blog | werkgroep caraïbische letteren

door Kevin Headley

We zijn radeloos. Onze jachttrip komt zo zoetjes aan ten einde en we hebben maar één konkoni, boshaas, geschoten. Niks meer. Dat irriteert ons. Voor mijn part kunnen we nu al opdoeken en naar huis gaan. Mike is het met mij eens, maar Reese wil toch nog kijken of we verderop in het bos nog geluk hebben.

Illustratie: Desmond Kerk

We gaan er vroeg op uit, twee uur in de ochtend. De maan zorgt voor wat verlichting op de donkere weg. We rijden het binnenland in, het gebied achter het district Brokopondo, op zoek naar een goede plek om te jagen. Na bijkans twee uren zien we een man op leeftijd, met een groot gekleurd kleed om zich heen, een ronde hoed van vilt met een lantaarn aan een stok bevestigd als enige verlichting langs de weg onder een boom. Ik stel voor om hem met rust te laten, maar Reese weet het natuurlijk weer beter en stopt om de man te vragen waar wij het best kunnen jagen. De man kijkt ons eerst onderzoekend aan en vraagt ‘san un wani … onti wat willen jullie … jagen?
“Ai, ja,” zegt Reese. “Waar is de beste plek?”
“Un dri wan de, jullie drieën zijn er alleen?” vraagt hij tussendoor. Die vraag vind ik best vreemd, maar Mike laat hoofdschuddend merken dat ik het met rust moet laten.
“Ala san we si un wani sutu, alles dat jullie zien willen jullie neerschieten,” zegt de oude man. “Unu no e begrijp dat sani de tapu a grontapu fu seti a balans kon, begrijpen jullie niet dat er dingen zijn op deze aarde die zorgen voor balans. Daarom me e begi unu, unu no sutu zomaar san, sutu san we go njan, ik vraag jullie, schiet niet zomaar, schiet wat jullie later gaan eten.”
“Zeker,” antwoordt Reese. “We beloven.”
“We rij langa langa tapu a pasi, tien minuten ete, jullie rijden nog tien minuten verder,” legt de oude man uit. “Baka dati unu o syi wan afslag rechts, we rij insey, nog tien minuten verder te rijden en bij het bereiken van de afslag naar rechts te gaan. Bij het pad dat het bos ingaat te voet verder te gaan en die omgeving kan je jagen. No lasi a pasi, verlaten jullie het pad niet. A busi bigi, bos is groot, unu kan lasi pasi, jullie kunnen makkelijk verdwalen. En blijven jullie met elkaar!” geeft hij nog aan. “Mi e herhaal unu no lasi pasi, ik herhaal verdwaal niet.”

We bedanken hem voor de instructies en als blijk van waardering geven we hem een djogo uit de ijsbox. We komen er later achter dat de man zich vergist heeft, het duurt geen tien minuten, maar anderhalf uur voordat wij het pad bereiken. Ik heb er geen goed gevoel bij en vraag de anderen of we toch gewoon niet naar huis kunnen. Ze zijn van mening dat we te ver zijn gekomen op weer huiswaarts te keren zonder iets bijzonders te hebben gevangen. We lopen een uur op het pad, maar komen niets tegen.
“De man heeft ons voor de gek gehouden, het waren alvast geen tien minuten en we zijn nog steeds niks tegengekomen,” zegt Reese boos.

Plotseling commandeert Reese ons om te stoppen door zijn hand in de lucht te steken. Hij wenkt om niet te bewegen en te luisteren. Ik hoor niks, alleen de wind en enkele vogels. Het bos, zo’n driehonderd meter tegenover ons beweegt. We houden onze wapens gereed om te schieten en plots zien we een volwassen jaguar uit het bos lopen. Het beest stopt, kijkt ons strak aan, zijn glimmende ogen volgen ons. Reese wil schieten. Zijn vinger is al aan de trekker, maar Mike zakt de loop van het wapen van hem met zijn wijsvinger en schudt zijn hoofd ‘nee’. Reese kijkt hem eerst verbaasd aan, maar zucht en schudt daarna zijn hoofd lichtjes om zo aan te geven dat hij het begrijpt: we jagen niet op beschermde diersoorten. De jaguar is inmiddels verdwenen. We lopen verder.

Na een half uur horen we vaag het geluid van stromend water. Reese kijkt me heel boos aan en wenkt om naar de richting van het geluid te gaan. Ik zucht en loop met ze mee. We komen uit op een gedeelte van het bos waar een kleine kreek verscholen zit. We kunnen het water steeds harder horen stromen hoe dichter we komen. We zien een half afgebroken kamp. “Mensen hebben weer troep achtergelaten …” zegt Mike. We horen plots een geluid dat je doet denken aan een zwaar ademend roofdier. We nemen alledrie onze wapens op. Gereed om te schieten. We horen een tak achter ons breken en Reese draait als eerst om en zegt gelijktijdig: “Jeee ka, oh shit…”

We staan oog in oog met een wezen dat boven ons uit torent. Het ademt zwaar en we zien hoe het lijf van het beest op en neer beweegt, op en neer. ik kan niet verklaren wat voor gedaante het is. In het donker is het moeilijk een goed beeld waar te nemen. Het beest loopt in de duisternis om ons heen en volgt elke beweging die we maken nauwlettend. Plotseling krijg ik het gevoel dat het weet wat we hebben gedaan. Het beest ruikt onze misdrijven. Mijn hart begint steeds harder te bonzen.

Onze zonden hebben ons ingehaald. Drie jaren terug hebben we vijftig miljoen Amerikaanse dollars verduisterd door aankopen over te factureren bij een bank waar we werkten. Toen de misstanden aan het licht kwamen werd de directeur Gregory, een beer van kerel die je altijd hielp met een voorschot als je vast met geld, soms zelfs uit eigen zak, verantwoordelijk gesteld. Hij hing zichzelf op uit wanhoop en we schoven daarna alle schuld op hem. We hadden iemands leven, goede naam, de levens van zijn vrouw Rebecca, zijn twee kleine kinderen vernietigd voor onze hebzucht. Reese had het koelbloedig afgewenteld als bijkomende schade. Mike vond soelaas in drank om daarna daarvan af te moeten kicken en ik kreeg maandenlang nachtmerries waarin ik Gregory zag, hoe hij zich verhing. Soms zie ik hem nog hangen. ‘s Morgens, wanneer ik wakker word. Hij kijkt me recht in in de ogen. In een flits is hij dan weg. Ik kon iets hebben gedaan, ik kon iets hebben gezegd dat wij de schuldigen waren, dat ik de schuldige was, maar ik deed niets. Ik was te bang voor wat er daarna zou gebeuren, dat mijn leven verwoest zou worden. Ik was er ergens wel van overtuigd dat wij een dag onze straf zouden krijgen en die dag is nu gekomen. Ik wil niet dood, ik wil mijn leven verbeteren, ik wil mijn fouten herstellen, als we hieruit komen beloof ik wat te doen voor de familie van Gregory. Ik vraag maar een kans, maar één.

Bam! Ik hoor een schot afgaan. Mike heeft geschoten. Volgens mij is het beest geraakt, de actie heeft het echter nog razender gemaakt. Het begint op ons af te sprinten. “Lon, ren,” schreeuw ik terwijl ik richting het beest loop. Mike wil blijven, maar Reese trekt hem om mee te komen. Ik wenk dat ze kunnen gaan. Ik geef op, het heeft geen zin meer. Zo zal Gregory zich ook hebben gevoeld. Geen uitweg. Geen ontsnapping. Er snel een eind aan maken. Ik doe mijn ogen dicht. Ik word keihard naar de grond geslagen. Was dat een klauw? Lang kan ik niet nadenken over de vraag want wat ik erna voel is alsof iemand duizend naalden in mijn lichaam duwt. Pijn. Pijn. Mijn schouder ligt open, mijn hart dat steeds harder pompt, stuwt het bloed naar buiten. Waren de laatste seconden van Gregory ook zo vraag ik me af, angstig en pijnlijk. Het verschil is dat hij het niet verdiende, ik wel. Ik wacht op de genadeslag, maar die komt niet. In plaats daarvan hoor ik andere geluiden, ik doe mijn ogen voorzichtig open en zie een gevecht tussen het beest en een jaguar. De jaguar valt het monster aan, bijt het vliegensvlug. Lang blijf ik niet niet kijken. Ik begin de richting op te rennen waar de anderen naartoe zijn vertrokken. Met mijn rechterhand houd ik mijn schouder vast, ik druk het vlees bij elkaar. Ik kom aan net voor Reese wil optrekken. “Ik ben er, ik ben er,” schreeuw ik. Ik hoor Mike nog schreeuwen: “Ik wist dat hij zou komen. Broer, je bent gewond!” Ik kan alleen nog “rij, rij!” uitbrengen terwijl ik op de achterzitting neerplof. Reese geeft vol gas. We racen de hoofdweg af. We komen weer langs de oude man op de weg. Wanneer ik naar achteren kijk, lijkt het alsof ik hem zie lachen, in het licht van zijn lantaarn.

on 23.03.2020 at 12:28
Tags: /

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter