bom! Been! Kom! Op de been!
Ik bén op de been, trom! Bom! Op de been!
‘k ben nú op de been en blíjf op de been!
Bom erop los, trom! Bom! Op de been!
Bom! Been! ‘k ben nú op de been!
Bom! Bom! Vurige trom!
Bom! Bom! Vurige trom!
Bom…! Bom…! Bom…!

(Vertaling FdH)

Caribische migranten
Ook bij migranten uit het Caribisch gebied staat de beleving van eigen identiteit onder druk. Zij hebben soms een jeugd gehad die deel had aan twee of meer culturen. Er kan dan sprake zijn van een dubbele loyaliteit jegens het vaderland in de tropen en het nieuwe – Nederlandse – vaderland in Europa. In hun gedichten en proza (we hebben het dan over de bovenlaag van de migranten) wordt men soms geconfronteerd met gevoelens van berusting, maar ook met gevoelens van agressie. Het betreft dan de inmiddels volwassen geworden ‘kinderen’ die voelden dat zij tot meer dan één cultuur behoorden en vaak gefrustreerd raakten door het feit dat dit fenomeen – aan beide kanten van de oceaan, trouwens – niet werd herkend, en dus ook niet erkend.

Velen onder hen, schrijvers en niet-schrijvers, zijn nog steeds bezig met het koloniale verleden. Dat heeft zijn oorzaken in het verleden. Alejandro ‘Yandi’ Paula heeft in zijn boek From objective to subjective social barriers (1968) al uiteengezet hoe de psychische gevolgen van de slavernij doorwerken tot op de dag van heden.
Als dat onderwerp mensen nog steeds bezighoudt, dan komt dat omdat voor hen die tijd nog niet zo ver in het verleden ligt of, en dat geldt vooral voor de jongeren, omdat zij zich nu pas bewust worden van de aard van het kwaad dat is aangericht in ‘hun’ verleden en zij er alsnog mee in het reine willen komen. Het is de gedachte aan de vernedering die, onderhuids, de mensen nog steeds kan belagen. Niemand heeft het recht hen deze gevoelens, mits oprecht en niet aangewend voor opportunistische politieke doeleinden, te ontzeggen. Maar net zo min als de zwarte Curaçaoënaars op Curaçao kan men zich blijven koesteren in de slachtofferrol. Dat zou laf zijn en zeker geen excuus voor de fouten die nog steeds worden gemaakt.

In dit artikel heb ik mij overwegend beziggehouden met de identiteit van de Afro-Curaçaose bevolkingsgroep en Creoolse schrijvers uit Curaçao, maar het spreekt vanzelf dat de Arubaanse component in dit geheel niet mag ontbreken. Ik zou daarom willen besluiten met enkele fragmenten uit gedichten van twee Arubaanse dichteressen, Alida Kock en Olga Orman, die op geheel eigen wijze het onderwerp van dit essay illustreren.

Meervoudige identiteit: de gevarieerde keuken als metafoor
Een gedicht dat op treffende en speelse wijze laat zien dat velen van ons, zo wij niet allemaal, een meervoudige identiteit hebben is ‘Ta ken mi ta’ (Wie ik ben). Dit gedicht van Alida Kock kan met gemak hele boekenkasten met geleerde betogen over ‘meervoudige’ identiteit vervangen.
De lezer mag van de dichteres meegenieten van de gerechten die zij allemaal in haar keuken klaarmaakt, gerechten die overal vandaan komen en hun kleuren en geuren ontlenen aan de eetculturen van vele landen. Gerechten die niet een eendimensionale, smalle identiteit hebben, maar de – gedeelde – creatieve producten zijn van mensen uit alle windstreken. Pas als je hiervan hebt gegeten, mag je vragen naar de ‘identiteit’ van degene die ze heeft bereid. Een eenduidig antwoord hierop zal moeilijk te krijgen zijn. Gelukkig maar.

[…]
E kalor di Karibe
ku ta karisiá bo stoma
te bo tenchi di pia
E alegria di e latinonan
ku ta habri bo kurason
asina bo sinta na mesa
E resistensia afrikano
pa sigui chupa e preimu
den tempo di berans
E astusia di Europa
ku a sluip drenta panchi
lagabo babuká.

Alida Kock, 2010

[…]
De warmte van de Caraïben
Die je maag doorgloeit
En streelt tot in je tenen,
De vrolijkheid van het Latijnse
volk,
Die je hart doet opengaan
Zodra je aan tafel schuift;
Het Afrikaans vermogen
– ook in slechte tijden –
Door de zure appel heen te bijten,
Het Europees raffinement
Dat heimelijk in de pan sloop
Zullen je versteld doen staan.

[Vertaling FdH]

Ik zou willen afsluiten met een fragment uit een gedicht van de Arubaanse dichteres Olga Orman die met dit gedicht een ‘historische’ hommage brengt aan de taal die aan de bewoners van de Benedenwindse eilanden een belangrijk deel van hun identiteit heeft gegeven, het Papiaments, dat in het volgende fragment als sprekend persoon wordt opgevoerd:

Entretanto a drenta barco
Frances, Ingles, Spaño y Hulandes
Tur a priña mi laga yiunan atras
manera nan mama a pari nan
Mi a mima nan
crianan na pecho
pa nan bira grandi
Sacerdote y Domi a malusa mi
pa gana alma
Nan no t’a sa
ni por a imahina
e forsa cu nan a duna mi
Mientras un Macamba a yama mi
‘brabbeltaal’ m’a bona
den cas di cunukero
den di shon sin pordon
mi a bira un menasa
Mi tabata un djamanta bruto
y mas sla cu mi papiadonan a haya
mas mi a cuminsa briya riba tres isla
Riba cada un mi a desaroya
Tur hende ta skirbi mi
manera nan ta haya ta bon
Un ta fia di Spaño, otro di Ingles
of di Frances sofistica
Pero milagrosamente tur ta lesa
y compronde mi.

[…]
Intussen liepen schepen binnen
– Hollandse en Spaanse, Engelse en Franse –
Allen hebben me bezwangerd,
Hun kinderen nagelaten, naakt,
Zoals hun moeder hen gebaard had.
Vertroeteld heb ik ze,
Gekoesterd aan mijn borst,
Zo zijn ze groot geworden.
Dominee en priester hebben me geradbraakt
Om zieltjes voor hun doel te winnen.
Ze hadden geen idee
– Niet in de verste verte –
Van de kracht die ze me gaven.
Terwijl een Hollander me ‘brabbeltaaltje’ noemde
Kwam ik tot volle wasdom en gedijde
In het huisje van de landman;
In dat van de meedogenloze planter
Werd ik tot een bedreiging.
Ik was een ruwe diamant:
Hoe meer slaag mijn sprekers kregen,
Hoe meer ik op drie eilanden begon te glanzen:
Op ieder eiland heb ik me ontwikkeld,
Alle mensen schrijven me
Zoals ze willen:
De een leent van het Engels, de ander van het Spaans
Of van het chique Frans;
Maar als door een wonder kan iedereen
Mij lezen en verstaan.

[Vertaling FdH]

Bigi yari Eddy Pinas, minor poet

Op 10 september wordt Eddy Pinas 70, bigi yari! Niet een dichter met een groot oeuvre, maar een minor poet: weinig geschreven en toch belangrijk. Een feestrede.
Het hele gepubliceerde werk van Eddy Pinas is zelfs voor een lang­za­me lezer in minder dan een half uur te lezen. Het omvat twee dicht­­bundeltjes, een verhaal en een handvol verspreide gedichten. Pi­nas behoort niet tot de categorie charlatans die hun geluk beproe­ven door een bundeltje op de markt te brengen en die vervol­gens verdwij­nen bij gebrek aan succes, en voor­al: bij gebrek aan een bood­schap en het talent om een bood­schap vormt te geven. Hij be­hoort even­min tot de categorie schreeuwers, zij die het liefst op­treden in zalen met een slechte akoestiek zodat het publiek niet hoort wat zij nu in feite zeggen, en die zichzelf aanprijzen als de grootste schrijver wan­neer zij met veel tam‑tam hun nieuwe boek aan­kon­digen. Dan is er de categorie (soms al te) bescheiden, maar meestal sympathieke dichters die schrijven omdat dat in hun wezen besloten ligt. Het zijn de perfectionisten, zij die ‘s avonds laat dezelfde beduimelde velletjes weer oppakken en voor de zoveelste keer een woordje doorstrepen en er een ander voor in de plaats zet­ten omdat zij niet tevreden zijn met de al door anderen gebruikte woorden. Het zijn de stillen, zij die aan de mouw getrokken moeten worden, hé, heb je nog iets?, en ja, in stilte hebben zij iets ge­wrocht dat de moeite waard is. Eddy Pinas behoort tot deze laatste ca­tegorie.
De eerste keer dat Eddy Pinas van zich liet horen, liet hij niet van zich horen. Want zijn eerste bundeltje verscheen onder een schuil­­naam. In 1973, in het heetst van de februa­ri­staking, kwam een bundeltje uit onder de titel Krawasi. Voorzover verzets­poëzie klas­siek kan zijn, was dit een klassiek uitgaafje: gestencild, slordig afgesneden, een om­slag­je met een snel geschetste tekening, twee niet­jes erdoor geramd en het bundel­tje is klaar om in de zakken van de revolutio­nairen gefrom­meld te worden. De schrijver noemt zich Fa­celess X, want, zoals hij in het voorwoord zegt, `ik heb name­lijk geen naam’ en `indien ik een gezicht bezat zou ik het nu moe­ten verber­gen uit schaamte’. Een curieus bun­deltje, dit Krawasi. In de open­bare biblio­theken zal de lezer er tevergeefs naar zoeken. Wie er nog een exem­plaar van bezit, kan er maar beter zuinig op zijn. Niet omdat elk ge­dicht nu van zo’n bijzondere kwaliteit is – verre van. Tenslotte is het poëzie heet van de naald, de woorden zijn in een woeste bewe­ging op het papier gesmeten, nuan­ceringen passen niet in deze context: Bespaar ons hen/roei ze uit/tot aan de kiem/plet ze de teelballen en/bespaar ons/hun nageslacht/zo die reeds/ontstaan mocht zijn/naar de pletterij ermee. Waar `die’ staat, had `dat’ moeten staan, maar deze poëzie is niet bestemd voor filo­lo­gen. Waar­om men dan toch zuinig moet zijn op dit bundeltje, is om­dat het ‘t po­ziedebuut van Eddy Pinas was, die zijn eigen poë­zie­ge­zicht eerst twee jaar later zou laten zien.
Dit gedicht uit Krawasi, geschreven twee dagen voor het bundeltje uit­kwam, wijst al vooruit naar de stijl van de poëzie uit Pinas’ la­te­re bundel.

Testament van een bedelaar

stoep Kirpalani 9 februari 1973

Dit is mijn laatste wilsbeschikking:
mijn slaapplaats ‑ onder het balkon ‑
laat ik na aan oom Hendrik
thans wonend in L.W.G.
met 4 man in een
kamer 3 x 3
de inhoud van mijn plunjezak ‑
1 broek, 2 borstrokken, 1 jas, 1 mok,
1 kam (nieuw), een partij
sigaretten eindjes,
7 dagbladen (februari 1969),
1 geërfde aansteker ‑ zult gij
delen onder de stoepbewoners
mijn wandelstok (Tamarindehout) gaat
naar de politie
mijn beurs ‑ exclusief 10 % pensioenpremie ‑
te delen onder eventuele
weduwen uit de strijd
mijn eergevoel
laat ik na aan de
regering van Suriname.

In het voor de Surinaamse literatuur uiterst lucratieve jaar 1975 verschijnt dan onder Eddy Pinas’ eigen naam het bij de Saraswati Press gedrukte bundeltje Te koop wegens vertrek, een cynische titel ge­zien de grote stroom emigranten die Zanderij in die tijd verlaten richting Schiphol. De thuisblijvers in Suriname zijn nooit mals ge­weest over de wegtrekkers, maar Eddy Pinas is een van de weini­gen die er literair vorm aan heeft gegeven. In een gedicht uit de nooit verschenen bundel Mi pasri, opgenomen in Te koop wegens ver­trek, luidt het:

met verkleumde teelballen
verlaten ze hun
kille vlieringen in Amsterdam

uit stijfbevroren kelen
schreeuwen zij leuzen (in Amsterdam)
langsheen hun jachtige ademhaling

in hun witte knoken torsen zij voort
tegenin windkracht acht
protestbordjes

nationalisme noemen ze dat
volk van Suriname
saluut voor uw helden overzee

Eddy Pinas selecteert een aantal elementen uit de werkelijk­heid, veel­al nogal scherp gemarkeerd taalgebruik zoals flarden uit de han­delswereld en staande uitdrukkingen, en rangschikt die tot een ge­heel dat ergens in het grensgebied van ironie en sarcasme gesitu­eerd kan worden. In het bo­venstaande gedicht grijpt de observatie nog di­rect in via zijn subjectieve weer­gave, met name in de bij­voeg­lijke naam­­woorden, pregnant naar voren komend. Maar, net als in `Tes­ta­ment van een bedelaar’ verschuilt de observator zich in het vol­gende gedicht achter de compositie van een aantal elementen uit de al­ledaagse werkelijkheid, `ready mades’ om met Marcel Duchamp te spreken.

Synthetische Nederlander

importprodukt uit de west
invoerrechten vrij
statistiekrecht en KLM verplicht
handelbaar exclusief BTW
copyright
Den Haag
1863
wandelende synthetische ik
in 1954
te Paramaribo (of elders)
gefabriceerd in licentie
binnenkort
importbeperking ‑ of verbod ‑
te verwachten

Ironie is sowieso niet royaal vertegenwoordigd in de Sranan lette­ren, maar de vorm die Pinas er aan heeft gegeven, lijkt me uniek.

We moeten ons echter niet vergissen in het uitgangspunt van de­ze poëzie. Het is niet een vrijblijvend schimpen dat de dichter be­weegt. Er is een fundamentele bezorgdheid om wat de toekomst zal brengen (ook dat is opvallend in het jaar 1975 dat zoveel ge­dichten voort­bracht van optimisti­sche strekking, het een al holler dan het an­dere). In de `Synthetische Neder­lander’ schetst Pinas een beeld van de Surinamer die alle elementen in zich verenigt waarte­gen Su­ri­na­mers in zichzelf hebben te vechten: kolonialisme, kunst­ma­tig­heid, gebrek aan eigenheid en aan zelferkenning. De poëzie is een mid­del om het karakterloze beeld scherp te stellen. Pinas is niet de ar­ro­gante ziener die zich boven het neokoloniaal Suriname ge­spuis stelt; hij weet dat sommige zaken altijd op de loer liggen, zoal niet altijd in ons aanwe­zig zijn en hij vreest de dag dat de balans op­ge­maakt zal wor­den: `Ik heb angst/angst voor de dag/­waarop ik voor hen/te­recht zal staan/­mijn kinderen’ enzo­voort. Het is ditzelfde be­sef dat de dichter de afsluiting van het gedicht `Oom Krisjan’ in­ge­ge­ven moet hebben. Dit gedicht is misschien het beste uit Te koop wegens vertrek, concreet, maar met een wijde strek­king, een aan­klacht tegen de kolonisering van lichaam en geest, een de­monstra­tie van hoe enga­gement en sensitiviteit kunnen samengaan. In de laatste re­gels is het ook een erken­ning van de eigen onmacht, de eigen laf­heid en in die erken­ning is het een moedig gedicht:

Oom Krisjan

naast het paard waarop
hij wedde sprak hij
met de walm van kokolanpu
in zijn adem
over Topibo
nu onterfd
geschonken aan imperialisten
zijn geest was reeds eerder
als exportprodukt geladen
in ijzergebuikte reuzen
zijn bezit ‑ voorzover hij
mocht bezitten ‑ werd versmolten
tot vliegtuigen voor Vietnam
zijn handen betekenden arbeid
voor hen
zijn hart bauxiet
zijn teelballen aluinaarde
geen aanklacht was het
slechts weemoed
en ik sloop weg

[De gehele tekst van Te koop wegens vertrek is hier on line te raadplegen.]

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter