blog | werkgroep caraïbische letteren

Bigi yari Eddy Pinas, minor poet

Op 10 september wordt Eddy Pinas 70, bigi yari! Niet een dichter met een groot oeuvre, maar een minor poet: weinig geschreven en toch belangrijk. Een feestrede.
Het hele gepubliceerde werk van Eddy Pinas is zelfs voor een lang­za­me lezer in minder dan een half uur te lezen. Het omvat twee dicht­­bundeltjes, een verhaal en een handvol verspreide gedichten. Pi­nas behoort niet tot de categorie charlatans die hun geluk beproe­ven door een bundeltje op de markt te brengen en die vervol­gens verdwij­nen bij gebrek aan succes, en voor­al: bij gebrek aan een bood­schap en het talent om een bood­schap vormt te geven. Hij be­hoort even­min tot de categorie schreeuwers, zij die het liefst op­treden in zalen met een slechte akoestiek zodat het publiek niet hoort wat zij nu in feite zeggen, en die zichzelf aanprijzen als de grootste schrijver wan­neer zij met veel tam‑tam hun nieuwe boek aan­kon­digen. Dan is er de categorie (soms al te) bescheiden, maar meestal sympathieke dichters die schrijven omdat dat in hun wezen besloten ligt. Het zijn de perfectionisten, zij die ‘s avonds laat dezelfde beduimelde velletjes weer oppakken en voor de zoveelste keer een woordje doorstrepen en er een ander voor in de plaats zet­ten omdat zij niet tevreden zijn met de al door anderen gebruikte woorden. Het zijn de stillen, zij die aan de mouw getrokken moeten worden, hé, heb je nog iets?, en ja, in stilte hebben zij iets ge­wrocht dat de moeite waard is. Eddy Pinas behoort tot deze laatste ca­tegorie.
De eerste keer dat Eddy Pinas van zich liet horen, liet hij niet van zich horen. Want zijn eerste bundeltje verscheen onder een schuil­­naam. In 1973, in het heetst van de februa­ri­staking, kwam een bundeltje uit onder de titel Krawasi. Voorzover verzets­poëzie klas­siek kan zijn, was dit een klassiek uitgaafje: gestencild, slordig afgesneden, een om­slag­je met een snel geschetste tekening, twee niet­jes erdoor geramd en het bundel­tje is klaar om in de zakken van de revolutio­nairen gefrom­meld te worden. De schrijver noemt zich Fa­celess X, want, zoals hij in het voorwoord zegt, `ik heb name­lijk geen naam’ en `indien ik een gezicht bezat zou ik het nu moe­ten verber­gen uit schaamte’. Een curieus bun­deltje, dit Krawasi. In de open­bare biblio­theken zal de lezer er tevergeefs naar zoeken. Wie er nog een exem­plaar van bezit, kan er maar beter zuinig op zijn. Niet omdat elk ge­dicht nu van zo’n bijzondere kwaliteit is – verre van. Tenslotte is het poëzie heet van de naald, de woorden zijn in een woeste bewe­ging op het papier gesmeten, nuan­ceringen passen niet in deze context: Bespaar ons hen/roei ze uit/tot aan de kiem/plet ze de teelballen en/bespaar ons/hun nageslacht/zo die reeds/ontstaan mocht zijn/naar de pletterij ermee. Waar `die’ staat, had `dat’ moeten staan, maar deze poëzie is niet bestemd voor filo­lo­gen. Waar­om men dan toch zuinig moet zijn op dit bundeltje, is om­dat het ‘t po­ziedebuut van Eddy Pinas was, die zijn eigen poë­zie­ge­zicht eerst twee jaar later zou laten zien.
Dit gedicht uit Krawasi, geschreven twee dagen voor het bundeltje uit­kwam, wijst al vooruit naar de stijl van de poëzie uit Pinas’ la­te­re bundel.

Testament van een bedelaar

stoep Kirpalani 9 februari 1973

Dit is mijn laatste wilsbeschikking:
mijn slaapplaats ‑ onder het balkon ‑
laat ik na aan oom Hendrik
thans wonend in L.W.G.
met 4 man in een
kamer 3 x 3
de inhoud van mijn plunjezak ‑
1 broek, 2 borstrokken, 1 jas, 1 mok,
1 kam (nieuw), een partij
sigaretten eindjes,
7 dagbladen (februari 1969),
1 geërfde aansteker ‑ zult gij
delen onder de stoepbewoners
mijn wandelstok (Tamarindehout) gaat
naar de politie
mijn beurs ‑ exclusief 10 % pensioenpremie ‑
te delen onder eventuele
weduwen uit de strijd
mijn eergevoel
laat ik na aan de
regering van Suriname.

In het voor de Surinaamse literatuur uiterst lucratieve jaar 1975 verschijnt dan onder Eddy Pinas’ eigen naam het bij de Saraswati Press gedrukte bundeltje Te koop wegens vertrek, een cynische titel ge­zien de grote stroom emigranten die Zanderij in die tijd verlaten richting Schiphol. De thuisblijvers in Suriname zijn nooit mals ge­weest over de wegtrekkers, maar Eddy Pinas is een van de weini­gen die er literair vorm aan heeft gegeven. In een gedicht uit de nooit verschenen bundel Mi pasri, opgenomen in Te koop wegens ver­trek, luidt het:

met verkleumde teelballen
verlaten ze hun
kille vlieringen in Amsterdam

uit stijfbevroren kelen
schreeuwen zij leuzen (in Amsterdam)
langsheen hun jachtige ademhaling

in hun witte knoken torsen zij voort
tegenin windkracht acht
protestbordjes

nationalisme noemen ze dat
volk van Suriname
saluut voor uw helden overzee

Eddy Pinas selecteert een aantal elementen uit de werkelijk­heid, veel­al nogal scherp gemarkeerd taalgebruik zoals flarden uit de han­delswereld en staande uitdrukkingen, en rangschikt die tot een ge­heel dat ergens in het grensgebied van ironie en sarcasme gesitu­eerd kan worden. In het bo­venstaande gedicht grijpt de observatie nog di­rect in via zijn subjectieve weer­gave, met name in de bij­voeg­lijke naam­­woorden, pregnant naar voren komend. Maar, net als in `Tes­ta­ment van een bedelaar’ verschuilt de observator zich in het vol­gende gedicht achter de compositie van een aantal elementen uit de al­ledaagse werkelijkheid, `ready mades’ om met Marcel Duchamp te spreken.

Synthetische Nederlander

importprodukt uit de west
invoerrechten vrij
statistiekrecht en KLM verplicht
handelbaar exclusief BTW
copyright
Den Haag
1863
wandelende synthetische ik
in 1954
te Paramaribo (of elders)
gefabriceerd in licentie
binnenkort
importbeperking ‑ of verbod ‑
te verwachten

Ironie is sowieso niet royaal vertegenwoordigd in de Sranan lette­ren, maar de vorm die Pinas er aan heeft gegeven, lijkt me uniek.

We moeten ons echter niet vergissen in het uitgangspunt van de­ze poëzie. Het is niet een vrijblijvend schimpen dat de dichter be­weegt. Er is een fundamentele bezorgdheid om wat de toekomst zal brengen (ook dat is opvallend in het jaar 1975 dat zoveel ge­dichten voort­bracht van optimisti­sche strekking, het een al holler dan het an­dere). In de `Synthetische Neder­lander’ schetst Pinas een beeld van de Surinamer die alle elementen in zich verenigt waarte­gen Su­ri­na­mers in zichzelf hebben te vechten: kolonialisme, kunst­ma­tig­heid, gebrek aan eigenheid en aan zelferkenning. De poëzie is een mid­del om het karakterloze beeld scherp te stellen. Pinas is niet de ar­ro­gante ziener die zich boven het neokoloniaal Suriname ge­spuis stelt; hij weet dat sommige zaken altijd op de loer liggen, zoal niet altijd in ons aanwe­zig zijn en hij vreest de dag dat de balans op­ge­maakt zal wor­den: `Ik heb angst/angst voor de dag/­waarop ik voor hen/te­recht zal staan/­mijn kinderen’ enzo­voort. Het is ditzelfde be­sef dat de dichter de afsluiting van het gedicht `Oom Krisjan’ in­ge­ge­ven moet hebben. Dit gedicht is misschien het beste uit Te koop wegens vertrek, concreet, maar met een wijde strek­king, een aan­klacht tegen de kolonisering van lichaam en geest, een de­monstra­tie van hoe enga­gement en sensitiviteit kunnen samengaan. In de laatste re­gels is het ook een erken­ning van de eigen onmacht, de eigen laf­heid en in die erken­ning is het een moedig gedicht:

Oom Krisjan

naast het paard waarop
hij wedde sprak hij
met de walm van kokolanpu
in zijn adem
over Topibo
nu onterfd
geschonken aan imperialisten
zijn geest was reeds eerder
als exportprodukt geladen
in ijzergebuikte reuzen
zijn bezit ‑ voorzover hij
mocht bezitten ‑ werd versmolten
tot vliegtuigen voor Vietnam
zijn handen betekenden arbeid
voor hen
zijn hart bauxiet
zijn teelballen aluinaarde
geen aanklacht was het
slechts weemoed
en ik sloop weg

[De gehele tekst van Te koop wegens vertrek is hier on line te raadplegen.]
on 27.08.2009 at 17:56
Tags: /

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter