blog | werkgroep caraïbische letteren

Bea Vianen: lezing 15/3 /2019 in Vereniging Ons Suriname, Amsterdam

door Hugo Fernandes Mendes

Dames en heren, Het overlijden van Bea Vianen op 6 januari dit jaar – in een periode waarin ook andere schrijvers zijn heen gegaan – heeft wel wat losgemaakt, er is veel geschreven over haar leven en wat ze heeft betekend. Haar lichaam lag in Paramaribo in de Congreshal opgebaard, dat overkomt maar weinig Surinamers, en onder meer Jerry Dewnarain hield een toespraak die via internet raadpleegbaar is.

Foto © Michiel van Kempen

John Janssen van Galen was een van de scribenten die een necrologie schreef. Hij interviewde haar al in 1972, heel ongemakkelijk, toen in haar huis in de Bijlmer voor de Haagse Post: ‘Ik moest mijn boeken schrijven om niet aan heimwee kapot te gaan’. Heimwee lijkt een centraal begrip in het leven van Bea te zijn geweest. Franc Knipscheer, haar oude uitgever die ook na al die jaren met gemengde gevoelens terugkeek op zijn ervaringen met Bea; Laurens JZ Coster in zijn Poëzieblog ; Thomas van de Veen in de NRC. Het Nederlandse Letterenfonds; en natuurlijk Michiel van Kempen in de Groene Amsterdammer als de grote kenner van Bea. Michiel kende Bea al vele jaren, in zijn boeken treffen we Bea vaak aan met bijdragen. Michiel verhaalde dat hij Bea, samen met Els Moor, nog in 2010 had opgezocht enigszins verschrikt door de omstandigheden waaronder Bea in Commewijne haar laatste jaren doorbracht. Maar dat werd deels goedgemaakt begrijp ik door een diner waar Bea blij mee was. Er is nog meer verschenen ter nagedachtenis van Bea die in 1957 op 23 jarige leeftijd naar Nederland kwam, en op haar 83ste overleed. De werken van Bea zijn goed vindbaar en intensief bestudeerd, vooral haar meesterwerk Sarnami hai trok de aandacht o.m van Jos de Roo die hier een studie aan heeft gewijd.

Ik heb de afgelopen periode veel van en over Bea gelezen. Ze was beroemder dan ik wist. Ik zei al dat Bea de eerste Surinaamse vrouw was van wie een Nederlandse uitgeverij een roman uitgaf. Ze gaf het startschot voor de Nederlandse literaire aandacht voor Suriname. Zij behoort tot de belangrijkste Nederlandstalige Caribische schrijfsters van de jaren zeventig. Haar productiefste periode was tussen 1969 en 1979 waarin ze in hoog tempo vijf boeken schreef. Haar eerste literaire geschrift dateert van 1962 verschenen in het tijdschrift Soela, en heet: ‘Terug naar Bethel’. Het is een mooi geschreven tragisch liefdesverhaal dat van alle tijden is. Christina wordt wakker na een doorwaakte nacht waarin ze tevergeefs op haar geliefde Livio heeft gewacht. Toen de postbode een brief van Livio bracht kon Christina van verdriet nog nauwelijks op haar benen staan om de deur te openen: “ Lieve Christina, het spijt me maar ik twijfelde eerst, later dacht ik dat ik van je hield, Bethel, ik houd niet meer van je…. Het duizelde Christina. Livio?… Livio!. Als door een pijl met curare getroffen zonk ze in elkaar.”

Hugo Fernandes Mendes in de VOS, 17 maart 2019. Foto © Michiel van Kempen

In Soela verscheen in die beginperiode ook een aantal mooie gedichten. In 1965 volgde het dichtbundeltje Cautal en in 1968 volgden drie gedichten in De Gids. En een jaar later in 1969 haar beroemde: Sarnami, hai, Suriname : ik ben. In 1971: Strafhok; in 1972 Ik eet, ik eet tot ik niet meer kan; in 1973 Het paradijs van Oranje; in 1975 Liggend stilstaan bij blijvende monumenten, in 1979 Geen Onderdelen. Daarna tot grote treurnis van velen geen boeken meer, wel dichtbundels. In 1986 ‘Over de grens’ en in 1989 ‘Op het laatst krijgen we met zijn allen Donderop’.
Zij was als schrijfster een pionier. Zij was de ongrijpbaar gebleken Surinaamse vrouwelijke stem in de Nederlandse literatuur. Een van haar voormalige partners, de schrijver Hendrik van Teylingen die haar naar Suriname was gevolgd schreef een boek over die periode De huilspiraal over hun relatie. Bea werd door Hendrik in dit boek opgevoerd als Wonnie of soms liefelijk als ‘wonnepon. ‘ Wonnie is Wonnie. Probeer niet in haar menselijke achtergrond te dieken… Ze is zo uit een wolk in de Surina-merivier gevallen, uit een donderwolk als je dat liever hebt, en door een blaka-tara op de kant gehaald.’
Bea is vaker ongrijpbaar genoemd, wilde niet over zichzelf praten. Sommige opvolgers voelen zich schatplichtig aan haar. Astrid Roemer droeg een aantal jaren geleden haar toen net verkregen PC Hooftprijs aan haar op.

 

Bea Vianen, 9 september 2008. Foto © Peter Meel

Wie was nu eigenlijk Bea Vianen en wat dreef haar? Wat was haar relatie tot haar geboorteland?
Van Kempen eindigt zijn necrologie in de Groene Amsterdammer met: Sarnami , hai ik ben: Bea is Suriname. Bea is Suriname. Waarom, in welk opzicht? John Jansen Van Galen en anderen memoreren een haat-liefdeverhouding dat ze had met Suriname. Ze was kritisch over de verstikkende cultuur, de maatschappelijke verhoudingen en de etnische scheidslijnen. ”Gaat u terug naar Suriname “, vroeg een journalist? “Nee, in Suriname leven de mensen in een middeleeuwse toestand. Dat is voelbaar en benauwend”. Bea sprak ook over de agressie die ze ondervond uit haar geboorteland. “Het is begrijpelijk dat mensen in nood hun agressie richten tegen iemand die hun ziektebeeld verduidelijkt”. Suriname was een Strafhok met gesloten kamers voor de verschillende etnische groepen. “Klein achterlijk land; laffe mensen; onwetende mensen,” zijn teksten die je tegenkomt in haar tweede roman: Strafhok. Om haar vrijheid te vinden moest ze uit dat strafhok waar de cultuur van angst heerste, ze moest ontsnappen en migreren naar Nederland. Maar Nederland bleek ook geen paradijs, integendeel. Ze moest daar weg. Ze ging reizen naar Suriname terug naar Nederland. Omzwervingen in Bolivia, Peru, Columbia, Venezuela en Ecuador van waaruit ze soms gedichten schreef voor de Avenue. Die landen waren ook geen succes. En uiteindelijk de definitieve terugkeer naar Suriname. Haar land inderdaad, dat was toch haar keus ondanks alle kritiek. Het land ook waarin ze overleed. Waarom was Bea zo rusteloos en ongrijpbaar? En misschien, niet altijd gelukkig? Thomas van Veen zegt in de NRC ik citeer: “Het schrijvende leven kostte Vianen haar sociale omgeving en haar geestelijke gezondheid, zoals ook gebeurde met thematisch verwante Surinaams-Nederlandse auteurs Edgar Cairo en Astrid Roemers.” Ik vind dit een nogal verregaande uitspraak. Klopt dit wel? Ik heb geen reacties gelezen op deze uitspraak.

Welke kenmerkende typeringen worden aan de poezie en proza van Bea toegedicht? Haar werken zouden in ondertoon gebaseerd zijn op persoonlijke ervaringen en belevingen, haar achtergrond en cultuur. Sterk autobiografisch. Ze was op zoek naar vrijheid, maar achtervolgd door gevoelens van angst, verwarring en vervreemding. Wim Rutgers noemt haar een vechter voor vrijheid tussen vaderland en moederland. Op een Vlaamse site vond ik dat Bea zich in haar werk steeds afvroeg waarom Suriname niet kan uitgroeien tot een volwassen democratisch land. Toen al. Strijder dus ook voor een rechtvaardiger samenleving zonder de etnische gelaagdheid die de politiek decennia heeft gedomineerd.
Kun je uit de boeken van Bea destilleren wat haar verhouding met zichzelf was en de samenleving. In hoeverre waren haar boeken en gedichten autobiografisch, of, vertellingen? Wie zal het zeggen?
Maar het antwoord op de vraag wie Bea was volgt ook wat mij betreft na lezing van Sarnami hai. Ze was een parel, een diamant voor de schrijfkunst en een verrijking voor de Surinaamse en de Nederlandse literatuur. Met en door haar werken zal haar nagedachtenis nog vele decennia levend worden gehouden.

 

Herdenking van vijf schrijvers bij de Vereniging Ons Suriname, 17 maart 2019. V.l.n.r. Raj Mohan, Hugo Fernandes Mendes, Geert Koefoed, Michiel van kempen, Tanja Jadnanansing, Rabin Baldewsingh, Ronald Snijders. Foto © Aafke Huizinga

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter