blog | werkgroep caraïbische letteren

Van 22 tot en met 24 november is op de universiteit van Aruba een dubbelconferentie gehouden. Voor Suriname waren er vier mensen aanwezig: Helen Chang, Diana Menke, Jerry Dewnarain en Hilde Neus. Zo waren er de Cross over-bijeenkomst over literatuur en de Caran-bijeenkomst. Caran is het Caribisch platform voor Neerlandici, dat financieel wordt ondersteund door de Nederlandse Taalunie. De voormalige West, bestaande uit de Boven- en Benedenwindse Eilanden én Suriname, komen bij elkaar om de positie van het Nederlands in de verschillende gebieden te bespreken en een bijdrage te leveren aan de uitstippeling van beleid.

 

Aruba. Foto © Michiel van Kempen

Want in elk gebied is de taalsituatie anders. In Suriname is het Nederlands de officiële en schooltaal, naast ook (één van de vele) thuistalen. Op Saba, St. Maarten en St. Eustatius wordt voornamelijk Engels gesproken en examineert men nu ook Cambridge examens op de middelbare school. Op de Benedenwindse Eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao is Nederlands een vreemde taal en de instructietaal in het onderwijs is Papiamento. Dit maakt de taalsituatie erg gecompliceerd, en daar werd tijdens deze dagen over gediscussieerd om zo tot bevredigende oplossingen te komen. Ook vond in de wandelgangen de oprichting plaats van een nieuw platform voor NVT: Nederlands als Vreemde Taal. Speciaal voor leerkrachten van het GLO en VOJ (basisschool en mulo). Opmerkelijk was hoeveel expertise er verzameld was op dit kleine eiland Aruba in de Caribische zee. Maar ook dat de trend aan het verschuiven is: in plaats van instructie in één taal, neigt men steeds meer (als resultaat van onderzoek) naar meertaligheid, al op de kleuterschool. Overigens blijkt deze aanpak ook in Vlaanderen goed te werken en wordt daar op steeds meer scholen meertalig lesgegeven.

 

Universiteit van Aruba. Foto © Michiel van Kempen

 

Literatuur tijdens Cross Over

door Hilde Neus

De eerste dag was gewijd aan literatuur en viel onder de organisatie Cross Over, een tweejaarlijks platform voor interdisciplinaire en transculturele letterkundige neerlandistiek. Normaliter was de bijeenkomst in Nederland of Vlaanderen, maar nu op Aruba. Logisch dat aan de Cariben gerelateerde onderwerpen aan bod kwamen. Michiel van Kempen opende het platform met een uiteenzetting over de totstandkoming van een nieuwe editie van De stille plantage van Albert Helman, dit in het kader van 2018 Helmanjaar, geïnitieerd in Suriname. Deze uitgave verschijnt in de serie Tekst in Context, waarbij delen van de tekst worden opgenomen met een toelichting aan de hand van een aantal deelvelden zoals historiciteit, vergelijking met andere slavernijteksten, films en slavernij nu. Van Kempen benadrukte dat er vooral niet gemoraliseerd dient te worden, ook wil hij de leerlingen niet opzadelen met de schuldvraag. Discussie over slavernij, ja, maar dan aan de hand van literatuur.

Michiel van Kempen tijdens zijn openingsreferaat. Naast hem Ronnie Severing

Vervolgens presenteerde Hilde Neus haar bijdrage over de uitgave van Het vergeten land van Sol Bwemi, pseudoniem van Wim Bos Verschuur, op de literaire pagina van dWT eerder al uitvoerig besproken.
Wim Rutgers gaf een overzicht van de nieuwe schrijvers op de Benedenwindse Eilanden. Na een periode van de focus op Papiamento is het Nederlands weer helemaal terug als literaire taal. Kunst dus, die thuisblijft.
Jerzy Koch, docent Nederlands in Polen, sprak over de film die gemaakt is aan de hand van de novelle van Cola Debrot: Mijn zuster de negerin. Hij beschreef de totstandkoming en de ontvangst van deze weinig bekende film. (Ik wist ook niet dat ‘ie’ bestond, ben wel nieuwsgierig gemaakt).

 

Hilde Neus. Foto © Michiel van Kempen

Jos de Roo gaf in zijn lezing het belang aan van de Wereldomroep voor de vastlegging van de literatuur, vooral op oraal gebied. Ook de ontstaansgeschiedenis van Wi Egi Sani is daar nauw mee verbonden. Nu sprak hij over Boeli van Leeuwen, die aangetrokken werd door Jo van de Walle voor uitzendingen naar de West. Ondanks dat het programma was begonnen vanuit koloniaal oogmerk, was het wel het eerste medium waar de anti-Hollandse stemmen te horen waren. Van Boeli van Leeuwen zijn er achtentwintig bijdragen bewaard gebleven in het archief, die vooral de echtheid en de absurditeit van de werkelijkheid beschrijven.

 

Jos de Roo. Foto © Michiel van Kempen

Jerry Dewnarain en Diana Menke, beiden van de Nederlandse masteropleiding ‘Nederlandse Taal en cultuur’ van het IGSR te Paramaribo, hebben hun afstudeerproject toegelicht. Beiden zijn bezig het lezen van Surinaamse literatuur op de scholen nieuw leven in te blazen middels het principe ‘Lezen voor de lijst’ (naar een idee van prof. Witte van de Universiteit Groningen). De studenten kiezen zelf een beginniveau waarop ze lezen, nemen van dat niveau een boek om vervolgens middels opdrachten steeds naar een hoger niveau te worden uitgedaagd. Dewnarain sprak in dat kader over de vorming van een Surinaamse canon (de belangrijkste boeken, volgens lokaal ontwikkelde criteria) en Menke ging in op het leesplezier en de leesbevordering van de studenten. Centraal stond hier de identificatie: het idee dat er makkelijker, meer en liever gelezen zal worden als de boeken over hun eigen situatie gaan.

 

Eric Mijts en Jerzy Koch. Foto © Michiel van Kempen

Yves T’Sjoen van de Universiteit Gent (Vlaanderen) ging in op de rol van Caribische auteurs die rond 1980 een bijdrage hebben geleverd aan de strijd in Nederland tegen de apartheid in Zuid-Afrika. Naar aanleiding van de internering in Zuid-Afrika van de schrijver, dichter en kunstenaar Breyten Breytenbach werd er op literair gebied veel georganiseerd door diverse bekende auteurs. Dat is wel algemeen bekend, maar niet dat Astrid Roemer en Edgar Cairo daar een belangrijke rol in hebben gespeeld. Ook Frank Martinus Arion (in Afscheid van de Koningin) en Vernon February speelden een prominente rol in deze kunstbeweging tegen het racistische machtsapparaat.

Yves T’Sjoen. Foto © Michiel van Kempen

Als laatste sprak Luc Alofs, cultureel antropoloog, over de diverse mythen die zijn ontstaan met betrekking tot de overheersing van de Benedenwindse Eilanden. Problematisch was vooral het toewijzen aan de Spanjaarden van de ‘Encomienda’, een systeem voor de kolonisten in de vijftiende en zestiende eeuw om aan land te komen, met de mensen die daarop leefden. Hij besprak onder meer Amerigo Vespucci en Juan de Ampies. Blijkbaar nemen de lezers documenten van invloedrijke personen aan als waar, en vergeten daarbij welke belangen er speelden: achteraf blijkt dan veel informatie fake news te zijn.

 

Luc Alofs. Foto © Michiel van Kempen

De tweede dag sloot aan bij het debat dat de avond tevoren was georganiseerd met als thema: ‘De instructietaal in het basisonderwijs op Aruba’. Een overweldigende meerderheid van de 102 aanwezigen was vóór meertaligheid, enkelen kozen voor Nederlands, er was een groep voor Papiamento en twee mensen stemden voor Engels. Gecompliceerd! De diverse groepen konden argumenten naar voren brengen, maar de eindstand was min of meer gelijk aan de stellingnames van het begin.
Op donderdag stelde allereerst de nieuwe secretaris-generaal van de Nederlandse Taalunie zich voor; Hans Bennis is directeur geweest van het Meertens Instituut en weet dus heel wat af van beschrijving van diversiteit in talen. Hij bleek ook een liberaal man. Voor hem zijn vele varianten mogelijk in de staat van ‘het Nederlands overzee’. Inmiddels studeren er meer mensen buiten Nederland die taal dan daarbinnen.

 

 

Juana Kibbelaar. Foto © Jerzy Koch

Juana Kibbelaar van Curaçao gaf vervolgens een vurig pleidooi voor betere onderwijsresultaten in haar lezing over taalbeheersing op de Antillen. Ze bepleitte de mogelijkheden dat leerlingen ook buiten de school hun honger naar kennis op allerlei gebied kunnen stillen en ging daarvoor uit van (Nederlandstalige) bibliotheekcollecties. De uren Nederlands moeten worden opgevoerd om dit mogelijk te maken, en dan niet ten koste van het Papiamento. Hierbij is zeker een andere didactische aanpak gewenst, vaardigheden waar het veel leerkrachten nogal eens aan ontbreekt. Voor mij was niet duidelijk, waarom ze internet niet als oplossing opwierp, en daarbij ook het belang van Engels vanwege de vele bronnen.

Regina Croes presenteerde de eerste resultaten (2014) van een groot onderzoek dat op 3 meetmomenten wordt afgenomen. Papiamento is voor 68 % van de mensen de moedertaal, maar wordt door 90% van de mensen wel eens gesproken. Ook thuis is dus meertaligheid de norm. Zij pleit voor ‘Mother Tongue Based Integrated Multilingual Education’. Het is heel belangrijk dat de kinderen samen over van alles kunnen praten, desnoods in diverse talen door elkaar. Ze bespreekt de Iceberg van Cummins en de Taxonomy van Bloom, ook in Suriname welbekend in het onderwijs. Duidelijk uit de voorlopige resultaten blijkt al dat meertaligheid veruit de beste resultaten oplevert. Een vervolgonderzoek is in 2016 gedaan en dit wordt wederom uitgevoerd in 2018. Dan komt ook het eindrapport beschikbaar.

 

Regina Croes. Foto © Jerzy Koch

Helena Henneveld draaide een presi af (variant van power point) met daarin een multimediale les die ze met studenten op heeft gezet over Louis Couperus. Dan wordt er een Kahoot afgenomen: een meerkeuzetoets volgens een gamesysteem met vier mogelijke antwoorden waarvoor je met je telefoon kunt inloggen. Iedere docent kan zo’n toets aanmaken en zo makkelijk of moeilijk ontwerpen als men wil. Ideaal voor de school en een heel leuke didactische werkvorm, ook voor onze leerkrachten, met gebruik van de mobiele telefoon.
Eric Mijts belichtte het publieke debat over de rol van het Nederlands in het Caribisch gebied. Unesco heeft richtlijnen aangegeven voor de moedertalen, maar het individu is daar vaak niet van op de hoogte en doet ook niet wat zo’n organisatie zegt. De diverse lagen in het taalspectrum dekken elkaar niet af: supranet, nationaal, institutioneel en individueel heb je steeds een ander taalgebruik. Deze zaken zijn in een piramide aangegeven, maar zouden op een continuüm moeten liggen. De afzonderlijke delen zijn meer geleed en bestaan niet uit afzonderlijke blokjes. Als voorbeeld gaf Mijts een rechtszaak, waarin diverse mensen diverse talen kunnen spreken en elkaar niet altijd goed begrijpen, soms komt er een tolk aan te pas. Taal is dus domeinspecifiek en contextueel. Het is een gesitueerde, individuele én collectieve taalpraktijk.

 

V.l.n.r. Wim Rutgers, Eric Mijts, Michiel van Kempen. Foto © Jerzy Koch

Merlynne Williams, die werkt aan de IPA, de Arubaanse versie van het SPI, krijgt binnen haar werktijd ook ruimte om onderzoek te doen. En dat is heel belangrijk, mede vanwege het feit dat je je dan serieus genomen voelt als ontwikkelaar van curriculum. Zij sprak over de kracht van Translanguaging voor het leren van het Nederlands in het Caribisch gebied. Elders op deze pagina een bijdrage hierover van Jerry Dewnarain.

In de middaguren werden er twee workshops verzorgd. In de eerste, over luistervaardigheden, gaf Jenneke Oosterhof van de University of Minnesota allerlei voorbeelden van filmpjes van YouTube waaraan je opdrachten kunt verbinden. Een ideale werkwijze om een andere taal te leren. Ze geeft les aan mensen die om wat voor reden dan ook zich het Nederlands eigen willen maken, en dat is een zeer diverse groep van allerlei nationaliteiten. Haar methodes werken, omdat ze heel concreet zijn, maar ook veel humor in zich dragen…. hoewel humor niet altijd overkomt, waarschuwde ze wel.
Everdine Geerling van de Stichting Nederlands Onderwijs in het Buitenland maakte het Translanguaging concreet middels allerlei opdrachten. Ze legde vooral de nadruk op een positieve benadering van meertaligheid, door bijvoorbeeld het uitreiken van een talenpaspoort.

 

Wim Rutgers. Foto © Michiel van Kempen

Op de derde dag van de conferentie presenteerde Ronnie Severing een overzicht van de activiteiten van de Taalunie op Curaçao. Rob van de Vaart, geoloog, gaf het belang aan van goed taalbeleid voor hogere onderwijsinstellingen. Hij was betrokken bij de internationale opleidingen van de Universiteit van Utrecht, die vooral in het Engels werden verzorgd. Natuurlijk ontstond er discussie over de rol van het Nederlands op universiteiten en wat de keuze voor Aruba zou moeten zijn als je meer internationale betrekkingen wilt bestendigen. Helen Chang gaf een inleiding over een talenopleiding in Guyana, waar onder meer ook Nederlands wordt verzorgd aan studenten die om verschillende redenen de opleiding willen volgen. In Georgetown is een kleine school, The International Language Institute, die online cursussen aanbiedt, die volgens de directrice Cecily Bernard wel zo interactief mogelijk zijn. Ook hier wordt het idee gebezigd dat kinderen zo vroeg mogelijk meerdere talen moeten leren, om later daarin succesvol te kunnen zijn.

 

Ronnie Severing,. Foto © Michiel van Kempen

Kitty Groothuijse schetste een beeld van de toekomst van het Nederlands op de Universiteit van Aruba. Ook hier is, vanwege de toerisme-industrie het Engels een steeds meer gebezigde taal. De 600 studenten zijn overwegend Spaanstalig, maar ook Kantonees en Filipijns worden onder hen gesproken. De taalproductie moet wel op niveau zijn, om aan debatten mee te kunnen doen en essays te kunnen schrijven. Maar of het beoogde C1 (Europese Standaard) gehaald zal worden, betwijfelde ze, omdat er meer NT2 en NVT sprekers zijn. Ze eindigde met enkele uitdagende vragen: mag het lidwoord weg en zullen we overal ‘die’ voor zetten? Het is voor haar studenten onbegrijpelijk waarom het dit rapport is en niet dit opdracht. Ook de e in het mooie huis, mag weg.

 

Liesbeth Echteld

Elaine Marchena en Maritsa Silberie schetsten de recente ontwikkelingen op de BES-eilanden (Bonaire, St Eustatius, Saba) en gaven aan dat het belangrijk is voor alle kinderen gelijke kansen op onderwijs te scheppen. Het beleid hiervoor moet van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap uit Nederland komen. Er is al een rapport: Nederlands op zijn BEST. Bianca Versteegh schetste nog de insteek van de Nederlandse Taalunie en gaf aan welke adviserende strategieën de organisatie kan uitzetten. Ze benadrukte dat de vraag altijd van het Caribisch gebied moet komen. Liesbeth Echteld tenslotte gaf een overzicht van het taalbeleid binnen de Algemene faculteit van de universiteit van Curaçao, met de focus op de meertalige onderwijs-masterstudie waarbinnen leerkrachten voor Nederlands, Engels, Spaans en Papiamento worden opgeleid.
Door de bijeenkomsten van Caran en de discussies over een beter en effectiever onderwijs komen de partijen steeds dichter bij elkaar. Uit onderzoek is gebleken dat een meertalige aanpak goed werkt bij kinderen. En dat kan overal toegepast worden. Een goede, positieve conclusie voor dit inspirerende congres.

Diana Menke, Jerry Dewnarain, Luc Alofs. Foto © Michiel van Kempen

De kracht van translanguaging

 

door Jerry Dewnarain

 

Merlynne Williams van het Instituto Pedagogico Arubano (IPA) is een sterke verdediger van het toestaan van tweetalige studenten op school om hun volledige taalrepertoire te gebruiken door Translanguaging. (Translanguaging is het proces waarbij meertalige sprekers hun talen gebruiken als een geïntegreerd communicatiesysteem. Bron: https://en.wikipedia.org/wiki/Translanguaging). Als men echt geïnteresseerd is in wat tweetalige studenten weten en wat ze met taal kunnen doen, moet men hun vermogen om bepaalde vormen van de ene of andere taal te gebruiken scheiden van hun vermogen om taal te gebruiken. Op scholen wordt studenten bijvoorbeeld gevraagd om de hoofdgedachte van een tekst te vinden, om een argument met op tekst gebaseerd bewijs te ondersteunen, om af te leiden, om een overtuigende mondelinge presentatie te maken, om een wiskundeprobleem uit te werken. Met name opkomende tweetalige studenten kunnen mogelijk niet aantonen dat ze deze dingen kunnen doen als ze alleen de taal mogen gebruiken die op school is toegestaan.

Merlynne Williams. Foto © Eric Mijts

Alleen door uit hun volledige taalrepertoire te putten, zullen tweetalige studenten kunnen aantonen wat ze weten, dus wat ze met taal kunnen doen. Het kunnen uitvoeren van taalspecifieke opdrachten, is niet hetzelfde als het hebben van algemene taalvaardigheid of kennis van de inhoud. Translanguaging in de klas functioneert goed wanneer de kinderen en de leraar dezelfde minderheidstaal delen. Maar in veel andere klaslokalen komen studenten uit verschillende taalachtergronden. Hoe kan translanguaging dan plaatsvinden? Translanguaging-pedagogiek vereist dus een ander type leraar, een medeleerling. Klassen worden steeds meer meertalig in de wereld. Het is onmogelijk voor docenten om alle talen van studenten te kennen of te leren. Maar het is wel mogelijk voor leraren om een klaslokaal in te richten met boeken en bewegwijzering in meerdere talen waar samenwerkingsverbanden worden gelegd op basis van de thuistaal, zodat studenten een tekst in de dominante schooltaal grondig kunnen bespreken met al hun taalbronnen; waar studenten mogen schrijven en praten met welke middelen ze ook hebben en niet wachten tot ze de ‘legitieme middelen’ hebben om een stem te ontwikkelen; waar alle taalpraktijken van studenten zijn inbegrepen om tegen de linguïstische hiërarchieën in scholen te werken; waar gezinnen met verschillende taalpraktijken zijn opgenomen. Elke leraar, ook eentalig, kan translanguaging volgen om zijn tweetalige studenten in staat te stellen een diepere betekenis te geven en hun eigen taalgebruik te legitimeren.

 

 

Deelneemsters aan de conferentie. Foto © Michiel van Kempen

Een deelneemster aan de conferentie. Foto © Michiel van Kempen

 

Klik hier voor een fotoreportage over de conferentie.

  • Overzichtelijk, goed geformuleerd verslag van een bijzonder relevante én revelerende studiebijeenkomst. Dank aan alle betrokken auteurs, sprekers van de conferentie en enthousiaste organisatoren.

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter