blog | werkgroep caraïbische letteren

Balans: Arubaans letterkundig leven (16)

door Wim Rutgers

04.1. Aruba arubanissima

Rond het ingaan van de status aparte in 1986 ontstond er een golf van gedichten die het eiland en zijn bezongen in allerlei toonaarden, een verschijnsel dat sedertdien op hoogtijdagen een vast thema is gebleken in de lokale letteren. Henry Habibe (2014) wijdde in zijn Aruba in literair perspectief een laatste hoofdstuk aan ‘Traditionele schrijvers van de jaren zeventig’. Die karakteristiek is ook op veel als ‘literatuur’ gepresenteerd werk van rond en na de status aparte van toepassing: traditioneel zowel van inhoud als van vorm, waarbij de clichékast vaak ver geopend werd. Het was een poëzie van het gemakkelijke succes. Er was in dit soort ‘literatuur’ maar weinig bij dat kon bogen op originaliteit, wat toch een vereiste is voor alle literatuur. Op Aruba was niet alleen de navelstreng van de dichters begraven, maar het leek er in hun gedichten op dat het eiland zélf ook de navel van de wereld was. Nationalisme en chauvinisme voerden hoogtij: Aruba arubanissima!

Aruba Casibari rotsformatie

Aruba, Casibari rotsformatie

 

Enkele auteurs, als Tochi Kock, Philomena Wong en Francisco Pardo wendden zich nogmaals naar de geschiedenis van het eiland, in het bijzonder het Indiaanse verleden ervan. Het betekende een derde fase van het ‘indianisme’ zoals dat zich al eerder rond het Statuut van 1954 en na de Curaçaose revolte van Dertig Mei 1969 had gemanifesteerd.

Een aantal auteurs toonden hun trotse Arubaan-zijn in nationalistisch werk dat het eiland in geuren en kleuren beschreef, zoals Tomas Figaroa, B. Joung, Augusto Esteban Croes, en Clarette Quandus. Het genre van de eilandverheerlijking zou een vast thema worden rond de Dia di Himno y Bandera, de jaarlijkse nationale feestdag op 18 maart, met declamatie op Plaza Libertador Betico Croes, op radio en televisie en in de lokale bladen. Hun nationalisme was over het algemeen groter dan hun literaire kwaliteit. Toch is het wel juist hier even bij stil te staan omdat het verschijnsel een onlosmakelijk deel is van onze orale en geschreven geschiedenis. Wat echter stoort is de obligate inhoud en het clichématige taalgebruik, maar de rijmelaar weet dat hij juist daarmee de handen op elkaar krijgt in enthousiast applaus van het publiek.

Andere auteurs beleven hun nationalisme vooral in de verdediging van de nationale taal en zijn etymologische orthografie, zoals Tomas Figaroa. Nostalgie is een van de historische realiteit losgezongen terugkerend thema met haar verlangen naar het eiland van weleer, dat hoewel eenvoudig of zelfs armoedig, toonbeeld was van gemoedelijkheid, levenskunst en tevredenheid.

De derde golf van het ‘indianisme’
Volgens Tochi Kock: Aruba – e leyenda di su nomber (1986) verklaarden de Spanjaarden het eiland Aruba al snel als ‘isla inutil’ omdat er geen goud gevonden werd. Als de naam Aruba dus nogal eens wordt uitgelegd als ‘oro hubo’ – er was goud – dan is dat onmogelijk, aldus Tochi Kock, omdat er pas in 1824 het eerste goud op het eiland ontdekt werd. Philomena Wong daarentegen laat de grotten, de kokolishi’s in de zee, de hele natuur ‘o-r-o-u-b-a-o’ murmelen, waaruit het ‘oro ubao’ gevormd wordt dat over het eiland weerklinkt. Het was de kolonisator die de naam tot Aruba verbasterde.
De twee werken van Kock en Wong demonstreren een compleet tegengestelde houding ten opzichte van het Arubaan zijn. Waar de eerste de Arubaan als puur blank karakteriseert, propageert Wong juist het multiraciale en het multi-culturele, de creolisering als kenmerkend voor het moderne Arubaanse volk. De eenheid wordt volgens haar in de gezamenlijke taal – Papiamento – gevonden. Francisco Pardo: E solo di e Caiquetionan (1998) is niet meer dan een zwakke echo van een genre dat zijn creativiteit overleefd inmiddels heeft. Protest tegen de indiaanse genocide is ook te vinden bij B(ertrando) Joung Fat (Aruba 1936) die in Na tres Rubianita (1986) Papiamentstalige gedichten publiceerde en in Aan de horizon deelt zich de zon en Jaarringen (z.j.) Nederlandstalige. Jaarringen bevat eenvoudige gedachten over leven en liefde, over het eiland of Nederland, maar ook een protest tegen de Indiaanse genocide.

 

E solo di e Caiquetionan

Rotstekeningen
Arikok, Aruba

De Indianen
zij waren er al
heel lang voordat
ze ontdekt werden
De Indianan
zij zijn er lang
niet meer nadat
ze ontdekt werden.

Tochi Kock
Tochi Kock’s opmerkelijke verhaal Aruba; e leyenda di su nomber is nog een schoolvoorbeeld van de traditionele ‘literatura indianista’, het verheerlijken van het volstrekt harmonieuze pre-koloniale leven van de Indianen, en van ongeremd chauvinisme en ingenomenheid met alles van en in het eigen land. Aruba ontleent zijn naam aan de Cacique Arua die zich in het begin van de jaartelling op het eiland vestigde en er stierf. Kock’s vertrekpunt is de mythe van de zuivere Arubaan die afstamt van de Indianen, vermengd met Spaanse kolonisatoren en andere Europeanen. Uit die menging ontstond ‘een ras van mannen met een knap uiterlijk voorkomen en vrouwen van uitzonderlijke schoonheid.’

Tochi Kock herschrijft de ontdekking van het nog onbevolkte Aruba, niet door de Spanjaarden, maar door de Indianen zélf in de maand juni van het jaar 88 na Christus. Hij kiest daarvoor een vorm die alludeert op het bijbelse scheppingsverhaal. Hij weet exact welke route de Indianen van dag tot dag over het eiland volgden. Elke dag besluit hij met ‘asina e di .. anochi a pasa’ – zoals ook de Bijbel in het scheppingsverhaal elke avond en morgen nauwkeurig vermeldt. De zevende dag rusten de Indianen en ze vertrekken vervolgens weer naar Venezuela. ‘I asina a sucede’ – en zo is het geschied! Eind 89 vestigen de eerste Indiaanse krijgslieden-veroveraars zich permanent op het eiland.
In het jaar 113 vestigt de cacique Arua zich op 63-jarige leeftijd op ‘zijn’ eiland te Corobori en te Paradera. De bevolking breidt zich gestaag uit en woont in de buurt van zoetwaterbronnen waar nu het centrum van Oranjestad is en bij Fontein. Het leven van Arua, Corobori, Turibana, Camacuri, Guadirikiri, Marubana, Huliba, Urirama, Malmok en Tibisay met vele anderen zou een droom op het paradijselijke eiland zijn als niet de wrede Cariben een voortdurende bedreiging vormden. In het jaar 119 wordt een invasie bij Basiruti afgeslagen, maar in het jaar 128 worden er niet minder dan veertig vreedzame Caiquetio-krijgers gedood.

Drie thema’s zijn in deze vertelling literair interessant. De gedachte dat de hedendaagse topografie van het eiland ontleend is aan namen van Indiaanse caciques en de idee van wat in de Spaanse Caraïben wel het ‘siboneyismo’ gekarakteriseerd wordt: het paradijselijke leven van de vreedzame Arawaks wordt verstoord door de wrede mensenetende Caraïben. Dat is wat anders dan de koloniale inbreuk op de harmonie die we bij andere auteurs aantreffen. Maar het interessantst is de verzoening die tot stand gebracht wordt tussen christendom en heidendom, waarmee de rol van de koloniale Spaanse indringer geherwaardeerd moet worden. In de verheerlijking van het Indiaans verleden in de ‘literatura indianista’ was niet verdisconteerd dat die pre-columbiaanse Indianen nog heidenen waren.
Hoe vallen de Indiaanse droom en rooms-katholieke beginselen te verzoenen? De Spanjaarden komt de eer toe de Arubaanse bevolking tot het christendom bekeerd te hebben.
In het jaar 130 sterft cacique Arua op tachtigjarige leeftijd. Hij wordt volgens zijn wens in zijn cunucu begraven, waar nu het kerkhof van Paradera is. Op de plaats waar hij woonde staat nu de kerk. Daarmee is dit derde thema, hoewel niet uitgewerkt, toch aangegeven: de Christelijke godsdienst zal later de plaats innemen van de heidense beginselen van de Indianen. De kerk wint! Dat motief werd in 1963 in het toneelstuk Maria di Ser’i Noca bijvoorbeeld ook al aan de orde gesteld. In de inleiding tot Maria di Ser’i Noca wordt uitgebreid verteld hoe de kerk van Santa Cruz zich op de plaats bevindt waar een cacique van de Vaste Wal, Golmir, in het begin van de Arubaanse geschiedenis een kruis heeft geplant voor de Arubaanse cacique Simas. Een Spaanse priester die met Golmir was meegekomen, droeg er de eerste mis op en doopte er het Indianenmeisje Maria di Ser’i Noca.

 

Barte Bremo Un Pirata bucanero-500x500

In 2004 publiceerde Tochi Kock het prozawerk Bart Bremo un pirata, bucanero, o … comerciante? Hij gaat daarin terug naar de geschiedenis van het eiland en de migratie van zijn eigen voorouders rond het Engelse tussenbewind op het eiland van 1807-1816. Hij vertelt hoe zijn hoofdpersoon Bart Bremer op het eiland letterlijk verzeild raakte en het eiland definitief tot zijn huis maakte.
Na de Indianen zijn alle op het eiland wonende Arubanen in feite allemaal immigranten die zich hier definitief gevestigd hebben. Met dit standpunt verdedigt Kock een proces van creolisering dat heeft plaatsgevonden vanaf de vestiging van de eerste migranten, maar waaraan jammer genoeg vele buitenlanders sinds de Tweede Wereldoorlog niet meer willen participeren. Zo is zijn werk zowel een pleidooi als een protest tegen immigranten die zich niet aan de Arubaanse traditionele cultuur willen conformeren.
Dat hij zijn betoog in verhaalvorm giet met een mengsel van historische werkelijkheid en fantasie maakt het mogelijk het hier op te nemen, al zijn de verhaalde gebeurtenissen geen persoonlijke ervaringen van de auteur, zoals die van andere persoonlijke herinneringen, maar over zijn verre voorouder die naar het eiland kwam als migrant.

Philomena Wong

Philomena Wong

Philomena Wong

Philomena Wong geeft met haar lange epische gedicht Na caminda pa independencia (1986) een historische schets van de strijd om de status aparte met een duidelijke boodschap van integratie. In dit gedicht is alleen maar even van literatura indianista sprake als er gesproken wordt over het pre-columbiaanse Aruba. Maar direct daarop wordt het ontstaan van een multiculturele samenleving benadrukt, die aanvankelijk echter nog wel segregatie kent door de opstelling van de kolonisator die een verdeel-en-heers-politiek voert en die een ontwikkeling alleen ten dienste van de elite voorstaat. Na de hoogtepunten van de strijd om de status aparte wordt tenslotte een nieuwe toekomst benadrukt van het nieuwe multi-raciale en multi-culturele Aruba.
Daarmee verkent de blik, die decennia lang zo nostalgisch op het Indiaanse verleden gericht was, de toekomstmogelijkheden van het nieuwe Aruba met zijn status aparte. De ‘literatura indianista’ is historie.

Francisco Pardo

Francisco Pardo

Francisco Pardo

Als afsluiting van dit thema is het goed nog even naar een late echo van het indianisme te kijken in Francisco Pardo: E solo di e Caiquetionan (1998). Hierin neemt de auteur de lezer nogmaals mee naar het verre Indiaanse verleden, zonder dat hij evenwel iets nieuws toevoegt aan wat Hubert Booi en Ernesto Rosenstand daarover al in de jaren vijftig en daarna schrijvend gefantaseerd hebben. Het werk is niet meer dan een zwakke echo van een genre dat zijn creativiteit overleefd inmiddels heeft.
De schone Indiaanse prinses Solo wordt geboren in 1482 en gedoopt (?). Als Alonso de Ojeda in 1499 Aruba ontdekt, komt het tot een ‘bataya fuerte’ tussen Spanjaarden en Indianen, waarbij veel Indianen en Spanjaarden sterven, maar bij welke veldslag de Spanjaarden toch Aruba veroveren. Het prinsesje Solo is dan zeventien jaar en Ojeda zou haar meegevoerd hebben naar Spanje omdat hij verliefd op haar was geworden wegens haar mooie lange haren, zoals je die nergens in Spanje ziet! Na een zoentje blijkt de liefde wederzijds!
Dat Solo niet welkom is in de familie De Ojeda, levert ons het Assepoester-motief op. Solo moet als slavin werken; moeder Finicia de Ojeda knipt Solo’s mooie haren af, maakt er een pruik van voor haarzelf en jaagt Solo uit haar huis weg.
Alonso gaat twee maanden weg om andere eilanden te veroveren. Hij gaat opnieuw naar Aruba, dit keer met paarden en geiten om het eiland tot een ranch te maken. Er gaat ook een pastoor mee die de Indianen tot de r.k. kerk zal bekeren. Er vindt opnieuw een grote veldslag plaats, maar dit keer zonder slachtoffers. Alonso de Ojeda wordt de baas van Aruba. Spaanse priesters plaatsen een kruis op een rots bij Santa Cruz. Als De Ojeda terug is in Spanje en zijn Solo zoekt, vindt hij haar bij een oude vrouw. Hij herkent haar aan de geur van haar parfum [holo di fragancia]. De boze schoonmoeder Finicia is ziek; op haar sterfbed volgt verzoening, vergeving en zegen, waarna Finicia in vrede sterft. Alonso en Solo trouwen waarbij Solo prinses van Spanje wordt zonder dat Alonso prins is.
Intussen laat Simon op Aruba de Indianen als slaven werken, omdat hij op zoek is naar goud – dat er niet is en daarom beschouwt hij het eiland als ‘isla inutil’. Terug Op Aruba trouwen Alonso en Solo eveneens op zijn Indiaans. Wat er dan gebeurt laat de verteller in het midden. Blijft Alonso op Aruba? Of gaat Solo met hem mee?

Vooraf heeft de auteur de vrijheid van de verbeelding van een literaire auteur aan de orde gesteld. Pardo gebruikt historische gegevens en mengt die met zijn fantasie. Dat is de literaire vrijheid van elke schrijver. Met de herschrijving is er geen nieuwe visie verwoord, zoals Tochi Kock’s herschrijving van de ontdekking van Aruba in Aruba, e leyenda di su nomber in 1996, dat wél heeft gedaan. Dan heeft het herschrijven een functie. Dat Alonso de Ojeda gaat om speciaal Aruba te veroveren, en dat de Spanjaarden aan de kust Ojeda staan op te wachten omdat ze denken dat hij Aruba veroverd heeft, wordt zonder enige ironie opgeschreven! Wie zit er op dergelijke onzin te wachten? Ook over de literaire kwaliteit is weinig goeds te melden. Er is geen sprake van enige psychologie en de verteltrant is vooral die van toen en toen.

 

Aruba Jacintha Vries

Aruba, huis van Jacintho Vries (Mo Chinto) op Santa Cruz, Sabana Grandi.

Tomas Figaroa
Tomas Figaroa (1919 – 1984) en zijn postuum verschenen bundel Na mi Aruba (1986) kwamen we al tegen in zijn gedicht ter verdediging van de etymologische orthografie. In zijn dunne bundel geeft hij een loflied op zijn eiland, zijn huiselijkheid in traditioneel familieverband met zijn lief en leed, de schone natuur en een eenvoudig leven dat tevreden is met weinig en nog niet bedorven is door modern materialisme. Figaro blijkt een gemakkelijk versificateur met zijn metrische kwatrijnen en vaste rijmschema’s. Van het speelse gedicht ‘Si bo debe John’ volgt hier de eerste van de vier strofen.

Si bo debe John
Paga John, paga John!
Evita cuestion
Y cumpli fiel cu bo obligacion
Un bon reputacion
Bal mucho mas, cu un miyon,
No lubida esey.

 

Augusto Esteban Croes
Donde voy (Colleccion Di Poecia) (1996) door Augusto Esteban Croes spreek van een verlangen naar de knoek, het landelijke leven, vaderlandsliefde en nationalisme. Het volgende fragment uit ‘Anhelos’ is illustratief voor inhoud, stijl en de verouderde spelling die Croes hanteert.

Bo ta scucha dushi saludo Arubiano
e tipica ‘Bon dia comer, Morro comper’,
E agradable confianza, amor familiar
stimacion, comprension esey mi quier.

Mi quier bolbe mira e Arubiano
es un qu mi lanta conoce
e hombre trahado di su cunuco
e macho qu ya a desaparece.

De bundel is het resultaat van vele jaren dichterlijke arbeid. De op losse blaadjes op allerlei plaatsen bewaarde verzen in drie talen werden eindelijk bij elkaar gebracht. De Papiamentstalige gedichten in de bundel zijn thematisch geordend. Na de beschrijving van de natuur, de flora en de fauna, treffen we enkele meer persoonlijke gedichten aan over liefde en eenzaamheid, huis en haard. De bundel besluit met vaderland en taal waarmee de cirkel rond is. Opvallend is dat de auteur de positie van zijn taal bedreigd acht. In ‘Mi idioma’ luidt het:

Bo ta chocami
pa mi no grita
bo ta ranca mi lenga
pa mi no papia
pero, bo no por
ranca mi alma
qu ta fuente
di mi palabra.

Augusto Croes schrijft gemakkelijk, vaak te gemakkelijk. In de proloog gebruikt hij daarvoor het beeld van een spuitende fontein. Het zou beter geweest zijn als hij meer aandacht aan de definitieve vormgeving had besteed. Nu komen we (te) vaak rijmdwang en stoplappen tegen, zoals ‘esey mi quier’ in het eerste citaat.

Dominico Marquez

 

Dominoco Marquez Flor di shoshoro-500x500
Een speciale plaats in deze afdeling neemt Dominico Marquez met zijn Flor di Shoshoro (1998) in die in zijn poëzie een persoonlijke relatie met zijn eiland verbindt met een diep beleefd godsdienstbesef. Hierdoor verbindt hij God en Vaderland in zorgvuldig gecomponeerde persoonlijke gedichten en gedichten met een sociale inslag die een overwegend mild-kritische houding ten opzichte van maatschappelijke misstanden verwoorden.

Ruben Odor: Voz di mi tera
In september 1996 presenteerde Ruben Odor na Luz y sombra (1987) en Mi bida y aids (1993) zijn derde dichtbundel Voz di mi tera. Ook voor deze bundel is de poëtische pen in nostalgie gedoopt. Als motto voor de bundel zou de slotstrofe van ‘Ta un suspiro patrio…’ kunnen gelden:

Poemanan ta haña bida
Manera e mata di kibrahacha
den tempo di yobida
y bukinan diki mi por yena
scirbi cu sanger caiquetio.

Ruben Odor gaat in Voz di mi tera terug naar de tijd van de precolumbiaanse indianen van Aruba. Hier sluit hij volledig aan bij het ‘indianisme’ (Amigoe – Ñapa 15 en 22 juni 1996). Zoals Ernesto Rosenstand in de jaren vijftig in zijn verhalen teruggreep naar de indiaanse toponiemen van Aruba, zo heeft Ruben Odor – nu we inmiddels een halve eeuw verder zijn – niet minder dan vijfenzeventig indiaanse plaatsnamen opgezocht die aan de indianen van weleer herinneren. De erfenis van de caquetio cultuur die aanvankelijk door de kolonisatie, later door de moderne industrie en het toerisme volledig verloren dreigt te gaan, dient bewaard te blijven. Daarvoor pleit de hele bundel die als een lofzang op het eiland, zijn geschiedenis, zijn flora en fauna gelezen wil worden. Het historische verzet van de caquetio tegen de conquistadores heeft niet gebaat. Zal de dichter nu bereiken dat hij gehoord wordt? In ‘Alma indigena’ vraagt de dichter zich af of hij misschien door een oude caiquetio is benoemd tot eenvoudige boodschapper van diens stam.

Kizas por ta un miembro
di e raza caiquetio
cu ya di hopi aña morto
a haña bida cu mi aliento
y den mi ta busca amparo
pa recobra su brio
y nombrami pa su tribo
su mas humilde mensahero.

Het titelgedicht van de bundel Voz di mi tera geeft aan dat de dichter niet alleen namens zichzelf spreekt. De stem van zijn land wordt nevengeschikt aan de ziel van het volk. Die zal blijven zingen en nooit ten onder gaan.

Nan por a logra mata
e ultimo guerrero,
nan por a logra chika
e sanger caiquetio,
pero e alma di e pueblo,
e voz di mi tera
esey lo sigi canta
y jamas lo ser dera.

In het langste gedicht van de bundel worden de thema’s Papiamento en vooruitgang met elkaar verbonden. Door de ‘ontwikkeling’ die gebracht werd door de Lago, de moderne industrie, het toerisme, de woningbouwprojecten en de handelscomplexen wordt het eiland zèlf mishandeld, de oude traditionele plaatsen verdwijnen, en ook het Papiamento wordt misvormd.

Ay, mi dushi Aruba,
Mi dushi papiamento,
ta ki berdad mas tristo
cu nos mes como arubiano
ta yuda neglishá
e balornan di nos pueblo
y tapa den olvido
sin laga pa recuerdo
e tesoro di pasado
cu tur nos antepasado
a hunta pa hopi siglo
cu honor y cu orguyo;
Ay, mi dushi Aruba,
ay, mi dushi papiamento.

Van de vijfenzeventig indiaanse toponiemen krijgen er vijfenzestig een gedicht in alfabetische volgorde. Namen als Santa Cruz en Alto Vista worden als niet autochtoon afgewezen.
Ruben Odor is een goed versificator en beheerst het dichtvak, waarbij vooral klankrijkdom en ritme opvallen. Hij kneedt zijn taalmateriaal in vlotlopende vormen. Maar waar de vorige bundel een heel persoonlijke toon had, vervalt de dichter nu te vaak in clichés en nationalistische retoriek waardoor de bundel niet het niveau van de vorige haalt.
De door Gloria Calderon ontworpen omslag is fraai en intrigerend, maar verder laat ook hier de technische uitvoering veel te wensen over. Er is geen jaartal, de Colombiaanse drukker krijgt een hele pagina om voor zichzelf reclame te maken, er is geen ISBN, het was zelfs nodig een losse pagina met errata toe te voegen.

Clarette Quandus

Clarette Quandus

Clarette Quandus

De debuutbundel van Clarette Quandus: Mi Aruba, mi Prohimo, mi Inspiracion (1998) lijdt inhoudelijk aan tal van gebreken. De bundel staat vol clichés, originele gedachten ontbreken, alles hebben we al honderd keer eerder gehoord: “Aruba ta un pais di hende humilde, cariñoso, honesto y di gran herencia cultural.”
De gedichten zijn veel te weinig ‘gedicht’ – er wordt maar wat aan gebabbeld. Ik pleit in dit verband voor strenge poëzievormen en -normen: schrijf eens een sonnet, schrijf kwatrijnen met alle traditionele regels. Als je dat kunt, laat je de strenge vormeisen weer los en gebruik je weer het vrije vers. Het is gemakkelijk negatief over een dergelijke bundel te schrijven. Tijdens de presentatie in de BNA, in aanwezigheid van de Minister van Cultuur, werd de jonge dichteres twee uur lang de zevende hemel in geprezen, terwijl deze bundel in dit inhoudelijke stadium en in deze vorm nooit uitgegeven had mogen worden. Met dergelijk kritiekloos ophemelen verstikken we jong talent dat met zorgvuldige begeleiding zou kunnen groeien. Een tweede probleem vind ik de minachting voor het lezerspubliek dat spreekt uit dergelijk werk. En dan klagen wij over het gebrek aan leescultuur en gebrek aan belangstelling voor poëzie en literatuur bij onze jeugd.
Een tweede bundel Amor y fe (2006) bevat voornamelijk religieuze gedichten en sommige gelegenheidsbijdragen afgesloten met een kerstverhaal. Eén gedicht heeft de dichter en het schrijven als thema: ‘Elegante poeta’, waarvan de eerste, tweede en zesde strofe hier volgen en waarin de dichter wordt toegesproken als een talentvolle auteur met enorme toewijding aan zijn métier. Maar ook hier wordt deze verheven inzet poëtisch technisch jammer genoeg niet waar gemaakt:

Abo poeta, declamador,
cu bo don di inspiracion bo ta pasa
tur frontera cu bin na horizonte.

Bo ta declama
un poesia di amor
of di hopi humor.
Un di bo anhelonan ta
mas libertad di expresion.
(…)
Bo ta alcansa, e profundidad di nos curason
cu bo poesia bendiciona
pa un talento impresionante
Bo ta mereca di ser nombra
como poeta memorabel
cu bo inmense dedicacion y aprecio
pa mundo di literatura.

Sherwin Jacobs publiceerde nog in 2006 Aruba, Mi herencia … met gedichten ter herinnering aan zijn grootvader die een van de ondertekenaars was geweest op 30 september 1947 en bezong de politici, in de bundel ‘e cuatro bientonan’ genoemd, die de status aparte hadden bewerkstelligd, als Jan Hendrik Eman, Juan Enrique Irausquin, Cornelis Albert Eman, Gilberto François Croes, allemaal met hun volledige naam. Himno y Bandera 1976, de moedertaal Papiamento, de barrio van geboorte, de karakteristieke Fofoti boom vormen de ingrediënten van een bundeltje nostalgische rijmelarij. Zo was het eiland gedurende de tijd van de status aparte inspiratiebron, niet zozeer voor historische romans maar eerder voor romantische histories. Op vleugels van verbeelding schiepen auteurs met een nostalgische blik een eiland met een roemrijk maar definitief verloren gegaan verleden, een verleden waarop men niettemin trots kon zijn waardoor men er zich vandaag de dag nog op kon beroemen echte Arubanen te zijn.

 

[wordt vervolgd, klik hier voor nr. 17]

1 comment to “Balans: Arubaans letterkundig leven (16)”

  • Eindelijk hard nodige kritiek op middelmatigheid op Aruba!

1 Trackback/Ping

Your response at Stan

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter