blog | werkgroep caraïbische letteren

Birney Struggle Blues (1)

Moesson-hoofdredacteur Marjolein van Asdonck is genomineerd voor De Tegel, de belangrijkste journalistieke prijs van Nederland. Haar artikel over de Indische schrijver Alfred Birney, getiteld ‘Birney Struggle Blues’, maakt kans om uitgeroepen te worden tot het beste interview van 2011.

Marjolein: ‘Dankzij de nominatie komt zomaar ineens een Indisch verhaal uit de marge tevoorschijn. Dat raakt me dieper dan ik had gedacht. Ik beschouw de nominatie als een erkenning voor het verborgen verhaal van Indische Nederlanders en van andere minderheden.’

Het interview uit Moesson van april 2011 nemen we hier in afleveringen over. Mocht u erop willen stemmen voor de publieksprijs, dan kan dat via deze link. De uitslag is 16 april.


Birney Struggle Blues

door Marjolein van Asdonck

Alfred Birney. Hij debuteerde in 1987 met Tamara’s lunapark en is schrijver van een constante stroom proza; Indisch en niet-Indisch. Vorige maand verscheen het derde deel van zijn rivieren-trilogie: Rivier de Brantas.

Birney (Den Haag, 1951) is de man met de grote bek. Hij is kassar, hij is de si-Oudijck binnen het rustig voortkabbelende wereldje van de Indische literatuur, die zich tegen je keert wanneer je hem uitnodigt op een symposium. Hij maakte zich verschrikkelijk kwaad toen het boekenweekgeschenk tijdens de boekenweek in 1992 die als thema ‘’t Prachtig rijk van Insulinde’ had, naar A.F.Th. van der Heijden ging in plaats van naar een Indische auteur. En hij maakte zich in 2000 opnieuw kwaad toen het Nederlandse boekenweekgeschenk naar de Engelstalige Salman Rushdie ging. Hij weet het aan handjeklap tussen het CPNB en uitgeverij Contact die net een enorme som had geïnvesteerd in nog ongeschreven romans van Rushdie – kom op, was er nou echt geen Nederlandstalige schrijver die binnen het thema ‘Schrijven tussen twee culturen’ paste? Zijn giftige cybercolumns bundelde hij in zijn Yournael van Cyberney. En o ja, hij neemt er en passant ook nog de Werkgroep Indisch Nederlandse Letterkunde in op de hak. Twee jaar daarvoor,
in 1998, bezorgde hij een min of meer controversiële Indospectieve bloemlezing van Indische bellettrie. Controversieel omdat Birney elke keuzeverantwoording weigerde. Is dit echt dezelfde man die kwetsbaar proza als Bewegingen van heimwee schreef, als De onschuld van een vis, als Het verloren lied? Basic is een understatement. Birney leeft als een asceet. In zijn woning geen foto’s, geen frutsels, geen herinneringen. De twee gitaren – één met nylon snaren, één met stalen snaren – een tijdelijke luxe. Onze afspraak valt in de namiddag omdat Alfred ’s nachts schrijft. Mijn meegenomen fles wijn ligt eenzaam in de koelkast.
Waarom ben je zo, dat je mensen graag afzeikt?
Ik kwam als idealist de Nederlandse literatuur binnenwandelen. De jaren tachtig. Was een hele andere tijd. Je schreef eerst gedichten, dan korte verhalen, dan publiceerde je in literaire tijdschriften en op een gegeven moment kon je debuteren en dan ging je een tijdje zitten wachten op de recensies. Er waren geen toetsenborden en geen muizen, je moest met de hand schrijven. Daarna met de schrijfmachine, Tipp-Ex, daar leerde je echt van schrijven. Ik schreef Tamara’s lunapark, en journalisten zeiden: hè wat gek geen Indische roman. Toen kwam Indische roman nummer één, toen De onschuld van een vis en vroegen ze: waarom nu wel een Indische roman? Ik merkte dat er een soort apartheid heerste in de receptie van mijn werk. In Nederland. Een Indische schrijver moet blijkbaar over zijn Indische achtergrond schrijven om aan de verwachtingen te voldoen. Want ik kan je recensies laten zien uit België van De Standaard en De Morgen die bij het recenseren van De onschuld van een vis – Indisch – of Sonatine voor zes vrouwen – helemaal niet Indisch – het gewoon over Birney hadden, die keken naar de literaire inhoud. En daar ging het mij ook om, ik wilde literatuur schrijven.
Ben je na bijna 25 jaar milder geworden?
Niet milder, maar gematigder. Zo van: het kan me niet zoveel schelen. Het kan me eigenlijk helemaal niks meer schelen. Ik zit 25 jaar in het vak en ik weet nu wel hoe het in elkaar zit. De boekhandel is ook een handel.
Is het makkelijk om met jou ruzie te krijgen?
Met mij ruzie te krijgen. Even kijken hoor. Zo kom ik over hè?
Je hebt zo’n reputatie van enfant terrible.
Daar kom ik ook niet van af. Luister, er zijn bepaalde dingen die ik niet kan of die ik nooit heb geleerd. Ik heb in kindertehuizen gezeten en ik had een gewelddadige vader. Ik vluchtte op mijn zevende een keer naar de politie – die stuurde me gewoon terug naar huis. Ik ben er weggehaald; mijn tweelingbroer sliep inmiddels met een mes onder z’n kussen. Die ouwe had hem zo geslagen – mijn broer had gezegd: nog één keer en ik steek je overhoop. We waren dertien. Mijn vader was helemaal gek, die liep met zijn mariniersdolk door het huis. Hij was zo mata gelap, hij was gewoon getikt. En of hij getikt is geworden door de oorlog en de Japanners, of dat ie dat al was… Daar kom je niet meer achter. Dus thuis was het onveilig, op straat was het onveilig, want als Indisch jongetje moest ik me verdedigen tegen die enorme grote Hollandse jongens. En op school had je dat verborgen racisme, Indische kinderen kregen altijd lagere cijfers. We werden in één rij gezet, bij het raam, dan zaten we in de zon. Op het schoolplein haalden Hollandse jongens kattenkwaad uit, ik ook, maar de leraren zagen mij, want ik was bruin. Je ontwikkelt dan een bepaald gedrag. Ik moest altijd alert zijn, op school, op straat en thuis. Ik leed aan nachtmerries, ik was een overgevoelig kind.
Slaapwandelde je net als de hoofdpersoon in De onschuld van een vis?
Ja. Ik kom kassar over en lastig en grote bek en dwars, maar eigenlijk ben ik een verlegen, lieve jongen. Vanaf mijn dertiende kwam ik in een tehuis terecht. Er was een jongensvleugel en een meisjesvleugel. Ze werkten in die tijd met een zalensysteem, gebonden aan leeftijd. Maar er was geen plek en mijn broertje
en ik kwamen op zaal met jongens van achttien. Die sloegen je ook gelijk. Ik sprak
heel beschaafd, ik was toch een nette jongen. En daar zaten Rotterdammers en Hagenaars dus je moest ook plat praten en schelden. Ik had wel op een gegeven moment een gitaar.
Toen werd het minder moeilijk?
Ja. In die tehuizen heb ik een harde tijd gehad, daar leerde ik van me afbijten en schelden en schreeuwen en tieren. Ik was niet een van de domsten, dus ik hoefde niet altijd te vechten. Die jongens, ik lulde ze gewoon de hoek in zeg maar. Ik was wel dwars tegen de leiding omdat ze met bezopen maatregelen kwamen. Ik was opstandig, maar altijd met de tong. Ik uitte kritiek op het beleid en op de regels. Ik werd een provo. Ja ik was dwars, maar in die tehuizen kon ik dat zijn. Als ik iets tegen mijn vader zei, werd ik geschopt en geslagen. Maar in die tehuizen gingen ze de discussie aan totdat ze zeiden: nu moet je ophouden. En dan ging ik nog even door, en dan werd ik opgesloten in de isoleercel. Op mijn achttiende wilden ze me nergens meer hebben. Ik vocht niet – ik heb een keer een fles melk door de zaal gegooid, maar ja, toen hadden ze mijn gitaar gesloopt. Maar ik was geen vechtersbaas, ik was kritisch en daar konden ze niet tegen.

Vervolg, klik hier

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter