Anders leren kijken naar Dirk Valkenburg
Wie Dirk Valkenburg kent, kent hem meestal van één schilderij: de beroemde voorstelling van dansende en musicerende tot slaaf gemaakte mensen op een Surinaamse plantage. Dat beeld heeft in de afgelopen decennia een bijna iconische status gekregen binnen de geschiedenis van Suriname, slavernij en koloniale beeldvorming. Na lezing van dit indrukwekkende boek is zo’n eenzijdige kennismaking echter onmogelijk geworden. Voor het eerst verschijnt Valkenburg niet als maker van een beroemd werk, maar als kunstenaar in volle omvang: schilder van portretten, jachtstukken, dierenstukken, plantagegezichten, technische tekeningen en tropische stillevens.
Deze monumentale uitgave bundelt vijftien essays van onderzoekers uit uiteenlopende disciplines en bevat ook de eerste volledige catalogue raisonné van Valkenburgs oeuvre. Daarmee is dit boek veel meer dan een kunsthistorische publicatie. Het is een ambitieus onderzoek naar een relatief vergeten kunstenaar en naar de koloniale wereld waarvan hij deel uitmaakte.
Eindelijk een Valkenburg
Dat een dergelijke publicatie zo lang op zich heeft laten wachten, is opmerkelijk. Valkenburg (1675–1721) was bepaald geen onbeduidende schilder. Hij werkte voor invloedrijke opdrachtgevers, genoot reputatie als portret- en jachtschilder en verbleef bovendien enkele jaren in Suriname. Toch bleef hij doorgaans ergens tussen beroemd en vergeten hangen: bekend genoeg om geregeld genoemd te worden, maar onvoldoende onderzocht om werkelijk begrepen te worden.
De grote verdienste van dit boek is dat het die situatie definitief verandert. De bijdragen van onder anderen Mark Ponte, Sabine Craft-Giepmans, Julie Hartkamp en Matthies Klink reconstrueren niet alleen Valkenburgs leven en werk, maar ook zijn opdrachtgevers, zijn artistieke netwerk en de verspreiding van zijn oeuvre. Daardoor ontstaat voor het eerst een samenhangend beeld van de kunstenaar achter de schilderijen.
De kwaliteit van de bundel schuilt bovendien niet alleen in de omvang, maar ook in de samenstelling. De bijdragen zijn geschreven door onderzoekers, schrijvers en denkers uit uiteenlopende disciplines. Het resultaat is geen boek met één dominante stem, maar een meerstemmig onderzoek waarin kunstgeschiedenis, koloniale geschiedenis, antropologie, erfgoedstudies en hedendaagse reflecties elkaar aanvullen, nuanceren en soms ook uitdagen.
De blijvende betekenis van deze publicatie ligt bovendien in de eerste volledige catalogue raisonné van Valkenburgs werk. Met 92 opgenomen werken, hernieuwd onderzoek naar toeschrijvingen, provenance, opdrachtgevers en verspreiding van het oeuvre biedt deze inventarisatie een fundament waarop toekomstig onderzoek kan voortbouwen. Verschillende schilderijen die eerder aan andere kunstenaars werden toegeschreven, kunnen dankzij dit onderzoek nauwkeuriger worden geplaatst binnen Valkenburgs artistieke ontwikkeling. Alleen al om die reden zal niemand die zich in de toekomst met Valkenburg bezighoudt nog om dit boek heen kunnen.
Van Amsterdam naar Palmeneribo
Een van de meest fascinerende inzichten betreft Valkenburgs verblijf in Suriname. Het boek laat overtuigend zien dat hij daar niet toevallig terechtkwam. In 1706 werd hij door Jonas Witsen, eigenaar van meerdere plantages, naar Suriname gestuurd om diens bezittingen vast te leggen. Valkenburg trad daarbij niet alleen op als schilder, maar ook als administratief medewerker binnen het plantagesysteem. Zijn contract voorzag zelfs in een aan hem toegewezen tot slaaf gemaakte dienaar.
Die context blijkt cruciaal.
Lang werd Valkenburg vooral beschouwd als een observator van de koloniale werkelijkheid. De essays in dit boek laten echter zien dat hij veel nadrukkelijker onderdeel was van die werkelijkheid dan vaak werd aangenomen. Dat blijkt vooral uit het indrukwekkende hoofdstuk van Frank Dragtenstein over de opstand op Palmeneribo in 1707. Op basis van archiefbronnen reconstrueert hij hoe spanningen op de plantage uitmondden in verzet door tot slaaf gemaakte mannen als Mingo, Wally, Baratham, Charle en Joseph. Valkenburg was daarbij geen neutrale toeschouwer. Hij koos de zijde van de plantageleiding, speelde een actieve rol tijdens de gebeurtenissen en legde later verklaringen af tegenover het koloniale gezag.
Juist deze reconstructie vormt een van de belangrijkste historische bijdragen aan het boek. Niet alleen omdat zij nieuw licht werpt op Valkenburg, maar ook omdat zij historische personen uit de anonimiteit haalt. De opstand krijgt namen, gezichten en een context.
Een andere blik op de slavendans
En dan is er natuurlijk Gathering of Enslaved People on One of Jonas Witsen’s Plantations in Suriname, het schilderij dat generaties onderzoekers heeft beziggehouden.

Het boek probeert dit werk niet te ontkrachten of weg te verklaren. Integendeel. Verschillende auteurs benaderen het vanuit uiteenlopende invalshoeken: kunsthistorisch, antropologisch, historisch en postkoloniaal. Daarbij komt niet een definitieve interpretatie naar voren, maar juist een rijk scala aan mogelijkheden.
Voor deze recensent ligt daar misschien wel de grootste betekenis van het boek.
Het schilderij zelf verandert immers niet. Wat verandert, is ons kijkkader. Wie eenmaal weet hoe nauw Valkenburg verbonden was met zijn opdrachtgevers, met de plantages van Jonas Witsen en met de gebeurtenissen op Palmeneribo, kan het werk niet langer uitsluitend beschouwen als een neutrale registratie van plantageleven. Het wordt tegelijk een document van een koloniale wereld én van de positie die de maker daarin innam.
Bijzonder waardevol is daarbij de bijdrage van Rebecca Parker Brienen, die laat zien hoe zelfs de titel en betekenis van dit beroemde schilderij door de tijd heen veranderden. Haar analyse maakt duidelijk dat niet alleen het werk zelf een geschiedenis heeft, maar ook de manier waarop ernaar is gekeken. Daarmee benadrukt zij een van de belangrijkste inzichten van de bundel: historische beelden zijn geen statische objecten, maar worden door iedere generatie opnieuw gelezen.
Dat maakt het schilderij niet minder waardevol, maar wel complexer.
Juist omdat Valkenburg een uitzonderlijk begaafd schilder was, worden de vragen die zijn werk oproept des te interessanter. De zorgvuldige composities, de aandacht voor landschap en atmosfeer en de verfijnde observatie van mens, dier en natuur verklaren mede waarom zijn werk blijft fascineren. De bundel laat overtuigend zien dat artistieke kwaliteit en koloniale context geen afzonderlijke onderwerpen zijn, maar samen gelezen moeten worden.
Juist die complexiteit loopt als een rode draad door de bundel. Valkenburgs Surinaamse werken worden nergens eenvoudigweg gelezen als objectieve documenten, maar ook niet als louter koloniale propaganda. De auteurs laten zien dat deze schilderijen tegelijkertijd registreren en construeren: zij bevatten unieke historische informatie over plantages, landschappen, gebouwen en mensen, terwijl zij diezelfde werkelijkheid ook esthetiseren, ordenen en presenteren vanuit het perspectief van opdrachtgever en kunstenaar. Die spanning tussen document en verbeelding maakt de werken niet minder interessant, maar juist historisch relevanter.
Meer dan slavernij
Een van de sterke punten van deze publicatie is dat zij het koloniale verhaal niet beperkt tot afbeeldingen van zwarte mensen. Ook de portretten van regenten, bestuurders en welgestelde echtparen worden onderdeel van hetzelfde netwerk. Verschillende opdrachtgevers blijken verbonden met de VOC, de WIC, de Sociëteit van Suriname en het plantagebezit. Daardoor worden portretten, jachtstukken en Surinaamse taferelen niet langer afzonderlijke genres, maar onderdelen van één sociaal en economisch systeem.
Juist hier gaat het boek verder dan Valkenburg alleen.
Het nodigt uit om anders te kijken naar vroegmoderne Nederlandse kunst in bredere zin. Niet alleen naar wat er wordt afgebeeld, maar ook naar de wereld die zulke afbeeldingen mogelijk maakte. In dat opzicht sluit het aan bij ontwikkelingen binnen de kunstgeschiedenis die de afgelopen jaren steeds meer aandacht hebben gekregen, maar nu consequent en uitgebreid zijn uitgewerkt.
Meerdere perspectieven, geen eenvoudige antwoorden
Niet iedere bijdrage zal overigens alle lezers in gelijke mate aanspreken. Naast kunsthistorische en historische analyses bevat de bundel ook essays die nadrukkelijk reflecteren op de manier waarop beelden betekenis krijgen en door verschillende generaties worden geïnterpreteerd. Lezers die vooral op zoek zijn naar een traditionele kunstenaarsbiografie zullen daar soms aan moeten wennen. Toch past die benadering bij de ambitie van het project. De redacteuren willen Valkenburg niet alleen reconstrueren als kunstenaar, maar ook onderzoeken hoe zijn werk vandaag gelezen en geïnterpreteerd wordt.

Juist de samenhang tussen die uiteenlopende benaderingen is een van de grote verdiensten van Willem de Rooij als initiator van dit project. De bundel stuurt niet aan op een definitieve interpretatie van Valkenburg, maar organiseert een gesprek tussen verschillende disciplines, bronnen en perspectieven. Daardoor ontstaat geen gesloten verhaal, maar een intellectuele ruimte waarin historische reconstructie, kunsthistorische analyse en hedendaagse reflectie elkaar voortdurend bevragen.
Dat verschillende kijkkaders naast elkaar bestaan, blijkt misschien nog het duidelijkst uit de bijdragen van Renzo Duin, Agir Axwijk en Karin Amatmoekrim. Waar sommige auteurs vertrekken vanuit archieven, opdrachtgevers en kunsthistorische analyse, onderzoeken anderen hoe Valkenburgs beelden gelezen kunnen worden vanuit Surinaamse ervaringen, herinneringen en perspectieven die lange tijd nauwelijks een plaats kregen binnen de Nederlandse kunstgeschiedenis. Daarmee verschuift de aandacht van wat op het doek staat naar de vraag wie kijkt en vanuit welke historische positie.
Een van de meest tot nadenken stemmende bijdragen is het korte essay van Karin Amatmoekrim. Uitgaande van de Nederlandse vlag in Valkenburgs voorstelling van Waterland stelt zij een ogenschijnlijk eenvoudige vraag: voor wie heeft zo’n symbool eigenlijk betekenis? Via een verrassende vergelijking met een historische foto van een korjaal waarop een nazi-vlag wappert, laat zij zien dat de betekenis van symbolen nooit vanzelfsprekend is. Voor degene die het symbool voert kan een vlag staan voor identiteit, eigendom en gezag; voor degenen die ermee worden geconfronteerd kan diezelfde vlag vrijwel betekenisloos zijn. Daarmee raakt haar essay aan een centrale vraag van de bundel: wie kijkt, vanuit welke positie, en welke betekenissen worden daarbij als vanzelfsprekend beschouwd?
Juist daardoor ontstaat een boek dat geen eenvoudige antwoorden biedt. Het presenteert verschillende kijkkaders naast elkaar en laat zien hoe één en hetzelfde kunstwerk door historici, kunsthistorici, antropologen en erfgoedspecialisten heel verschillend gelezen kan worden. Dat is soms uitdagend, maar maakt de publicatie ook intellectueel rijk.
De omvang van het boek – zeshonderd pagina’s – zal sommige lezers wellicht afschrikken. Dit is geen publieksboek en probeert dat ook niet te zijn. De bijdragen zijn stevig, soms theoretisch en vragen de nodige concentratie. Toch is die omvang geen zwakte, maar een direct gevolg van de ambitie van het project. Een eerste integrale studie van Valkenburg kon moeilijk dunner uitvallen.
Wel roept de publicatie een wens op. Juist omdat hier zoveel nieuw onderzoek bijeenkomt, zou een toegankelijker boek voor een breder publiek welkom zijn. De inzichten die hier worden gepresenteerd verdienen het om ook buiten academische en specialistische kringen gelezen te worden.
Conclusie
De grootste verdienste van Dirk Valkenburg is misschien niet dat het antwoorden geeft, maar dat het nieuwe vragen mogelijk maakt. Over kunstenaarschap en opdrachtgeverschap. Over slavernij en koloniale macht. Over representatie en beeldvorming. En vooral over de manier waarop wij vandaag naar historische beelden kijken.
Het belang van dit boek reikt bovendien verder dan Dirk Valkenburg alleen. Wie de verschillende bijdragen achter elkaar leest, ontdekt gaandeweg dat de bundel niet uitsluitend gaat over een kunstenaar, maar over de manier waarop beelden functioneren binnen een samenleving. De portretten van regenten, de jachtstukken, de Surinaamse landschappen, de afbeeldingen van tot slaaf gemaakte mensen en zelfs details als een vlag op een boot blijken verbonden met grotere vragen over macht, status, eigendom en representatie. In die zin is Valkenburg niet alleen onderwerp van onderzoek, maar ook een toegangspoort tot de wereld waarin zijn schilderijen ontstonden.
Na dit boek kijken we niet alleen anders naar Dirk Valkenburg. We kijken anders naar de wereld waaruit zijn schilderijen zijn voortgekomen. Misschien nog belangrijker: het boek nodigt uit om ook andere kunstenaars uit de koloniale periode opnieuw te bekijken, met oog voor zowel hun artistieke kwaliteiten als de maatschappelijke en koloniale structuren waarin zij werkten. Daarmee lijkt deze bundel niet alleen het standaardwerk over Dirk Valkenburg te worden, maar ook een belangrijk ijkpunt voor toekomstig onderzoek naar Nederlandse kunst, koloniale beeldcultuur en de veranderende manier waarop historische beelden worden gelezen. Dat is een zeldzame prestatie. En precies daarom is dit een uitzonderlijk belangrijk boek.
Willem de Rooij & Karwan Fatah-Black (red.), Dirk Valkenburg. A Critical Analysis of Visual Culture in the Early Modern Netherlands. Amsterdam University Press / Centraal Museum, 2026, 600 p.