blog | werkgroep caraïbische letteren

Bea Vianen, of: schrijven in Suriname

Astrid H. Roemer herleest Bea Vianens Srafhok en maakt kennis met diens Sarnami, hai. Het blijkt een even bevreemdende als herkenbare ervaring. Bevreemdend vanwege de reproductie van stereotypen over de Surinaams-Hindoestaanse gemeenschap. Herkenbaar omdat het, zoals ook in haar eigen werk, er uiteindelijk om draait ‘dat er in Suriname welbeschouwd geen Surinamer is die niet onophoudelijk geplaagd wordt door de gedachte het geboorteland te moeten verlaten.’ Een pleidooi voor de autonomie van de tekst én de noodzakelijkheid je te verdiepen in de plaats en tijd van schrijven.

door Astrid H. Roemer

Hoe waar te maken dat zij mij heeft bemoedigd? Hoe haar romans te beoordelen zonder haar tekort te doen? Hoe uit te leggen dat ik er niet van houd om werk van fictie-auteurs te bespreken? Ik beken. Ik heb niet lang geaarzeld bij het verzoek Sarnami, hai en Strafhok te bespreken. Bea Vianen leeft niet meer. Haar kinderen en kleinkinderen horen bij haar erfgoed. Zij zijn echter niet verantwoordelijk voor het inhoudelijk literaire nalatenschap van hun moeder. Dat is een geruststellende gedachte.

Is het noodzakelijk iets te weten van een auteur en – zeker als het een Surinaamse auteur betreft – ook basale informatie te hebben over het land van herkomst? Ik heb altijd gedacht dat een roman volledig op eigen kracht kan floreren zonder last te hebben van gebrek aan relevante autobiografische kennis van de auteur. Zo schrijf ik. Zonder enig soort leespubliek in gedachten.

Maar ik krijg ongelijk. Een op zich mooie bespreking door Bo van Houwelingen van mijn laatste roman in de Volkskrant verschijnt onder de titel ‘Met DealersDochter bewijst Astrid Roemer dat ze niet voor niets een veelbekroond schrijver is’, maar begint met een bevreemdende introductie: ‘Het is moeilijk voorstelbaar dat Astrid Roemer (1947) tot een paar jaar geleden een bijna vergeten auteur was. Na een lange lijst publicaties in de jaren tachtig en negentig (waaronder Over de gekte van een vrouw uit 1982, waarmee Roemer doorbrak) verscheen er in de jaren daarna bijna niets. Geplaagd door paranoia leefde ze jarenlang afgelegen in de Schotse Hooglanden, of trok ze met een rugzak en haar katten door Europa.’ Alsof ik een jaren tachtig-auteur ben! Ik ben uiterst actief geweest in de jaren negentig en sinds de eeuwwisseling, heb drie romans van samen duizend pagina’s geproduceerd, ben cum laude afgestudeerd in Humanistische Studies, heb een goedverzorgd periodiek opgezet, samengesteld en als hoofdredacteur uitgegeven voor een professionele instelling, alles in de jaren negentig; en ik hield voordrachten in het land. Ik was er, kortom, maar werd even niet gezien door Nederland. En wat moet je in zo’n geval dan denken van wendingen als ‘is DealersDochter het bewijs dat Roemer gek/fout is?’ en ‘Astrid Roemer is nooit van de radar verdwenen’? Bazuint men zulke dingen ook rond wanneer een autochtone Nederlandse auteur een tijd gaat wonen en werken buiten Nederland en er politieke meningen op na durft te houden? Zou het kunnen dat ik de psychische ravage van Vianen, Cairo en Ramdas nu op mijn bord geschoven krijg?

Welbeschouwd is de enige vrijheid die telt die van de gedachtewereld.

Het is aan te raden preciezer om te gaan met het boek van een auteur uit een ander land dan Nederland. Zo kan recensent Van Houwelingen ook niet begrijpen dat er in Suriname welbeschouwd geen Surinamer is die niet onophoudelijk geplaagd wordt door de gedachte het geboorteland te moeten verlaten. Het DealersDochter-personage Brandon uit het Amazoneregenwoud kent dat ook. Misschien is het in ons DNA gekropen als overlevingsstrategie. Zo’n gevoel is manifest en latent tegelijk en beweegt mee met de omstandigheden in het land. En die omstandigheden hoeven niet eens politiek te zijn!

Lezend overbruggen

Sarnami, hai van Bea Vianen heeft dat ook. Haar hoofdpersonage Sita krijgt steeds vaker en intensiever de gedachte haar problemen te ontvluchten door naar Nederland te vertrekken. Het houdt haar evenwichtig. En haar levensverhaal beweegt zich tussen het verlangen te willen gaan en de realiteit van het moeten blijven. Het is het verhaal van een tienermeisje dat haar weg moet zien te vinden in Paramaribo, de kuststad van Suriname en een gehucht dat mettertijd multicultureler is geworden dan in Bea Vianens tijd van leven. Sita is Hindoestaans en gaandeweg maakt Vianen duidelijk wat dat betekent voor iemand die nog zo’n kind is. Beter gesteld: voor zo’n meisje op de drempel van de volwassen wereld. Het betekent dat jouw bloedverwanten meebepalen welke keuzes je maakt, dat zelfs verbrokkelde familiestructuren als hinderpalen kunnen opduiken en dat verliefd worden taboe is. Welbeschouwd is de enige vrijheid die telt die van de gedachtewereld, en Sita denkt erg veel na over zichzelf en haar positie binnen de familie. En omdat ze ook nog een slimme meid is, trekt zij constant de machoconstructies in twijfel. Ze vertrouwt geen enkele volwassen man en zoekt steun bij de vrouwen in haar omgeving, waaronder haar studievriendinnen – maar de vrouwen hebben mannen die in haar ogen geldwolven zijn; bedriegers, zuiplappen en nog erger: hindoe- en moslimmannen mishandelen hun vrouwen en hun kinderen. Vooral hun dochters.

Ik moet lezend overbruggen, wat geen teken is van onverschilligheid maar een gevolg van etnisch-culturele verdeeldheid in het geboorteland van mij en Vianen.

Het is de eerste keer dat ik deze roman van Vianen in handen heb en aandachtig lees en ik voel mij meteen buitenstaander. Ik moet de neiging onderdrukken mij met iets anders bezig te houden dan het volgen van Sita in een milieu dat mij tegenstaat. Ik ben niet bekend met het soort relaties en de contacten die Vianen beschrijft. Ik ken de straten en buurten die ze beschrijft ook niet. En om eerlijk te zijn: nooit ben ik echt in relationele zin vriendschappelijk in contact gekomen met hindoe- en moslimmannen en -jongens. Ik moet lezend overbruggen, wat geen teken is van onverschilligheid maar een gevolg van etnisch-culturele verdeeldheid in het geboorteland van mij en Vianen. Ik lees trager. Onderbreek mijzelf vaker. Denk aan de Hindoestaanse schoolvriendinnetjes die ik had. Zie hun stilzwijgende moeders in gedachten. Hun knappe broers die toekeken hoe wij fluisterend huiswerkproblemen oplosten. Mij is zeker niet ontgaan dat Sita ook zoekt naar verwanten die verdwenen zijn, naar volwassenen die ze kan vertrouwen. Haar moeder, bijvoorbeeld, die uit haar bestaan is verdwenen op een wijze die haar onrustig maakt. Zo rauw begint de roman. En hoe zij kijkt naar haar creoolse vader die ingetrouwd is en zijn waardigheid maar niet kan ophouden tussen de ‘gluiperige Aziaten’.

Tegenwoordig kan Sarnami, hai met nostalgie worden gelezen als een ontwikkelingsroman uit een tijd die voorbij is maar nog warm aanvoelt.

Het eerste hoofdstuk van Sarnami, hai is het mooiste. Het is een ruwe confrontatie tussen Sita en een oudere Hindoestaanse vrouw die volgens Sita weet waarom en hoe haar Hindoestaanse moeder is weggemaakt. Prachtige pagina’s zijn het, die de roman even doen ontglippen aan de sfeer van het stereotypische. Want ja, ik kom te veel stereotypen tegen, ook in deze herziene versie van Vianens debuutroman, wat ooit mijn reden is geweest om het verhaal van Sita jaren geleden niet uit te lezen. Ik dacht: met mijn eigen romans zal ik vooroordelen bestrijden door mijn personages te individualiseren! Ik begrijp echter dat jonge meisjes uit genoemde milieus van Surinaamse Aziaten momenteel veel herkenning vinden in Sarnami, hai. Er is immers zoveel veranderd. En dankzij de vlucht van honderden families naar Nederland heeft de emancipatie van Hindoestaanse jongeren en hun ouders een enorme sprong gemaakt naar meer gelijkwaardigheid tussen de seksen, al ging dat niet zonder pijn, moeite en behoorlijk ernstig huiselijk geweld. Tegenwoordig kan Sarnami, hai met nostalgie worden gelezen als een ontwikkelingsroman uit een tijd die voorbij is maar nog warm aanvoelt. Het is toch zo aangenaam om jezelf geprojecteerd te zien in de literatuur van goede schrijvers! Toen het boek verscheen in 1969 hebben Surinamers van Hindoestaanse komaf in Nederland en Suriname deze moedige schrijfster ‘verstoten’. Zij voelden zich, zogezegd, door haar ‘beledigd’. Ik ken dat. Onze landgenoten zijn van mening dat een auteur geen grenzen mag overschrijden om de machomacht te bevragen. En een Surinaamse vrouw die fictie publiceert is sowieso al ‘niet goed wijs’. Blij ben ik daarom dat deze uitgave een nieuw publiek vindt.

Meer stereotypen

Strafhok van deze auteur heeft mij meer geboeid. Vianen verbreedt daarin de etnisch-culturele optiek. Ook de geografische ruimte is minder benauwend. Deze roman las ik voor het eerst ruim een jaar geleden. Moeiteloos vloog ik er doorheen, wellicht omdat het milieu van jonge onderwijzers mij niet vreemd is en ik nota bene de plaats ken waar Vianen haar personages heeft gestationeerd. Het perspectief is dat van een Hindoestaanse jongeman die een dienstwoning deelt met een collega-leerkracht die homoseksueel is. Het gaat om een dorpsschool in het bauxietgehucht Moengo en de kennissen van de leerkrachten zijn vooral ook, net als zij, gedetacheerde ambtenaren: stadsmensen die een tijd buiten Paramaribo moeten werken. ‘Districtsjaren maken’ heet dat, en de gesprekken die zij met elkaar voeren om de sleur te doorbreken zijn niet bepaald gemoedelijk, aangezien niemand  zich echt thuis voelt tussen de stofwolken van de bauxietmijnen.

Strafhok is door Vianen wederom vanuit stereotypen opgezet. Zelfs de onderwijzer is een karikatuur van een homo: een dusdanig gefrustreerde man dat hij uiteindelijk zelfmoord zal plegen. Het interessantst zijn de liefdesescapades van de Hindoestaanse meester Nohar Gopalraj, die swingt tussen een Javaanse en een Hindoestaanse. Met beide jonge vrouwen maakt hij halve huwelijksplannen, zonder het daadwerkelijke voornemen die met een van hen waar te maken. Vianen beschrijft het geflirt geloofwaardig en uiterst sensueel.

Sarnami, hai en Strafhok zijn onmiskenbaar Surinaams. Vianen heeft de wezenlijke problematiek van een kneuterige, postkoloniale samenleving vertaald naar stereotiepe perspectieven.

Als een breuklijn loopt door deze roman een politiek conflict van landsambtenaren versus de overheid. Beide leerkrachten voelen zich geroepen zich te mengen in de controverse die groeit en die leidt tot een enorme staking. In Paramaribo is het onrustig. Vianen heeft goed begrepen dat stakingen in ons land worden gebruikt als breekijzers; overleg helpt niet, oplossingen worden niet gevonden. Onlangs nog brak in de binnenstad van Paramaribo uit wat Vianen beschrijft in Strafhok: een wilde en enorme protestdemonstratie met vernielingen van winkels en overheidsgebouwen. Was in Sarnami, hai het bloedverwantschapsnetwerk het hok waaruit Sita moest zien te vluchten, in Strafhok gaat het om etnisch-culturele beperkingen van de Hindoestaanse jongeman en zijn schijnbaar onbeperkte macho-mogelijkheden. Vianen laat tevens rauw zien hoe het conflict dat de naar erkenning zoekende homoseksuele onderwijzer vanwege zijn geaardheid heeft met zijn moeder en anderen, hem uiteindelijk isoleert en doodt. En ja, homoseksualiteit is nog steeds een heet hangijzer in de Surinaamse gemeenschap. Dan de partijpolitieke werkelijkheid waar burgers zich maar niet in kunnen herkennen, de toenemende spanning tussen bestuurders en jongeren. Vianen laat alles samenvallen in de stadskern van Paramaribo, tussen witgepleisterde overheidskantoren, als een rommelige vernieling die niets oplost. Net als president Santokhi na de recente rellen duidelijk maakte dat er arrestaties zullen volgen, neemt Vianen mij mee naar de angst die haar personages voelen vanwege hun deelname aan de protestmars. Bedoel ik te zeggen dat bij ons in Suriname in werkelijkheid alles onveranderd is gebleven?

Het zwijgen van Vianen

Sarnami, hai en Strafhok zijn onmiskenbaar Surinaams. Vianen heeft de wezenlijke problematiek van een kneuterige, postkoloniale samenleving vertaald naar stereotiepe perspectieven. En zij heeft het daarbij gelaten. Geen uitweg gevonden. Ook dat is Surinaams.

Waar ik met mijn personages naar openingen zoek en die zelf forceer, zwijgt Vianen. Misschien heeft juist het feit dat zij maar geen uitweg zag haar wanhopig gemaakt. Zij is uiteindelijk geen strijd aangegaan met onze kolonisator en diens werkelijkheid, zoals ik wel heb aangedurfd. Het heeft mij ruimte gegeven om te blijven verbeelden, te vechten en te dromen. De littekens neem ik op de koop toe. De pijn houdt op bij prestigieuze literaire prijzen. Mijn landgenoten houden van ‘overleden auteurs’: wie durft in leven te blijven, gezond en wel – en schrijvend en publicerend, zoals ik – wordt verdacht gemaakt en genegeerd! Hoeveel intelligente auteurs en hun romans kan het Surinaamse volk aan?


Besproken boeken

Op maandag 24 april spreekt Astrid H. Roemer in het kader van ‘Publieke Intellectuelen’ in De Balie over het werk van Bea Vianen.

[overgenomen uit De Nederlandse Boekengids, [april] 2023]

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter