blog | werkgroep caraïbische letteren

Alkmaar en het slavernijverleden

Een stad die haar eigen spiegel niet herkende

Alkmaar en het slavernijverleden is een boek dat een stad dwingt opnieuw naar zichzelf te kijken. Fatah-Black en De Koning openen archieven waarvan lang werd aangenomen dat ze slechts randnotities bevatten bij een koloniale geschiedenis die zich elders afspeelde. Het tegendeel blijkt waar. In de resoluties, investeringsregisters en bestuurlijke notulen komt een stad naar voren die zich actief inliet met de opbouw van de VOC en WIC. Alkmaar zocht invloed, leverde schepen en manschappen, verstrekte subsidies en onderhandelde over posities binnen de compagnieën. In geen van deze documenten wordt slavernij moreel bevraagd; het verschijnt uitsluitend als een praktisch onderdeel van handel, oorlog en bestuur.

Het doel van het boek

Vanaf de inleiding maken de auteurs duidelijk waarom dit onderzoek noodzakelijk was. Eerdere tentoonstellingen en gesprekken in Alkmaar onthulden hoe weinig de stad werkelijk wist over haar eigen koloniale verwevenheid. Er bestond behoefte aan een systematisch historisch overzicht, gebaseerd op primaire bronnen, dat de vele losse flarden van kennis samenbrengt. Dit boek wil niets toevoegen dat niet in het archief te vinden is: het wil zichtbaar maken wat er al die tijd al lag. Zo ontstaat eindelijk een fundament voor een gesprek dat te lang op indrukken en aannames dreef.

Waar Alkmaarders voet aan wal zetten, volgden ketenen

Het boek wordt bijzonder sterk waar het individuele levens volgt. Vanaf de vroege reizen van de broers De Houtman wordt duidelijk dat geweld en ontmenselijking geen latere ontsporingen waren, maar vanaf het begin onderdeel van Nederlandse expansie. Op Madagaskar werden kinderen geroofd: een vroege aanwijzing van een koloniale praktijk die later zou worden geïnstitutionaliseerd binnen de VOC.

In Azië duiken Alkmaarders op in uiteenlopende functies: als bestuurders, als handelaren, als bezitters van tot slaaf gemaakte mensen. Wollebrant Geleynssen de Jongh kocht kinderen en vrouwen, liet hen verplaatsen binnen het VOC‑rijk en gebruikte hen als persoonlijk bezit. Cornelis van der Lijn, Alkmaarder en later gouverneur‑generaal, maakte deel uit van een systeem waarin slavernij en dwangarbeid vanzelfsprekend waren binnen het bestuur.

De plantages spreken terug

De meest indringende delen van het boek volgen Alkmaarders in Suriname, Essequibo en Berbice, gebieden die tegenwoordig binnen de grenzen van Guyana liggen. Deze aanduiding helpt slechts om het hedendaagse geografische kader te begrijpen; de analyse blijft volledig binnen de historische bronnen zoals het boek die presenteert.

Plantage Alkmaar in Suriname vormt een van de scherpste en pijnlijkste casussen. Jacob Hengevelt, afkomstig uit Alkmaar, leidde de plantage niet alleen als eigenaar maar ook als militair opperhoofd. Hij nam deel aan expedities tegen marrons en was betrokken bij straffen en executies. De plantage werd bevolkt door tientallen tot slaaf gemaakte mensen, waarvan de levens tot in detail werden vastgelegd in inventarissen: namen, leeftijden, taken, familiebanden, waarderingen. Deze administratieve precisie legt bloot hoe mensen systematisch tot bezit werden gereduceerd.

Suriname als scherpste spiegel

In Suriname worden de sporen van Alkmaarse betrokkenheid het meest tastbaar. De inventarissen van Plantage Alkmaar tonen niet alleen hoeveel mensen er werkten, maar ook hoe zij leefden, hoe gezinnen werden gevormd en uiteengerukt, en hoe ieder individu een plaats kreeg binnen een dwingend economisch systeem. Het boek laat zien hoe marrons hun vrijheid bewaakten en uitbreidden, en hoe Alkmaarders zoals Hengevelt betrokken waren bij pogingen om die vrijheid met geweld te breken. Suriname wordt zo het toneel waarop de menselijke gevolgen van Alkmaarse keuzes het scherpst zichtbaar zijn.

Ook in Essequibo zien we Alkmaarders actief. Het dagboek van Adriaan van der Mieden laat zien hoe vanzelfsprekend slavernij voor hem was: hij beschrijft taxaties, veilingen en straffen zonder aarzeling. Zijn taal toont hoe koloniale hiërarchie en ontmenselijking niet alleen een systeem waren, maar een manier van denken en handelen.

De kolonie in de Alkmaarse huiskamer

Het boek laat helder zien dat het koloniale systeem niet alleen ver van huis bestond. Suiker, koffie en tabak — productie van tot slaaf gemaakten — circuleerden dagelijks door Alkmaarse keukens en winkels. Belastingen op VOC‑ en WIC‑aandelen leverden inkomsten voor de stad. Families bouwden vermogen op via plantages, slaventransporten of functies binnen de compagnieën.

Wat vooral opvalt: Alkmaar kende vrijwel geen abolitionistische stroming. Slechts een enkeling, zoals predikant Cohen Stuart, sprak voorzichtig over afschaffing. De lokale pers beschreef opstanden in de koloniën voornamelijk vanuit het perspectief van rust en orde, niet vanuit dat van degenen die zich tegen onderdrukking verzetten.

Het archief als getuige – en als aanklacht

Alkmaar en het slavernijverleden is geen pamflet, maar een minutieus onderzoek dat het archief zijn werk laat doen. De bronnen spreken: resoluties, inventarissen, notulen, brieven en het beeld dat daaruit oprijst is onontkoombaar: Alkmaar was geen buitenstaander in het slavernijsysteem, maar deelnemer, profiteerder en medebouwer.

Voor lezers met wortels in Suriname of het Caribisch gebied is dit boek herkenbaar en ontwapenend. Het legt de verbinding tussen plantages en polderstad open, niet in slogans, maar in documenten. Het maakt zichtbaar wat te lang werd weggelaten: dat de koloniale wereld en de Hollandse steden geen gescheiden verhalen zijn, maar dezelfde geschiedenis. Het archief sprak altijd al; dit boek zorgt er alleen voor dat wij eindelijk luisteren.

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter