blog | werkgroep caraïbische letteren

Bodil de la Parra: Mooie familiegeschiedenis in een vreemde landje

door Michiel van Kempen

Met een schok realiseerde ik mij dat de oude apotheek van De la Parra aan de Paramaribose Zwartenhovenbrugstraat 140 er niet meer is: verzengd door razend vuur in 2012, tezamen met het hele blok aangrenzende panden – zoals het vuur in de geschiedenis van de grotendeels houten stad al zo vaak heeft toegeslagen. Ik herinnerde me de trieste beelden van die grote brand van 2012 wel en met name de textielwinkel van Moussi Isa staat me nog voor de geest.

Maar in het persbericht van 15 oktober 2012 werd van de apotheek/drogisterij van De la Parra – toch een kleinood van laatkoloniale architectuur – geen melding gemaakt. Nu is het pand van ‘R.L. de la Parra’s Manufacturen’ het voornaamste decor in de Surinaamse familiegeschiedenis van Bodil de la Parra, met de toch wel wat treurige titel: Het verbrande huis.

Het ‘verbrande huis’, ofwel Drogisterij RL de la Parra aan de Zwartenhovenbrugstraat 140, Paramaribo. Op het balkon van het familiehuis staan Bodils tante Gus, tante Jenna, nichtje Maisa en vader Pim (1996).

Het boek past in een recente trend van boeken geschreven door Nederlandse auteurs die opeens ontdekken dat een deel van hun dna afkomstig is van de andere zijde van de oceaan: papa of mama heeft er nooit veel woorden aan vuil gemaakt en opeens schuiven de grote toneelgordijnen van de zwarte identiteit open. Eyes wide open duiken zij in een KLM-vliegtuig om over de broccolivelden van de jungle heen te vliegen en zich te laten zakken in de klamme deken van het tropische Suriname. Alles is even wonderbaarlijk en hartverwarmend, de meesten hebben nog nooit een kerk van binnen gezien maar slaan enthousiast aan het plengen van rum bij grote kankantrie-bomen waar het barst van de voorouders en halfgoden. Het Nederlands klinkt zo grappig, het eten is overheerlijk en het Parbobier laaft de ziel, de slavernijgeschiedenis wordt ontdekt en gooit even een schuldig rouwrandje over the tropical experience, maar de goedlachse chauffeur van het ‘grote busuitstapje’ en de bloeiende fayalobi vergoeden veel. En dan is er natuurlijk de koffer vol uit Holland meegesleepte snuisterijen die de smeltende kinderlach op de zwarte snoetjes tovert. In dat opzicht is er weinig veranderd sinds 16de-eeuwse snuiters op zoek gingen naar het goud van El Dorado.

Laat ik meteen zeggen dat het bij Bodil de la Parra net allemaal wat anders is. Ook bij haar is er veel wonderlijks en hartverwarmends aan Suriname en er wordt gigantisch veel gegeten en gedronken, maar bij haar lijkt er sprake te zijn van een vertraagd, laat ontwaken, want zij komt al sinds de jaren ’70 in Paramaribo en Suriname zweefde toch altijd rond in het ouderlijk huis. Dat is natuurlijk niet verwonderlijk als je de dochter bent van cineast Pim de la Parra. De kinderen maakten in 1975 zelfs een deel van de opnamen van de iconische rolprent Wan Pipel mee en ondervonden na het floppen van de film aan den lijve de transformatie van hun vader van miljonair tot eeuwig schuldenaar, die overigens alle tegenslag met stoïcijnse wijsheid over zich heen liet komen en af en toe in India ging bijtanken bij een of andere Swami Bamibal (de term is van mij – MvK). Bodil schrijft erover met wrevelige liefde voor haar onverstoorbare papa, die iedereen vrolijk tegemoet bleef treden met de woorden: ‘Mag ik je feliciteren met het feit van je bestaan?’

Maurits Julius de la Parra, de overgrootvader van Bodil, met Pim en Henk (circa 1943).

Het verbrande huis is een verkenningstocht naar het Surinaamse in Bodils eigen ziel, en dan natuurlijk ook de bij voorbaat kansloze strijd om in het land van haar vader voor volbloed Surinaamse aangezien te worden. Maar Het verbrande huis is ook een liefdevol portret van de bewoners van de Manufacturenzaak aan de Zwartenhovenbrugstraat en dan met name de drie tantes Gus, Pop en Jet – de door Antoine de Kom in een prachtig gedicht zo fraai bezongen bruine tantes, had ik bijna gezegd, maar nee, het zijn geen bruine tantes maar erg lichtgekleurde tantes, die weliswaar moksi zijn zoals zoveel Surinamers, maar die geen moment hun Joodse afkomst vergeten. Als Bodil de oudste nederzetting met synagoge in de Nieuwe Wereld bezoekt, Jodensavanne dat zo’n 50 kilometer stroomopwaarts aan de Surinamerivier ligt, steekt het bewustzijn dat haar voorouders slavenhouders geweest moeten zijn. Maar het is een ding van Bodil, de tantes zitten er niet zo mee, die historische slavernijwetenschap doet geen afbreuk aan hun standsbesef te behoren tot de Joodse elite van Paramaribo.

De tantes zijn de al-bedillende hoeders van het familiecentrum aan de drukke winkelstraat in Paramaribo. Van een Márquez-achtige kwaliteit is de anekdote over de begrafenis van tante Pop: terwijl ze haar in het graf laten zakken, klinkt opeens ‘Happy Birthday’ uit de kist: ze hebben vergeten haar nieuwe horloge met elektronisch deuntje af te doen.

Bodil met haar tante Gus en tante Pop in Drogisterij R.L. de la Parra (1992).

Overigens dekt de titel van De la Parra’s boek niet de hele lading, want er zijn ook hoofdstukken die zich in Nederland afspelen, bijvoorbeeld over de vrije opvoeding in een huis waar wel heel veel mensen iets met elkaar doen – voor een sensitief kind toch al gauw goed voor een jaar of drie psychiatrische nazorg, maar Bodil zeurt er niet over. En dan is er een hoofdstuk over de zelfmoord van haar broer Pim-Jal, dramatisch natuurlijk het zwaarste in de familiegeschiedenis, maar toch niet het meest aangrijpende hoofdstuk, misschien omdat de auteur haar emoties in bedwang heeft willen houden door een beschouwelijk laagje over het vertelde te leggen.

Bodil de la Parra verwerkte haar familiegeschiedenis eerder in enkele succesvolle theatervoorstellingen. Zij heeft met haar boek de valkuil weten te vermijden om er een reeks cabaretachtige scènes van te maken. Het is een amusante en bij vlagen ook ontroerende familiegeschiedenis geworden in een land dat je na aan het hart gaat liggen.

En, beste Bodil, als nog eens iemand in Suriname vraagt hoe het met je gaat – ‘Fa waka?’ – antwoordt dan niet ‘Tan boeng’, want ‘Blijf wel’ is wel een heel merkwaardig antwoord op die vraag, maar zeg: ‘A boeng’, het gaat goed, of ‘Ai go’, het gaat wel, lekker lang aan de woorden trekken svp. Suriname, ja, een lekkere landje, maar ook een vreemde landje.

Bodil de la Parra, Het verbrande huis; Een Surinaamse familiegeschiedenis. Amsterdam: Lebowski, 2020. 237 pp., € 22,99.

Klik hier voor meer foto’s bij het boek, op de site van Lebowski.

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter