blog | werkgroep caraïbische letteren

Blaka Mira; een miniportret

Blaka Mira (Carlo Rijkaard). Foto: @ Simon Vinkenoog


door Nellie Bakboord

Toen ik eraan dacht de dichter Carlo Rijkaard te vragen waarom hij onder het pseudoniem, nom de plume ‘Blaka Mira’ zijn werken publiceert, lag mijn kopij al bij de redactie op het bureau. Vaak heeft een pseudoniem iets te maken met de echte naam van de schrijver. Letterlijk vertaald betekent Blaka Mira, zwarte mier. Ik miste de kans het Carlo te vragen.

Pseudoniem, oudgrieks, staat voor de naam die door een schrijver of kunstenaar wordt bedacht om de maker van het werk mee aan te duiden. Nom de plume is de Franse uitdrukking. Carlo presenteert vrijdag 20 mei zijn bundel gedichten Ini wan man na man/Ieder mens is uniek op een manifestatie waar meerdere dichters, schrijvers en uitgevers aanwezig zullen zijn bij de Vereniging Ons Suriname in Amsterdam.

De bundel was al eerder in Suriname gepresenteerd. Mijn nieuwsgierigheid werd behoorlijk geprikkeld omdat ik de naam Blaka Mira met een regelmaat voorbij zag gaan maar toen niet wist welke kunstenaar hierachter school.

Verteller
Carlo is niet alleen een veelbelovende dichter maar ook een rasechte verteller. “Van mijn vader geërfd. Dat zegt mijn moeder. Mijn vader was een echte toriman. Kinderen uit de buurt kwamen met veel interesse luisteren. Vaak zat er een spannende yorkatori tussen. Mijn vader, Leo Rijkaard, was destijds in Suriname geen onbekende. De oudere generatie zal hem misschien nog wel kennen van de AVROS. Tijdens een suma e l’lei moro tranga heeft mijn vader glansrijk gewonnen”.

Op jonge leeftijd was Carlo al heel erg actief met taal. Ondeugend lachend vertelt hij dat hij een gedicht in de vorm van een liefdesbrief had geschreven bestemd voor zijn buurmeisje. Via via belandde dit schrijven in handen van zijn moeder. Eindstand was een pak rammel.

Carlo kan hier gelukkig nog steeds uitbundig smakelijk over lachen. Hij zit op zijn praatstoel. Boordevol verhalen. Op de Clementschool vertelde hij in de pauzes op verzoek van klasgenootjes de ene tori na de andere. In ruil hiervoor wilde hij een lekker broodje batyaw of een lekkere bol van bollevrouw. Bijna nooit meer nam hij brood mee van huis.

Simon Vinkenoog
In Nederland draagt hij zijn gedichten voor op diverse door Surinamers georganiseerde culturele manifestaties. Hij wordt opgemerkt door de Nederlandse schrijver/dichter Simon Vinkenoog, die hem de ene lofuiting na de andere op de borst speld. Uit het hoofd citeert hij trots ‘welkom nieuwe Surinaams-Nederlandse dichter in de republiek der letteren die vele senioren, en senatoren, junioren en andere –oren telt waar ieder zijn zegje doet, en het soms ook echt toe doet’.

Zijn gedichten zijn veelal in het Sranantongo. Bij de vertaling in het Nederlands blijft de betekenis die hij aan het publiek wil overbrengen even krachtig. De odo, te kwi kwi wan pipa, en barba sa kon fu syi (wie niet waagt die niet wint) van de hand van Carlo is hier een goed voorbeeld van.

Zijn gedichtenbundel heeft hij in eigen beheer uitgegeven. Zijn werken omschrijft hij ‘met een vleugje romantiek geïnspireerd door mijn Afro-Surinaamse cultuur’. Hij bewondert de Surinaamse dichter Julius Defares, advocaat en volksdichter en noemt Faya Bro één van zijn diens meest bekende werken. Naast Carlo’s bed ligt standaard pen en papier. In zijn dromen krijgt hij woorden aangereikt die hij bij het wakker worden direct noteert. Een gedicht aan zijn moeder getiteld ‘Mama” omschrijft hij als een schilderij. Een portret in woorden.

[RNW]

Blaka Mira is op vrijdag 20 mei te horen bij de Vereniging Ons Suriname, Zeeburgerdijk 19a, Amsterdam. Aanvang 20.00 uur.

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter