blog | werkgroep caraïbische letteren

Alphons Levens: Meer hosselaar dan schrijver

door Nikki Mulder

 Van alle schrijvers die Suriname rijk is, is Alphons Levens misschien wel degene die er het meest op gebrand is zijn gedichten en verhalen gelezen te krijgen. Zijn nieuwste boek Ik zal leren totdat ik moe ben ligt sinds vorige week in de schappen. Tijd voor een gesprek, over de auteur achter de [sic] proza met de bittere nasmaak.
Alphons Levens. Foto @ Claudio Barker.
Hij noemt zichzelf meer hosselaar dan schrijver. Niet dat hij twijfelt aan zijn schrijfkunsten. Het is meer dat het schrijverschap in het kleine Suriname met zoveel extra werk komt. Levens houdt het niet bij het creëren van verhalen en gedichten. Hij neemt bijna de gehele keten van literaire schepping en correctie tot aan de bevoorrading van boekwinkels en bibliotheken en de promotie op zijn schouders.
De meeste van zijn boeken geeft hij in eigen beheer uit – hij betaalt dus persoonlijk voor de drukkosten. Vervolgens bezorgt hij ze vers van de pers met zijn bromfiets bij de boekwinkels. Ook de aankondigingen in de media doet hij zelf, evenals het maken van afspraken en het bijhouden van de boekhouding. “Ik zorg er wel altijd voor dat de boeken in de winkels liggen voordat ik begin te kraaien.” Mensen moeten zijn gedichtenbundel of kort verhaal namelijk kunnen kopen zodra er advertenties in de kranten staan.
Control freak
Maar daar houdt Levens niet op. De boekhandels stellen een schrijver namelijk niet op de hoogte zodra een boek is uitverkocht. Elke zaterdagmorgen steekt de ex-onderwijzer op zijn Yamamoto – al sinds 1987 rijdt hij geen auto meer – de Wijdenboschbrug over en legt een vast traject af langs de boekwinkels. Om te kijken hoe de zaken ervoor staan, en soms zelfs, in de minder georganiseerde zaken, om een gedichtenbundel uit het rek met pornografische tijdschriften te vissen. Mocht een pennenvrucht van een collega ook misplaatst zijn, dan schroomt Levens niet om het op de juiste plek terug te zetten.
Hij is wel een beetje een control freak, dat geeft hij zelf toe. Het doet hem terugdenken aan de tijd dat hij nog werkte als journalist voor het weekblad Pipel, na zijn terugkomst naar Suriname in 1977 tot aan de censuur in 1982. “Als ik iemand ging interviewen, zeker als dat een belangrijk persoon was, nam ik naast mijn notitieblok nog twee cassetterecorders mee. Voor het geval dat één me in de steek zou laten.” Ook voor reportages in de districten nam hij altijd het zekere voor het onzekere. Dan liep hij te sjouwen met twee cassetterecorders en twee fototoestellen. Alles deed hij dubbelop, voor het geval dat.
Verkoopcijfers
Nu nog steeds kan hij moeilijk loslaten. Levens bemoeit zich met elke stap die zijn geschreven woord aflegt. Dat levert hem wel verkoopcijfers op waar zelfs Nederlandse dichters alleen maar van kunnen dromen. “Toen ik mijn eerste dichtbundel wilde uitgeven, zeiden een paar schrijvers tegen me: ‘Begin 500 te drukken. Meer zal je er in Suriname niet kwijt kunnen.’ Maar dat vond ik te weinig, dus ik liet duizend exemplaren drukken.” Die eigenwijsheid loonde: hij verkocht ze allemaal. Als hij nu een nieuw verhaal uitbrengt, begint hij meestal met een oplage van tweeduizend. Dichtbundels starten bij duizend exemplaren. Veel verdient hij echter niet aan zijn schrijversbestaan. Misschien net genoeg om zijn volgende boek te kunnen uitgeven. Toen hij in de jaren negentig eens een boek overhandigde aan de toenmalige directeur van Cultuur, Elfriede Alexander- Vanenburg, maakte zij snel een rekensommetje bij het horen van de verkoopprijs.
“Maar daar houdt u geen droog brood aan over!” luidde haar verbaasde conclusie. Maar Levens denkt er niet aan om de prijs van zijn pennenvruchten te verhogen. “Ik schrijf om gelezen te worden. Als ik ze duurder maak, dan blijf ik ermee zitten.” Vanuit die simpele drijfveer – schrijven om gelezen te worden – praat hij ook tegen beginnende schrijvers die advies komen inwinnen. Die schrikken namelijk vaak van de offerte van de drukkerij en laten het er dan bij zitten. “Begin je auto te verkopen, zeg ik dan. Ik zeg niet dat je op straat moet slapen. Maar je hebt gewerkt en gezweet op dat boek en als je niet gefrustreerd wilt raken omdat het niet is uitgegeven, dan moet je er iets voor opgeven”, is zijn nuchtere commentaar.
Pessimist
Diezelfde nuchterheid ligt aan de basis van Levens’ gedichten en verhalen. Zonder uitzondering zijn die doorspekt met maatschappijkritiek. “Ik bejubel geen dingen die fout zijn. Als iets zwart is, kan ik niet schrijven dat het wit is”, is zijn stelling. Hij staat niet pessimistisch in het leven, beweert de ex-onderwijzer. Levens observeert dagelijkse gebeurtenissen en schrijft over die realiteit. “Sommige mensen zeggen dat het zo negatief is, maar het gebeurt.”
Als voorbeeld grijpt hij naar een dichtbundel met daarin het gedicht ‘Twee vlechtjes’ uit 1992. “Ik was onderweg van school naar de Ware Tijd en kocht onderweg een broodje pom tegenover Krasnapolsky. Plots hoorde ik achter me iets graaien in de vuilnisbak. Eerst dacht ik dat het een hond was, maar toen ik me omdraaide, zag ik een klein meisje in lagere-schooluniform met twee vlechtjes wegrennen met een stukje brood dat ze snel in haar mond stopte. Dat was de eerste keer dat ik een Surinamer zag eten uit een vuilnisbak.”
Of die keer dat hij in 1991 in aanloop naar de verkiezingen huis aan huis ging voor de Volkspartij. Het was tegen het einde van de Binnenlandse Oorlog en voor het eerst zag Levens met eigen ogen wat er van de vluchtelingen was geworden. “Ik kwam in een groot woonhuis en ging van kamer tot kamer; in elke kamer woonde een gezin”, zegt hij alsof hij er nog steeds van schrikt. “Toen ik dacht dat ik klaar was, werd ik naar achterop geleid. Daar waren van het huis naar de muur van het erf zeilen gespannen en daar woonde nóg een gezin.”
Al die persoonlijke observaties giet Levens in verhalen en gedichten, waardoor ze soms een bittere nasmaak hebben. Zelf vindt de schrijver die negatieve lading wel meevallen. “Als je wijst op de dingen die anders kunnen, ben je dan negatief?” Stil herkauwt hij die vraag. “Nee”, klinkt zijn voorzichtige antwoord, “als je kritisch bent in het belang van het land, dan ben je niet negatief.” Levens grijpt naar een voorbeeld vanuit de klas. “Als een leerling drie keer een onvoldoende haalt en je zegt hem dat hij beter kan, ben je niet bezig hem te treiteren. Dan ben je niet negatief. Die jongen kan beter. Suriname kan beter.”.-.
[uit de Ware Tijd, 03/11/2013]

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter