blog | werkgroep caraïbische letteren

Anton Semmoh en andere miskende Surinaamse en Antilliaanse oorlogsveteranen

Vergeten aspecten van WO II

door Yvonne Olf

Dit historisch getinte stuk gaat niet specifiek over de Tweede Wereldoorlog. Maar het gaat er wel om dat er te weinig of zelfs nauwelijks aandacht in de geschiedenisboeken is geweest voor jonge Antilliaanse en Surinaamse mannen die als vrijwilligers en dienstplichtigen het leger ingingen tijdens WOII, Korea en ook voormalig Nederlands-Indië. KNIL-militairen afkomstig uit Suriname en de Antillen werden in Nederlands-Indië ingezet tegen Japan. Velen van hen werden krijgsgevangen gemaakt. Surinaamse en Antilliaanse soldaten konden alleen op vrijwillige basis naar het strijdtoneel in Europa en Azië worden gestuurd. 

Leden van de Schutterij, Willemstad, 1939 (NIMH).

Bekend zijn de Surinaamse gunners (kanonniers), die dienst deden op de marine- en koopvaardijschepen van de KNSM. Ongeveer 400 Surinaamse militairen (mannen en vrouwen) vertrokken naar Oost-Indië om te vechten tegen de Japanners. Velen keerden niet terug van het slagveld in Nederlands-Indië. Velen keerden niet terug uit WOII.

Enkele jaren na hun demobilisatie werden dezelfde militairen die in 1946 waren afgekeurd, opnieuw goedgekeurd en ingezet voor de VN-missie in Korea (1950-1953). Ook tijdens deze missie sneuvelden en raakten Surinamers gewond op het slagveld bij Pusan in Korea.

Over de inzet en de ervaringen van de Surinaamse en Antilliaanse militairen is helaas vrij weinig bekend. Wie waren die militaire vrijwilligers die over zee gingen? Wat gebeurde met die jonge jongens en meisjes die in het zuiden van Amerika (bijvoorbeeld Florida) werden geconfronteerd met segregatie, wat gebeurde met hen op de slagvelden, hoe heeft die oorlog hun jonge levens direct beïnvloed? Wie waren de Surinamers die in Nederland in het verzet gingen, welk effect had de Koreaanse-oorlog op die jongens die na hun Nederlands-Indië ervaring voor nog een tour bijtekenden, hoe hebben de ervaringen het verloop van hun verdere leven beïnvloed?

Te vaak wordt vergeten dat ook Antillianen uit Curaçao en Aruba en Surinamers een bijdrage hebben geleverd aan de bevrijding van 1945, actief in het verzet tegen de nazi’s waren en in Indonesië tegen de Japanners vochten. Dat er meer dan 100 Joodse Surinamers in de vernietigingskampen zijn vermoord wordt nauwelijks vermeld. Bekende namen zijn onder andere de Vries Robles, Bueno de Mesquita, de la Parra en Lopes de Leaô Laguna-da Silva (zie deze lijst). Na de oorlog oordeelde de Parlementaire Enquête (1951) hard over de afwijzende houding van de gouverneurs in de West. Er hadden veel meer joden opgevangen kunnen worden dan feitelijk gebeurd is volgens de Enquête commissie, die een overzicht gaf van de in Paramaribo geboren joden die de Holocaust en oorlog niet overleefden.

Dat Curaçao en Bonaire interneringskampen (gevangenenkampen) hadden is niet echt bekend. Ook hier is niets in de geschiedenisboeken terug te vinden. De bedoeling van de interneringskampen was om personen die als een “gevaar voor de rust en de veiligheid in het Gebiedsdeel” werden gezien, de mond te snoeren; zij werden in hechtenis genomen gedurende de oorlogsperiode of een deel ervan. Er werden ook mensen opgesloten met een Duitse achternaam en ook de al voor 1940 uit Europa gevluchte joden werden opgepakt. Deze interneringen werden op last van toenmalig Procureur Generaal mr. Thys van der Laan gedaan en wel zonder dat er een rechter aan te pas kwam. Voor het uitbreken van de oorlog, in 1939, werden er al voorbereidingen getroffen voor het geval Nederland bezet mocht worden. Ook werden de lijsten met de te arresteren personen al van te voren opgesteld.

Denkt u even in dat het voormalige quarantainegebouw in Mundo Nobo een interneringskamp is geweest, op Suffisant een Shell barak als interneringskamp werd gebruikt en dan uiteindelijk de politiecellen aan het Wilhelminaplein en Rio Canario voor dezelfde doeleinden werden gebruikt, namelijk het opsluiten van mensen die “een gevaar voor de staatsveiligheid waren”. Op Bonaire waren er verschillende kampen, o.a. Kamp Guatemala, drie schoolgebouwen, en kamp Playa Pariba (Het Flamingo Beach Club Hotel) van oktober 1940 tot februari 1947 (twee jaar nā de oorlog dus). Henri Benjamin Marquez, een gewone burger werd als eerste doodgeschoten op Aruba door een marinier.

Pedro Pablo “Dada” de Marchena, de bekende schrijver, dichter, activist werd verbannen naar het interneringskamp op Bonaire “Playa Pariba” in een kamp bestemd voor Duitsers. In die tijd schreef hij het bekende oorlogslied “Esta Dushi”. Het lied werd door de Portoricaanse zanger Daniel Santos gezongen, een bekendheid in het hele Caribisch gebied. “Dada” was een van de pioniers van de Caribische intellectuele emancipatie en antikoloniale kritiek en overleed uiteindelijk op Bonaire.

Surinamers in de Tweede Wereldoorlog

Tijdens mijn raadslidmaatschap voor de Groenen in Amsterdam-Zuidoost in de jaren ’90 werd ik benaderd door een Surinaamse oorlogsveteraan mijnheer Anton Semmoh, destijds al hoogbejaard, die via-via naar mij was toegestuurd met de vraag of ik niet wat brieven naar het ministerie van Defensie wilde schrijven om te proberen erkenning te krijgen voor de bejaarde Surinaamse en Antilliaanse mannen die naar Indonesië werden gestuurd. Daar moesten zij vechten tegen de opstandige Indonesiërs die voor het dekolonisatieproces waren. Na een jaar zeer intensief contact te hebben gehad met toenmalig staatssecretaris Gmelich Meijling is het toch gelukt in 1996 aandacht te vragen en het op de agenda geplaatst te krijgen voor de toen al zeer bejaarde oorlogsveteranen waarvan velen het niet makkelijk hadden. Deze groep werd niet erkend, kreeg geen (oorlogs)uitkering en moest eigenlijk alleen van de bijstand leven, die al laag was omdat zij te kort in Nederland woonden. Een aantal van hen woonde in de Amsterdamse Bijlmermeer, waar ook Anton Semmoh woonde. De groep werd natuurlijk steeds kleiner zeker gezien hun gevorderde leeftijd.

In 1943 werden jongens van hooguit 18 jaar via een wervingscampagne van de Nederlandse overheid gevraagd om zich op te geven om naar Australië te gaan, ‘Teken voor Australië en zie de wereld’, was de leus. De bedoeling was deze vrijwilligers samen te voegen met de Javaanse KNIL-compagnieën in Australië, waar zij de ‘gemotoriseerde guerrillatroepen’ moesten gaan vormen. In Australië kwamen zij terecht in de legerplaats Casino. In het gesegregeerde Australië hadden de Surinamers het niet gemakkelijk want zij kregen regelmatig te maken met racisme. Mijnheer Semmoh vertelde dat ook hij ermee te maken had en dat zij door altijd in Suriname te hebben gewoond dit niet gewend waren. Ze kregen een jungletraining en werden uiteindelijk verscheept naar Balikpapan in Borneo, nog steeds niet wetende dat zij moesten vechten. Zij waren namelijk in de veronderstelling dat zij werden ingedeeld voor politiediensten en bewakingsdiensten, zo werd hun bij de werving verteld. En dat was nu juist wat de meeste jongens niet wilden vertelde hij “omdat wij later pas beseften hoe gek het is dat de ene kolonie een andere kolonie, die zich aan het losrukken is, onderdrukte”. Hij omsingelde een keer een groep waarvan een man riep: “Niet schieten, ik ben een Surinamer”. In Suriname hadden wij Javaanse buren. Ik wilde niet tegen mijn buurman, mijn landgenoot vechten. En dan sprak hij hoe de Javanen, door Nederland als contractarbeiders in de negentiende eeuw naar Suriname waren aangevoerd nadat de slavernij werd afgeschaft.

Semmoh vertelde dat zij na terugkomst in Suriname werden afgekeurd waardoor zij geen militaire carrière konden maken, ook kregen zij nooit een deel van hun soldij en toelages uitbetaald. De armoede begon dus weer van voren af aan.

Er brak een periode van werkloosheid en armoede aan en de Korea-oorlog brak uit. Ook Nederland leverde troepen aan de VN strijdmacht en veel Surinaamse oud-strijders meldden zich opnieuw vrijwillig aan om in naam van Nederland in Korea te vechten.

Mijn belangstelling voor deze hoogbejaarde mensen heeft er uiteindelijk mede toe geleid dat Gmelich Meijling de erkenning op de agenda plaatste, wat voor mijnheer Semmoh als voorzitter van de Surinaamse club van oorlogsveteranen eigenlijk het belangrijkste was omdat zij in staat werden gesteld bij het jaarlijkse defilé op de Dam te mogen verschijnen. Inmiddels is mijnheer Semmoh er ook niet meer.

Gezien mijn interesse, en vooral de opvallende desinteresse in de geschiedenis van de mensen uit de West die hebben meegeholpen Nederland te bevrijden, leek het mij zinnig beknopt een artikel hieraan te wijden. Iets wat ik al heel lang wilde doen maar steeds weer uitstelde. Het is een tragische geschiedenis, en het is buitengewoon jammer dat de geschiedenis ons zo weinig vertelt over de jongens en meisjes van toen en hoe het verder is gegaan in hun leven.

Tot slot wil ik mijn waardering uitspreken voor de Stichting Eerherstel Oorlogsslachtoffers die zich hard maakt voor het in ere herstellen van genegeerde of miskende oorlogsslachtoffers uit de West.

Literatuur

Pieter-Jan van Eyk, Nederland en West-Indië: de betekenis van de Tweede Wereldoorlog voor het Nederlands koloniaal beleid ten opzichte van Suriname en de Nederlandse Antillen. Doctoraalscriptie Katholieke Universiteit Nijmegen, 1988.

Yvonne Olf is oud KLM-stewardess met 15.000 vlieguren, was tijdens haar vliegperiode deelraadslid voor de Groenen Amsterdam-Zuidoost (1991-1999) samensteller Zwartboek Bijlmervliegramp), kunstschilder, en exposeerde onder andere in het CCC Curaçao, Boston National Center of Afro-American Artists, Woodstock Gallery, Londen, Dubai Sheraton, Le Passage, Bonn, Am Schauspielhaus, Düsseldorf en Galeria Edad, Acapulco, Mexico. In de jaren 80 leefde zij een half jaar met haar zoon in de bergen van Huancayo in Peru. Sinds februari 2020 maakt zij samen met Geraldine Scheperboer-Parris deel uit van het bestuur van vereniging Hende-i-Medio-Ambiente (HiMA). Dit artikel is op persoonlijke titel geschreven.

3 comments to “Anton Semmoh en andere miskende Surinaamse en Antilliaanse oorlogsveteranen”

  • Buitengewoon interessant artikel. Ik juich het toe dat er aandacht wordt besteed aan ‘onze’ jongens uit de West die zich voor de Nederland hebben ingezet. Ik ben het eens dat dit in de geschiedenisboeken moet voor komen. Alles bij elkaar weer de zoveelste donkere bladzijde in de Nederlandse geschiedenis.
    Is het overigens bekend of er in Suriname of de Antillen nog oud veteranen in leven zijn. Ik kan mij voorstellen hoe hoog bejaard zij zouden zijn.

  • Helder. Thx for sharing.

  • In het Brabants Dagblad 06-07-20 het verhaal van de Surinaamse militair André Kroes, die niet alleen tegen Hitler en Japan, maar ook tegen de Indonesiers heeft moeten vechten. Dit terwijl hij in Paramaribo Javaanse schoolvriendjes had. Vanuit Indie trouwde hij ‘met de handschoen’ met zijn Tilburgse verloofde Rietje. André overleed in 2010. Het interview is met zijn weduwe.
    https://www.bd.nl/tilburg-e-o/surinaamse-soldaat-viel-voor-tilburgs-meisje-liefde-zonder-kleur-in-tijden-van-oorlog~aeca5c2a/

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter