blog | werkgroep caraïbische letteren

Arion vertaalde enkele sonnetten van Shakespeare

In de vorig jaar verschenen publicatie Frank Martinus Arion den Tres, waarin drie aspecten van deze Curaçaose schrijver zijn belicht, gaat het artikel over een literair aspect van Frank over enkele sonnetten van Shakespeare die Frank naar het Papiamentu heeft omgezet. De publicatie is tweetalig, Papiamentu en Engels. Hieronder volgt de Nederlandse vertaling van de inleiding bij het hoofdstuk over het literaire aspect.

Frank Martinus Arion Den Tres
FOTO: Margi Martinus

Wat het literaire aspect van Frank Martinus Arion betreft, heb ik fragmenten geanalyseerd en geïnterpreteerd van tien sonnetten van Shakespeare, vertaald door Frank Martinus, die zijn weduwe, Trudi Martinus-Guda, onder meer heeft gepubliceerd in een bundel getiteld Poesia Soneto. De interpretatie is mede gebaseerd op een analyse van delen uit Franks laatste roman, De Deserteurs. Frank gebruikt drie talen om te schrijven, elk voor een specifiek publiek. Hij schrijft romans in het Nederlands om de arrogantie van veel Nederlanders te weerspiegelen, en gebruikt die arrogantie ook om hen de gevolgen van dat gedrag te laten voelen. Maar in zijn eerste roman, Dubbelspel (vertaald door Lucille Berry-Haseth in het Papiamentu als Changá) en zijn laatste roman, laat hij die arrogantie achterwege en schrijft hij vanuit zijn humanistische overtuiging. Hij schrijft in het Engels als het gaat om taalkundige kwesties, zoals de oorsprong van het Papiamentu. Omdat Engels de lingua franca is van wetenschappers en geleerden van over de hele wereld die zich bezighouden met de studie van het Papiamentu. Voor de Papiamentu-lezers schrijft Frank in zijn moedertaal; liefdesgedichten, gedichten om mensen die dezelfde taal spreken en begrijpen te vertellen wat hij voelt, zijn gedachten, filosofie, ervaringen, bijvoorbeeld in Nederland bij koud weer. Dus drie talen, voor drie soorten lezers.

In de loop der tijd hebben recensenten en lezers Franks literaire werk onder verschillende namen gecategoriseerd: zwarte literatuur, filosofische roman, maatschappijkritiek of antikoloniale literatuur. Jos de Roo schreef over de roman Nobele Wilden dat deze niet langer onder de noemer ‘klassieke intrige-roman’ valt: “Het is een leesboek van alles: avonturen, beschrijvingen, schema’s, gesprekken, citaten, theorieën en brieven.” Zo creëert Frank een nieuwe categorie, de provocerende roman, altijd met een dosis spel en spelletjes.

In zijn laatste roman, De Deserteurs (2006), is Frank wars van conformisme. De vier deserteurs in het verhaal vechten tegen de slavernij, in een tijd van oorlog tegen de Engelse overheersing (Amerikaanse Revolutie, 1776-1789). Oftewel, de tijd van de oprichting van de Verenigde Staten. Een van de thema’s van de roman is: Het is vreemd dat ‘Amerika’ vecht voor zijn autonomie, onafhankelijkheid en vrijheid van Engeland, maar de strijd voor vrijheid van slaven in eigen land niet ondersteunt.

Het verhaal begint in Philadelphia, in de noordoostelijke staat Pennsylvania. In de proloog legt Frank uit waarom hij voor Philadelphia koos. In 1776 was deze stad, volgens hem, met ongeveer 35.000 inwoners, het centrum van de wereld. Veel inwoners waren Quakers, de enige stroming binnen het christendom die onomwonden anti slavernij was. In hun eredienst kennen Quakers geen dominee of andere voorganger. Hun uitgangspunt is: laten we in stilte samenkomen, zodat ieder zijn eigen stem en (bege)leider beter kan horen. Zo heeft ieder mens zijn eigen band met God, of soms is er helemaal geen band. Dit is een humanistische houding. Philadelphia, waar het Continentale Congres zijn hoofdkwartier had, besloot de oorlog aan Engeland te verklaren en de slavernij af te schaffen, en trok veel idealistische studenten van over de hele wereld aan. Ook bemiddelde studenten uit de Caraïbische koloniën, i.c. Barbados. Slaven van plantages in de zuidelijke staten van de Verenigde Staten zagen de stad als een veilige weg naar vrijheid en deden er alles aan om er te komen.

De Deserteurs gaat over vier vrienden die tijdens de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog voornamelijk tegen de slavernij strijden. De vier vrienden hebben totaal verschillende achtergronden. De afschaffing van de slavernij zal hun toekomst bepalen. Timothy Blinker komt zelf uit Philadelphia, John Trotman is de zoon van een Engelse plantagehouder op Barbados en diens mulattin-minares uit Martinique. Ho Ping Wang, wiens naam ‘Aangename Vrede’ betekent, komt uit China. Hij studeerde boeddhisme, confucianisme en taoïsme. Mohammed Sundiata is een prins van Senegal, die gevangen is genomen en tot slaaf is gemaakt.

Frank sluit zijn epiloog af met de eerste zinnen van de Onafhankelijkheidsverklaring (4 juli 1776): ‘We beschouwen het als een axioma dat alle mensen in oorsprong aan elkaar gelijk zijn, dat zij door hun schepper bedacht zijn met zekere onvervreemdbare rechten, waaronder Leven, Vrijheid en het streven naar Geluk.’ Frank sneert er aan toe dat het axioma niet geldt voor niet-Amerikanen.

Frank heeft deze roman opgedragen aan drie vrouwen: zijn moeder Marginia, zijn vrouw Trudi en zijn dochter Margi.
Als motto aan het begin van zijn roman citeert Frank de Koningin van Sheba: ‘En een wondermiddel zien te vinden om vooral meisjes te maken.’ Frank situeerde zijn Antilliaanse interpretatie van ‘Beatrijs’, een Europese middeleeuwse legende, namelijk ‘Ser Betris’, op het eiland Saba.

Het boek is verdeeld in acht delen. Deel vijf van zijn roman heet ‘De Koningin van Sheba’. De vier jongemannen vluchtten uit Statia en roeiden naar St. Kitts. Frank geeft een beschrijving van de Koningin van Sheba (p. 180):

‘… ze bleek niet lang van stuk (nog geen een meter zeventig) maar wekte een imposante indruk door haar lange haar, dat als een wijde sjaal van allerdunst gevlochten rietjes van onder een witte band om haar hoofd over haar schouders viel. Ze droeg een korte zwarte rok met daarboven een witte bloes zonder mouwen die haar borsten vrijliet. Deze waren verrassend energiek, met pittige punten die opzettelijk zwarter leken te zijn gemaakt dan de rest van haar huid. Ze droeg opvallende sieraden aan haar oren, hals en polsen. Haar zwarte pupillen fonkelden. Aan haar voeten had ze leren sandalen met windsels die onder haar knie samengebonden waren. Was dit de Koningin van Sheba?’ 

De vier jongelingen liggen, uitgeput van het geroei, op de grond. Ze hebben geen puf om op te staan.

‘Omdat ze daartoe weinig aanstalten maakten, gaf ze het dienblad weer aan een bediende om hen daarna met brede gebaren op vrolijke toon toe te spreken: “Ik ben zwart, maar mooi. Zeg mij waar u ’s middags uit de zon gaat zitten eten met uw kudde. Dan hoef ik mijn tijd niet te verdoen bij de kuddes van uw kameraden.”

Van de vier jongemannen deed alleen Mohammed een poging te reageren.

‘Hij kende de verzen niet, maar wist door de stijl dat ze uit een oud geschrift kwamen. Niet de koran, gezien de voor een vrouw zeer vrije toon, maar misschien de bijbel?’ (…)

‘Toen sprak de Koningin van Sheba opnieuw: “Laat hem mij kussen met de kussen van zijn mond want zijn liefde is beter dan wijn.” 
Nu herkende Timothy de verzen uit het Hooglied. Dus hij antwoordde: “Liefste, ik vergelijk je met de sierpaarden voor de koets van de farao.” 
‘Ze zei met een lach: “Deze drank zal de vermoeidheid uit jullie spieren halen.”
Toen ging Mohammed rechtop zitten. Hij krijgt een beker van de Koningin, die zegt:
“Mijn liefste ligt op mij als een rots van mirre de hele nacht tussen mijn borsten.” 
Eindelijk worden John en Ho Ping ook wakker. 
‘John zei het vers dat bij het vorige aansloot: “Werkelijk mijn liefste. Je bent werkelijk mooi. Je hebt duivenogen.” Terwijl hij dat zei, kwam het bij hem op dat hij eindelijk ook de bron wist van de zogeheten ‘Sonnetten voor de zwarte dame’ van Shakespeare, waar hij met anderen al zo lang naar op zoek was. (deze regels heb ik vet gemaakt.) En zonder dat hij er iets aan kon doen zei hij de eerste verzen van Shakespeares eerste zwarte sonnet:

Vroeger was zwart niet mooi; of indien dat al zo was,
dan droeg het nog niet schoonheids naam
Maar nu is zwart schoonheids enige erfgenaam…

Ze wierp haar hoofd naar achteren en lachte, omdat hij haar spel zo goed meespeelde. Daarna richtte ze zich weer tot alle vier.
“Mijn naam is Mary Ann, Marianne als u wilt. Hier hebben ze daar Koningin van Sheba van gemaakt. Omdat ik oorspronkelijk van Saba kom, een vulkaanberg vijftig kilometer hiervandaan.” 

We kunnen nu aannemen dat Frank zelf -alias John- van mening is dat Shakespeare zich liet inspireren door het Hooglied bij uitstek om zijn sonnetten te schrijven, opgedragen aan een zwarte vrouw.

Shakespeares oorspronkelijke sonnet is nummer CXXVII (127), dat als volgt begint:

In the old age black was not counted fair,
Or if it were, it bore not beauty’s name;
But now is black beauty’s successive heir,

In Poesia Soneto is dit nummer VII:

Antes no tabata konsiderá pretu nada bunita,
Pretu no ta’ta haña stul pa sinta na mesa
Mes. Pero awó ta pretu so ta manda banda banda

Interessant in Franks presentatie is dat de vertaling niet letterlijk is. Hij gebruikt een enjambement tussen vers 2 en 3, waar Shakespeare dat niet doet. In Shakespeares tijd was eindrijm een ​​van de kenmerken van een virtuoos. In de moderne poëzie is dat geen vereiste meer. Bovendien klinkt eindrijm in het Papiamentu vaak geforceerd. Franks meesterschap komt tot uiting in zijn idioom; hij vormt de inversies die in Shakespeares tijd gebruikelijk waren om in een hedendaags Papiamentu, met verrassende metaforen, wat resulteert in een dichterlijke taal. In het Papiamentu kennen we de uitdrukking ‘papiadó di bèrdat no sa haña stul pa sinta’ (iemand die de waarheid zegt, krijgt geen stoel om op te zitten), hier laat Frank ons ​​dit associëren met ‘Zwart is waarachtig mooi’.

Hij verlengt de uitdrukking ook door eraan vast te plakken ‘na mesa’ (aan tafel). Misschien doet hij dit omdat sommige verzen in dit sonnet rijmen; pobresa (armoede, vers 4), naturalesa (natuur, v 5), noblesa (adel v 7), tristesa (verdriet v 13) en bunitesa (schoonheid v 14). Maar Frank is vrij in zijn keuze van eindrijm; rijm is geen noodzakelijke regel.

In deel 1, ‘Het Licht van Philadelphia’, maken we kennis met Timothy Blinker, een 19-jarige jongen met de blauwe ogen van zijn vader en lang, blond haar. Opmerkelijk is dat hij meer luisterde dan sprak.
‘En áls hij sprak, deed hij dat langzaam en nadenkend, met zijn rechterhand aan zijn oor of kin, als verwachtte hij steeds meer van een ander te leren dan omgekeerd. Hij was niet alleen een quaker maar vooral ook een humanist in de volle zin van het woord: hij liet altijd twijfel toe.’ (Ik heb deze passage vetgedrukt.) (p. 18)

Hier geeft Frank een kenmerk van humanisten: humanisten staan altijd twijfel toe. Niet dat humanisten altijd twijfelen, nee, ze erkennen twijfel.

Het verhaal gaat verder:
‘En hij had maar één ideaal: de slavernij afschaffen – in heel het land, (…)’ (p 18)
Timothy was op de hoogte van het protest van de quakers in Germantown tegen de slavernij.
‘Hij vond het vooral bewonderenswaardig en bemoedigend dat deze gemeente aantoonde dat het mogelijk was zich in te kunnen leven in een ander. Men deed de ander niet aan wat men niet wilde dat hunzelf werd aangedaan. De situatie van Afrikaanse slaven, die door christenen geroofd, verkocht en gehouden werden, achtten ze vergelijkbaar met het lot van de christenen die in de zeventiende eeuw door Turken en Arabieren slaaf werden gemaakt. Hij ging zo vaak naar hun bijeenkomsten dat zijn moeder hem plaagde dat hij meer bij de gemeente van Germantown hoorde dan die van Philadelphia. Daar was hij trots op. Hij vond de quakers ware christenen omdat ze begrepen wat Christus bedoeld heeft met het onzevader in Mattheus 6:12-16: “Vergeef ons onze schulden zoals wij anderen hun schuld vergeven. Want zo gij aan de mensen hun fouten vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven. Maar vergeeft gij aan de mensen niet, dan zal uw Vader ook uw fouten niet vergeven.”

Timothy zegt op een gegeven moment verbitterd: ‘Hoe kunnen we aan onrecht de oorlog verklaren als wijzelf ons aan het grootste onrecht aller tijden schuldig maken: slavernij?’ (p 57) Ho Ping Wang vat wat Timothy zegt aldus samen: 
‘We moeten eenvoudig de onrechtvaardigen, de slavenhouders en slavenhandelaars, de weg naar het recht blijven wijzen.’ Het is alsof de auteur in een van zijn aliassen hier zelf aan het woord is.

Comments are closed for this page. Sorry.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter