blog | werkgroep caraïbische letteren
All posts by Carlet:

De toekomst van de studie van de (post)koloniale Nederlandse literatuur

Aan de Universiteit van Amsterdam vond op vrijdagmiddag 20 september 2013 een debatbijenkomst plaats, georganiseerd door de hoogleraren Thomas Vaessens en Michiel van Kempen, over de toekomst van de studie van de (post)koloniale literatuurstudie in Nederland. Wetenschappers van verschillende universiteiten bogen zich over vragen naar de status en richting van dit veld van literatuurwetenschap. Hieronder de inleiding die Michiel van Kempen gaf ter opening van de bijeenkomst.

read on…

Kunst en cultuur als oppepper voor Marowijne

‘Kunst en cultuur als middel om het district Marowijne weer positief op de kaart te zetten.’ Dat is de visie van de kunstenaar en initiatiefnemer Marcel Pinas van het ‘Moengo Festival of…’, dat dit jaar in het teken staat van muziek. “We kennen allemaal de geschiedenis van het gebied. Op deze manier wil ik die mensen een kans bieden om zichzelf terug te vinden en te uiten.”

read on…

André Loor vertelt…

Donderdagavond 19 september, heeft om 19.30u in het Hoekhuis aan de Waterkant in Paramaribo in kleine kring de officiële presentatie plaatsgevonden van André Loor vertelt…, Suriname 1850-1950. Deze nieuwste VACO-uitgave is geschreven door de welbekende en alom gerespecteerde historicus André Loor, die talloze onderscheidingen ontving, die vereeuwigd is met een bronzen kopstuk en die recentelijk te horen heeft gekregen dat een straat naar hem vernoemd zal worden. De heer Loor is vooral bekend als verteller – hij was jarenlang op televisie te zien met een programma waarin hij vertelde over de geschiedenis van Suriname – en als leraar geschiedenis. Een deel van zijn vermaarde kennis is nu opgenomen in dit boek, waarin hij op de hem zo typerende wijze verhaalt over het Suriname van die jaren.
Tijdens de presentatieavond werd de heer Loor voor het voetlicht geplaatst door de heren Walther Tjon A Tjieuw en dr. Hans Breeveld, die de auteur ieder in een andere hoedanigheid hebben leren kennen. Hierna gaf ceremoniemeester Deryck Ferrier het woord aan de heer Loor. Deze vertelde over de totstandkoming van het boek en overhandigde vanwege het belang van dit boek voor de samenleving het eerste exemplaar aan minister Moestadja van Binnenlandse Zaken. Ook mw. R. Tjien Fooh van het Nationaal Archief Suriname mocht een exemplaar in ontvangst nemen.
Over het boek:
De jaren 1850-1950 vormden een keerpunt in de geschiedenis van Suriname. Centraal stonden onder andere de afschaffing van de slavernij, de komst van vele immigranten uit verschillende delen van de wereld, de invoering van de leerplicht en het beschikbaar komen van gas en elektriciteit waardoor het dagelijks leven gemakkelijker werd. Het straatbeeld veranderde door de komst van fietsen en auto’s en het verdwijnen van paard en wagen. Er verschenen verschillende kranten en meer mensen leerden lezen. Ook kwam de eerste radio-omroep tot stand en de winning van goud en bauxiet ontwikkelde zich door industriële productie.
[uit Dagblad Suriname, 20-09-2013]

Rozenkruisers herdenken oude meesters

door Tascha Samuel

 
Jaarlijks wordt er een herdenkingsceremonie van de Pyramiden gehouden door de Aloude Mystieke Orde van de Rozenkruisers (Amorc). “Het is ter nagedachtenis van de diegenen die hebben bijgedragen aan de culturele en spirituele erfenis, die wij in het verleden hebben ontvangen”, geeft Joseph van Fredrikslust aan.
Deze viering vindt plaats op zondag 22 september. “Dan komen wij als Rozenkruisers bij elkaar, in aanwezigheid van onze vrienden en genodigden. Wij gedenken dan al diegenen die zich door de eeuwen heen hebben ingespannen om de kennis vast te leggen. Opdat deze nooit verloren zal gaan en beschikbaar zal zijn voor alle zoekers naar ‘licht’,” legt de grootmeester van de orde uit.
Synthese van wijsheid
Volgens de traditie gaat deze zoektocht naar het licht terug tot de Mysterie Scholen van het oude Egypte. Daar kwamen verlichte mystici regelmatig bijeen om een beter beeld te verkrijgen van de wetten die het universum, de natuur en de mens zelf, regeerden. In de ogen van de ingewijden waren de heiligste tempels de drie grote Piramides van Gizeh. Van deze drie wordt de Piramide van Cheops beschouwd als een synthese van wijsheid die de oude Egyptenaren bezaten. Deze Piramide vereeuwigt overigens tot deze dag het inwijdingspad dat de mens moet volgen om zich geleidelijk naar volmaaktheid te verheffen. Dat is voor dat wezen het ultieme doel van zijn spirituele evolutie.
Niet mystiek
Vandaag de dag is de Amorc in vele landen vertegenwoordigd en zij stelt haar onderricht beschikbaar aan alle zoekers, zonder onderscheid naar ras , sekse, cultuur en godsdienst. Jan Cheuk A Lam is al meer dan dertig jaar Rozenkruiser. “Voor mij persoonlijk is één van de belangrijkste dingen die ik heb bereikt vanuit de leringen, dat ik innerlijk rustig ben geworden. Beter kan omgaan met problemen en dat ik mij dienstbaar opstel naar de mensheid.” Volgens de Rozenkruiser zijn de leringen helemaal niet mystiek of intellectueel. Het wordt ons bij elke les voorgehouden dat het er vooral omgaat om je denken, doen en houding af te stemmen op wat je leert. Dus dingen als dienstbaarheid zijn manieren waarop ik de lessen in het dagelijks leven probeer om te zetten.”
Onwetendheid
Cheuk A Lam gelooft dat vooral door onwetendheid mensen een ‘negatief’ beeld hebben van de orde. Hij meent dat het vaak mensen zijn die ‘dingen horen’ maar die geen moeite doen om zelf te komen ontdekken. ‘We hebben openbare lezingen, elk jaar een open dag maar dan zijn het die praters die niet komen om zelf kennis op te doen.” Dat het woord mystiek ook al vragen opwerpt begrijpt hij. Maar mystiek verwijst volgens de kenner gewoon naar de afstemming, en dan wel specifiek de geestelijke afstemming van je leven op God.
[naar de Ware Tijd, 21/09/2013]

Standaardisatie Saamaka Tongo kent vele aspecten

 door Audry Wajwakana
Paramaribo – Om te komen tot één spelling- en schrijfwijze voor de Saamaka Tongo dient er rekening gehouden te worden met de vele varianten en klanken van de taal. Dat gaven delen van het goed opgekomen publiek donderdagavond mee aan Stichting Saamaka Akademiya, bij de lezing ‘De media en Saamaka Tongo’. Het is precies een jaar geleden dat de stichting het proces heeft ingezet om de taal samen met het directoraat Cultuur te institutionaliseren.
Invloed
Inleider Kenneth Lazo schetste de huidige positie van de Saamaka Tongo in de media. Als radio- en televisiepresentator heeft hij waargenomen dat de taal het best aan bod komt bij de radio. “Dat komt door de overheid die voorlichtingsprogramma’s vertaalde. Ook ngo’s hebben meegewerkt door hun boodschap via dit medium te verspreiden”, zegt hij. De reikwijdte van de verschillende radiozenders vanuit Paramaribo en community radiozenders in de verschillende dorpen heeft hieraan ook meegeholpen. Bij de televisie gaat dat er ietwat anders aan toe, vanwege de beperkte reikwijdte en zendmasten die in het binnenland ontbreken.
De binnenlandbewoners hebben deze opgevangen middels video-opnames en gebruikgemaakt van dvd-spelers om beeldinformatie te krijgen. “Als we kijken naar de relatie tussen taal en cultuur, zien we dat veel Afrikaanse films in trek zijn bij marrons vanwege de cultuurovereenkomsten”, haalt Lazo aan. Hierdoor hebben ze interesse voor de inhoud van die films. “Jongeren in Paramaribo hebben daarop ingespeeld door de inhoud van de films te vertalen.” Dat is volgens de inleider ook een manier om te zien welke invloed de taal via het medium televisie heeft op mensen. “Een wereld gaat open voor die mensen”, zegt hij. Als bewoner uit Santigron heeft hij meerdere keren meegemaakt dat de mensen uren over de inhoud van een film kunnen discussiëren.
Bijdrage
Bij de discussieronde van de lezing is echter afgeweken van het thema ‘De media en Saamaka Tongo’. Vanwege de complexheid en moeilijkheidsgraad van de taal, riep Johan Roozer van het directoraat Cultuur andere organisaties en Saamaka-mensen op om hun bijdrage te leveren aan het proces.
“De taal is een stukje erfgoed, waarin heel wat geschiedenis verborgen is”, geeft hij de aanwezigen aan. Vanwege het emancipatieproces dat zich bij verschillende marrongroepen voltrekt, vindt hij dat er haast geboden is om de normering van de taal bij wet te laten vastleggen. “Mensen worden oud en het doorgeven van verhalen geschiedt op een traditionele manier die voor de niet-Saamaka onbegrijpelijk is.” Ondanks dat algemeen bekend is dat de letters ‘g’ en ‘r’ niet in de taal voorkomen, hebben de verschillende Saamaka-woorden vele uitspraakmogelijkheden. Los van die mogelijkheden hebben de verschillende Saamaka-dorpen ook andere intonaties..
[uit de Ware Tijd, 21/09/2013]

Veel tijdschiften verdwijnen

De komende jaren verdwijnen er in Nederland veel dagbladen en tijdschriften. De markt is verzadigd. Er zijn te weinig lezers voor zoveel titels. Bovendien eist de razendsnelle digitalisering haar tol. Dat staat in een rapport van adviesbureau Price Waterhouse Coopers.

read on…

Eerste Mr. Jagernath Lachmon Lezing

VHP-Nederland herdenkt op zaterdag 21 september 2013 in De Nieuwe Kerk te Den Haag, de 97ste geboortedag van VHP voorzitter, wijlen Mr. Jagernath Lachmon. De heer Lachmons rol en betekenis is van grote waarde voor Suriname en de Surinaamse samenleving. De VHP-Nederland heeft gemeend om mr. Lachmon te eren door de “Jagernath Lachmon lezing” in te stellen. De eerste lezing wordt gehouden op 21 september 2013 in het kader van de Internationale Dag van de Vrede.
Op deze eerste inleiding komen twee inleiders aan het woord, te weten de heer Chandrikapersad Santokhi, de huidige voorzitter van de VHP, en de heer Drs. Albert Ramdin, assistent secretaris-generaal van de Organisatie van Amerikaanse Staten. Ambassadeur Albert Ramdin levert zijn bijdrage op persoonlijke titel. Het thema van hun lezing heeft betrekking op vraagstukken rondom de maatschappelijke vrede. Daaronder kunnen onderwerpen vallen zoals de bestrijding van criminaliteit, corruptie, terrorisme, discriminatie, racisme, etnische conflicten en het handhaven van veiligheid. De inleiders worden bevraagd door Prof. Dr. Ruben Gowricharn. Daarna treedt hij op als gespreksleider met het publiek. De middag wordt afgesloten met een informeel gedeelte met ruime mogelijkheden tot netwerken.
Programma
14:00 uur: Inloop
14:25 uur: Welkomstwoord drs. S. Mahesh, voorzitter van VHP-Nederland
14:30 uur: Toespraak Rabin Baldewsingh (Wethouder Den Haag)
14:35 uur: Opvattingen en inzet van mr J. Lachmon voor de maatschappelijke vrede, door dhr.  Chandrikapersad Santokhi
15:00 uur: De praktische relevantie van het politieke gedachtegoed van Mr. J. Lachmon in het Caribisch Gebied en daarbuiten door Ambassadeur Albert R. Ramdin
15:25 uur: Interview inleiders door prof.dr. R.S.Gowricharn
15:40 uur: Discussie met het publiek
16:00 uur: Informeel en netwerken
17:00 uur: Sluiting
Datum: 21 september 2013
Tijd: 14.00 uur – 17.00 uur
Locatie: De Nieuwe Kerk
Adres: Spui 175, 2511 BM Den Haag
Tel: 070-363 4917

Aangrijpende novelle Tutuba gepresenteerd

door Stuart Rahan

De nieuwe novelle Tutuba van Cynthia McLeod is woensdag gepresenteerd in het Bijlmer Parktheater. Historicus Leo Balai, bekend van het historisch onderzoek naar het slavenschip Leusden, mocht als eerste de boeken ontvangen. Tutuba is geschreven naar aanleiding van zijn onderzoek.
Bij deze gelegenheid was speciaal aanwezig de Surinaamse radiopersoonlijkheid Gerda Duttenhofer, die ook enkele exemplaren in ontvangst mocht nemen. Het boek is ook vertaald in het Engels. Op 19 november 1737 vertrok het slavenschip Leusden van Elmina, Ghana met een lading van 700 geroofde en gevangen Afrikanen, die als slaaf zouden worden verkocht in Suriname. Een van hen was het vijftienjarige meisje Tutuba.
Op 1 januari 1738, na een gunstige reis van zes weken, liep de Leusden op een zandbank in de Marowijnerivier en verging. De voltallige bemanning wist zich te redden, maar de 664 gevangenen in het ruim kwamen jammerlijk om omdat de bemanning de luiken had dicht getimmerd. Bij toeval overleven Tutuba en vijftien anderen deze vreselijke ramp. Haar verhaal en het relaas van de kapitein worden beschreven in deze aangrijpende historische novelle van Cynthia McLeod.

[uit de Ware Tijd, 19/09/2013]

door Diederik Samwel

Geen vrolijk boek

McLeod vertelde dat ze het verhaal in drie weken tijd ‘in grote lijnen’ had geschreven tijdens een verblijf op Bonaire. Daar vergezelde ze een van haar kleinkinderen die daar haar Nederlands staatsexamen moest afleggen. Een bizarre ervaring, vond McLeod. Ze was daar omringd door 16- en 17-jarigen terwijl zij in haar hoofd bezig was met het levensverhaal van een meisje van dezelfde leeftijd dat bijna 300 jaar eerder de gruwelijkste dingen had meegemaakt.

McLeod vertelde tijdens de presentatie dat ze in de loop der jaren nogal eens de kritiek had gekregen dat ze in haar bestseller Hoe duur was de suiker een te mild en te genuanceerd beeld had geschetst van het slavernijverleden. ‘Alsof het allemaal wel meeviel binnen de verhoudingen tussen blank en zwart. Mijn verhaal zou eigenlijk veel te mooi zijn. Nou, laat ik jullie dit zeggen: Tutuba is geen vrolijk boek.’

Beter geworden

Overigens schreef McLeod Tutuba tot twee keer toe. Na aankomst vanuit Bonaire op Zanderij bleek haar laptop te zijn verdwenen. Mét het manuscript. En dan kon haar kleindochter haar nog zo vaak voorhouden dat ze het document minstens elke dag naar zichzelf had moeten mailen, zo verstandig was ze dus niet geweest. ‘Ach, misschien is het wel ergens goed voor geweest en is het boek er juist beter op geworden.’ McLeod is volgende week woensdag aanwezig bij de première van de speelfilm Hoe duur was de suiker waarmee het Nederlands Filmfestival wordt geopend. Op 4 oktober presenteert ze Tutuba in Paramaribo, bij Vervuurt aan de Waterkant.

[uit Starnieuws, 19 september 2013]

Debat: de Afrikaanse rol in de geschiedenis van de slavernij

Leo Balai, Marcel van Engelen en Alberta Opoku in gesprek over slavernij

Gratis toegang tentoonstelling Slavernij Verbeeld en zondagmiddagsalon

Op zondagmiddag 22 september spreken Leo Balai, Marcel van Engelen en Alberta Opoku met elkaar over de Afrikaanse rol in de geschiedenis van de slavernij. De tentoonstelling Slavernij verbeeld is in het weekend van 21 en 22 september gratis te bezoeken.

read on…

Creool, Marron, Afro-Surinamer

door Nikki Mulder

In Guyana is het gemakkelijk: iedereen met Afrikaanse roots is African/Black of gemengd. In Suriname is de volkstelling echter aanleiding voor behoorlijk wat discussies over zwart, zwarter, zwartst. Stadscreool, plantageneger, busnengre: het zijn allemaal woorden die uiteindelijk op hetzelfde neerkomen. Of toch niet?

read on…

Zijn de stadscreool en de boslandcreool twee aparte bevolkingsgroepen?

door Irwin Maatrijk

Recentelijk heeft het ABS de resultaten van de achtste volkstelling bekend gemaakt. Daarbij kwam naar voren dat de Hindostanen nog steeds de grootste bevolkingsgroep zijn in Suriname en de boslandcreolen de hardst groeiende groep is. Zonder aan het werk van de wetenschappers te willen komen, vroeg ik mij voor de zoveelste keer in vele jaren af waarom de nakomelingen van de Afrikaanse slaven anno 2013 nog steeds verdeeld worden in stadscreolen en boslandcreolen. Waarom heeft de Surinaamse overheid deze racistische verdeling van de kolonisator klakkeloos overgenomen. En waarom hebben wij 38 jaren na de onafhankelijkheid nog steeds geen afstand genomen van dit hokjesjargon in de overheidsadministratie? Velen zullen aandragen dat de levensstijl van de boslandcreool verschilt van de stadscreool. Maar wat zijn de genetische verschillen? Wat is het genetische verschil tussen Carl Breeveld en Ronny Brunswijk? Of wat is het genetisch verschil tussen Guno Castelen en Ronald Asabina? Ik bedoel, kunnen wij nog steeds niet inzien dat één etnische groep gewoon in tweeën is gesplitst, waarbij de ene groep als superieur aan de andere groep wordt gezien? En waar hebben wij dit scenario reeds eerder gezien? Juist ja, in het Afrikaanse land Rwanda waar een deel van het zwarte ras werd wijsgemaakt door de oude koloniale krachten dat zij superieur waren aan de rest, omdat zij beter geschoold waren.
Gelukkig hebben wij in Suriname nooit hoogopgelopen spanningen gehad tussen boslandcreolen en stadscreolen zoals in Rwanda. Maar door de jaren heen is de boslandcreool wel uitgegroeid tot het zwarte schaap van de Surinaamse familie. Vaak genoeg als minderwaardig gezien ten opzichte van de stadscreool vanwege een lage scholing en een traditionele Afrikaanse levensstijl. Vaak genoeg afgeschilderd als de oorzaak van hoge criminaliteitscijfers en andere sociale problemen zoals wilde occupatie. Dit alles heeft ervoor gezorgd dat de aanduiding “boslandcreool” een heel negatieve en stigmatiserende lading heeft gekregen. De stadscreool met zijn betere scholing, bijna perfecte beheersing van de Nederlandse taal en quasi-Europese levensstijl, wil vaak niet geassocieerd worden met de boslandcreool. En aangezien de stadscreool de voorbije veertig jaren de politieke macht in Suriname in handen heeft gehad, is het niet verwonderlijk dat de politiek nooit iets gedaan heeft aan deze irrationele splitsing van de Afro-Surinaamse groep.
In mijn ogen blijft het een vreemde zaak dat de zwarte groep zo verdeeld wordt in de officiële overheidsadministratie. Waarom worden de nakomelingen van de inheemsen allemaal gewoon indianen genoemd? Waarom wordt er bij die groep niet gesproken over boslandindianen en stadsindianen? Is dit niet een vorm van discriminatie? Het woord boslandcreool is zo negatief geladen dat zelfs opsporingsdiensten vaak genoeg op het verkeerde been worden gezet. Bijna ieder slachtoffer van een beroving waarbij de dader van Afrikaanse afkomst is, geeft gemakshalve door aan de politie dat de dader een boslandcreool moet zijn. Hierdoor gaan opsporingsambtenaren vaak ook op zoek naar de verkeerde verdachten.
Het is hoog tijd dat de overheid en wij als samenleving een gezonde en constructieve discussie gaan voeren over deze discriminerende en segregerende aanduidingen. Het is zelfs zo dat mensen zich schamen om toe te geven dat zij van boslandcreoolse afkomst zijn. Ik blijf persoonlijk van mening dat boslandcreolen en stadscreolen gewoon allemaal nakomelingen van Afrikaanse slaven zijn en daarom genetisch tot dezelfde etnische groep behoren. Carl Breeveld en Ronny Brunswijk zijn gewoon twee negers, ongeacht of de één nou beter geschoold is dan de ander of er bepaalde tradities op nahoudt. Ze als twee verschillende bevolkingsgroepen bestempelen, is net zo vreemd als wanneer de Amerikaanse overheid bijvoorbeeld een hooggeschoolde blanke man die in New York woont en een laaggeschoolde blanke boer die op het platteland van Arkansas woont, als twee aparte bevolkingsgroepen zou beschouwen.
[uit de Ware Tijd, 12/09/2013]

Carubbian Festival: a neo-baroque creation in Sunrise City

by Joe Fortin

Every Thursday there is something going on in San Nicolas, Aruba. Maybe for some it is a celebration of life, while for others it refers to a feast of forgetting sorrow. But what is this Carubbian Festival really?

First some facts. During this celebration there are several entertainment shows, music bands and local people selling food, snacks and cakes. This party is an invention in order to give this ‘ghost town’ an economic boost, because since the closure of the oil refinery there is almost no commercial activity in this town also known by the local population as Chocolate City. How different it was between the 1950’s-1980’s. San Nicolas was a real cosmopolitan city with different shops, bars and dancing halls. Because of its multi-ethnic population, San Nicolas was a real creole Caribbean town where you could hear different languages from all over the world and taste a variety of foods and drinks that the English West Indians brought with them. Nowadays the main street is almost desolated. However, you can still find some shops and bars and taste the wealth of an opulence past. During the daytime you can find groups of local men sitting and chatting in front of The White Star bar and some ‘chollers’ (addicts) looking for a car to wash for money; at night the prostitutes take over the street, while looking bored and void at possible clients.
Tourists can buy tickets to assist the Carubbian Festival. This includes transport in air-conditioned luxury busses, seats during the shows and masks so that they can participate in the festivities. When they arrive at the festival plaza, near the barbed wired fences of the abandoned refinery, which during the day, is a desolated parking lot, they are guided to their seats enclosed in a barricaded terrain. On the plaza there is a podium with musical instruments, a lot of movement, and people going up and running down from the stage. This is only a prelude that foretells that something is going to happen soon. On the main street, near the parking lot, local people are gathering in small groups, chitchatting and laughing feverishly. They are well dressed and perfumed and ready for the evening. Small merchants and people with local stores ‘shap’ are installing their food and their handicraft on small tables. Stiltwalkers from The Party Animals are entertaining people, while greeting and waving to their acquaintances and making publicity for the popcorn machine.
Meanwhile, the show-master is announcing the local stars that are going to entertain the crowd. There is a variety of steel drums, traditional Aruban music and dance, like the well-known ‘ribbon dance’ (baile di cinta) on Caribbean mazurka or polka. There is a limbo dancer that brings us back in time with his hypnotizing dance of fire and several other typical Carubbian entertainments.
After these performances, some tourists are invited on stage in order to participate in a dance competition. At this point the locals are gathering and getting closer to the stage. On stage a local couple gives a demonstration on how to dance merengue, salsa, caiso or calypso, and afterwards, it is the turn of the visitors to try to make the same movements with their hips and shoulders. The show-master gives them instructions on how to move the hips and incidentally advises them on how to improve their amorous life. However, their movements are always too late or too soon. The witty, sharp and hilarious remarks of the show-master are cruel but never offensive. We can consider this festival as a mise en abyme, an infinite reproduction of an image. The visitors who paid money to watch a show, become part of the show. Some of them become performers on stage, while the rest, sitting and watching the show, are part of the festival as well. They are sitting on the plaza and are being watched by local people. Between the local people, you can find other tourists, looking at the locals, gazing at the tourists, watching the show.
Now it is the turn of all the invitees to participate in the local tradition of self-exposure in a street parade. The tourists get off their seats while walking in groups in the direction of the brass-band music coming from the main street. The locals, on the other side, are forming lines on the sidewalks to watch the upcoming parade. As the brass band is getting closer you can see a group of locals dressed in carnival costumes dancing to the rhythm of Caribbean sounds. Behind this group, you can see the tourists, some of them dancing, others trying in vain to swing, but most of them just walking like they have been zombified. Some of them wear their masks, which were included in the evening package; others are holding it in their hands, somewhat clumsy and waving to the gazing public, which now are the locals.
Sitting in their air-conditioned busses, satisfied and exhausted and somewhat surprised by an evening outside their confident and comfortable hotels and restaurants, the visitors are ready to return to their luxurious life. However, this is not the end of the fete… Now the locals are taking over the plaza, while the bands keep playing their music; people are dancing, children playing and scabbed mongrels sniffing and looking for some leftovers. Will the tourist ever know that when they left, the feast just started for the locals?
Now the meta-text. Interesting about this Carubbian bash is that it inverts the traditional standards and values. Generally it is the tourist that gazes at the local, ‘exotising’ him. The local becomes an object of fetish for the visitor, because he is strange, ‘other’, has another modus in quotidian life. As a passenger you can feel free to observe the other at ease. But now, at the Carubbian Festival, the tourist is the exotic one and he is being fetishized as the other. The local is free to look shameless at the tourist and laugh at him. At the same time, the local forms a mirror for the tourist, so he can look at his own image. Just like in the mirror-stage of Lacan, first he does not recognize himself. He thinks that his reflection is another person, the other. But then, he recognizes himself in the reflection and becomes aware that he is the other. But this reflection is fragmented, so it creates a partial double of himself. The tourist becomes the local: their separated life now comes very close to each other.
The Carubbian Festival creates another reality, an illusion, and a simulacrum of the Aruban reality. According to Baudrillard, simulacrum is a construction of a world that seems like ours but in reality doesn’t exist. Simulacra are copies that depict things that either had no reality to begin with, or that no longer have an original.[1]This bash is a simulacrum because it is a creation of a reality that at first did not exist. The shows and carnival parade are being organized firstly to give the ‘ghost town’ San Nicolas a boost (commercial invention) and secondly to give the tourist alternative entertainment (festivity invention). On the other side, this festival is also a simulation: it looks like something known, but it isn’t. It is a simulation of the carnival parade in February, but now in another setting as an invention for every Tuesday evening. It depicts real life during a weekly celebration. It is an intertextual reference to the ‘real’ carnival celebration, because it creates an allusion that seems like carnival, but in a totally different frame. On the other side, we can say that this festival is also metafiction, because it refers to itself as a fictional construction that is aware of its functionality. The audience (local and tourist), the show-master, the participants and the musicians all know that they are part of a constructed illusion.
Besides, we can say that the festival is an inversion of the reality. According to Bakhtin ‘[i]n carnival, laughter and excess push aside the seriousness and the hierarchies of “official” life. […] In Bakhtin’s work, the image of reversal symbolizes his intellectual ideal of rethinking: finding multiple levels of meaning in words, images, and tone.’[2]But the Carubbian Festival is an inversion of an inversion, a double-inversion. Now the local is playing the tourist who is looking at the tourist masqueraded (literally and figuratively) as the local.  In this setting, even the prostitutes and the chollers can be seen as part of the show; they are no longer considered as aberrant as they contribute to the inversion of the inversion of the reality.
The Carubbian Festival is a neo-baroque construction: it is an artificial reality and everybody is aware of this counterfeit. But on the other hand it is a space where you can be yourself by acting like the ‘other.’ The festival is a fiction that proposes a hyper reality: a reality that is even more real than daily life.
References:

Bakhtin, Mikhail.Rabelais and his World. Cambridge Massachusets: The M.I.T. Press, 1968.
Baudrillard, Jean. Simulacra and Simulation. University of Michigan Press, 1994.
Chiesa, Lorenzo. Subjectivity and otherness. A Philosophical reading of Lacan. Cambridge/ London: The Mitt Press, 2007.
Sarduy, Severo. Barroco. Buenos Aires: Editorial Sudamerica, 1974.
—. “Copy/Simulacrum”. In: Written on a Body. Lumen Books, New York, 1989.
Waugh, Patricia. Metafiction: The Theory and Practice of Self-conscious Fiction. Methuen, 1984.
Živković, Milica. “The Double as the ‘Unseen’ of culture: toward a definition of doppelganger.”
Facta Universitaties (121-128). Vol. 2– No 7, 2000.


[1]Robert Goldman; Stephen Papson. “Landscapes of Capital”, Information technology. St. Lawrence University, 2012.
[2] Shanti Elliot,  ‘Carnival and Dialogue in Bakhtin’s Poeticsof Folklore’, 1999.
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter