blog | werkgroep caraïbische letteren

Cairo’s roman over de decembermoorden

door Ellen de Vries

‘Maar een ding weet ik: Sranan gaat niet rusten! Niet om geweld, maar om de liefde! Liefde, liefde, brandende liefde. Om liefde, vrijheid en respekt voor alle zonen, alle kinderen van één trutru en waardig Sranan. Dát is de smaak van Sranan Libre. Dát is de ware geest van ’t vrije, vrije Suriname!’
Dát schreef Edgar Cairo december 1982 naar aanleiding van de liquidatie van vijftien vermeende tegenstanders van het militaire regime in zijn rouwklacht De smaak van Sranan Libre, destijds uitgezonden als hoorspel. In 2007 – 25 jaar na de zogenoemde ‘decembermoorden’ van 1982 – verscheen het hoorspel als roman bij De Knipscheer. Het is niet het eerste boek van deze uitgeverij over de militaire staatsgreep en de ‘decembermoorden’.

In vier hoofdstukken schetst Cairo het relaas van een familie aan weerszijden van de oceaan, in Amsterdam en Paramaribo. Het verhaal begint op 7 december in Amsterdam. De ik-figuur, Armand, kan de slaap niet vatten. Als de ochtend gloort verschijnt zijn broer voor zijn geestesoog ‘bedekt met een massa aangekoekt bloed’. Armand schreeuwt het uit: ‘Help, mijn broer is dood, vermoord!’ De andere familieleden komen verschrikt aanrennen. De brief van zijn broer Jusu (Jozef) die de vorige dag arriveerde, vormt de aanleiding voor zijn droom. Jusu is na de revolutie naar Suriname vertrokken om het land te helpen opbouwen. Zijn ‘klinkende briefschrijfsels’ eindigen doorgaans optimistisch, maar de revolutie heeft rafelige randjes gekregen. De toon van zijn laatste brief is bezorgd en angstig: ‘P’pa Kwa en Mama Dina, groeten aan jullie en me broers. En aan al die mensen waarvan jullie weten dat ik die gekend heb. Ik heb dat rare gevoel dat ik… ach, laat maar! Jullie zien me heus wel terug.’ In de brief vertelt Jusu over de droom die híj heeft gehad over rookwolken en een oerwoudhoge, bloedrode golf. Winti-goden, bange voorgevoelens en voortekenen, spelen een grote rol in de roman. Als ppprrringgg… de telefoon gaat, is er bericht uit Paramaribo: Jusu is vermoord. De familie is verbijsterd. Wat er precies gebeurt is weten ze niet. Alleen dat hun zoon en broer is doodgeschoten. Er zijn branden geweest, horen ze via de radio. Executies. Later komen er verhalen los over martelingen. Armand huilt, huilt. In zijn hoofd nestelt zich de Kromanti, een hogere geest, die het zal opnemen tegen de Leba, de god die hier het kwaad symboliseert. Voor Armand doemt het beeld op van een duif die door aasvretende beesten wordt belaagd. ‘Zo wordt de Kromanti belaagd door Leba’s. (…) Zo wordt het wezen van onze vrijheid belaagd door de onheilskrachten van die moordenaars. De kromanti gaat winnen, je zal ’t zien.’

Verrassend is de korte passage waarin het perspectief wisselt en een sprong terug in de tijd wordt gemaakt. De verteller kruipt in de huid van ‘de majoor-opperbevelhebber-extra sergeant, tegelijk opperstinkdier en aanstaande dictator’ . Het is een paar weken voor de noodlottige gebeurtenissen. Ook de ‘aanstaande dictator’ kan niet slapen. Al weken niet. Boze dromen kwellen hem. Hij is verlamd door angst en paranoia. Hij heeft al een paar keer zijn uzi op zijn eigen schaduw leeggeschoten ‘En elke keer dat hij watert gaat hij zijn urine inspekteren. Om te kijken of hij niet iets vreemds te drinken heeft gekregen van zijn eigen ‘vrienden’. Of hij steekt zijn vinger aan zijn kak, ruikt en proeft zijn bilprodukt. Om te weten of hij toch niet ongemerkt vreemde dinges heeft gegeten.’ Voor de wandspiegel spreekt hij het volk toe. Hij somt op wat hij allemaal zal doen met zijn vijanden: met Daal, met de intellectuelen, de coupplegers en hun advocaten…’Professor, journalisten, student, alles. We rampeneren ze.’ Hij besluit zijn oratie met de woorden: ‘Kom uzi! We gaan slapen. Morgen is er weer een onderdrukkingsdag! Aaahh!’.

Cairo schetst hoe de ‘refolusie’ verdeeldheid zaait binnen families. In Paramaribo rukt oom Frenkel zich los uit een demonstratie al roepend, dat de vlag halfstok moet, dat het volk moet mogen rouwen. Zijn tweede zoon, neef van Armand en een overtuigd revolutionair, legt hem het zwijgen op. De roman eindigt met de constatering, dat Suriname niet zal gaan rusten voordat de vrijheid herwonnen is. Het vrije Suriname – Sranan Libre – is de ware geest van Suriname.
Het is de vraag hoe de in 2000 overleden Cairo zou terugkijken op zijn roman als hij wist dat Bouterse – in zijn roman aangeduid als ‘stinkdier met uzi’ – nu aan de macht is. Zoveel jaar na dato weten we – dankzij het decemberstrafproces dat in 2007 van start ging – meer over wat er werkelijk gebeurd is. Duidelijker is komen vast te staan dat de schietpartij niet in de nacht van 8 op 9, maar daarvóór plaatsvond. Het alibi van Bouterse is daardoor op losse schroeven komen te staan. Of Bouterse – zoals Cairo’s roman veronderstelt – de (enige) kwade genius was achter een weken van tevoren geplande liquidatie, is een van de zaken waarin de rechters hopelijk klaarheid brengen.
Michiel van Kempen merkte in een recensie eerder al op: ‘De roman vertoont alle sporen van haastwerk: rommelige opbouw, geen overtuigende karakters, weinig diepgang.’ Mee eens. Het grootste plezier heb ík beleefd – het treurige onderwerp ten spijt – aan de geestige formuleringen, de − soms platvloerse maar tegelijkertijd ook schrijnende − familietafereeltjes, de ritmiek, en speelsheid van Cairo’s taalgebruik: een mengeling van Surinaams-Nederlands, Sranan en eigen woordbrouwsels doorspekt met onomatopeeën. Toch lenen die zich naar mijn smaak misschien beter voor een orale vertelling dan voor een roman.

Edgar Cairo, De smaak van Sranan Libre; Roman over het bloedblad van Paramaribo op 8 december 1982. Haarlem: In de Knipscheer, 2007. 136 p., ISBN 978 90 6265 594 6, prijs € 13,50

[uit Oso, 2011, nr. 2]

1 comment to “Cairo’s roman over de decembermoorden”

  • ‘Maar een ding weet ik: Sranan gaat niet rusten! Niet om geweld, maar om de liefde! Liefde, liefde, brandende liefde. Om liefde, vrijheid en respekt voor alle zonen, alle kinderen van één trutru en waardig Sranan. Dát is de smaak van Sranan Libre. Dát is de ware geest van ’t vrije, vrije Suriname!’

    Edgar Caïro mag blij zijn dat hij jong gestorven is, hij zou niet hebben kunnen aanzien hoe dat stinkdier met z’n uzi het land in een permanente verlamming heeft geschoten Er is niets meer over van een Sranan Libre, van een trutru en waardig Sranan!

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter