blog | werkgroep caraïbische letteren

Aletta Beaujon: de schoonheid van het woord

Vorig jaar werd een opmerkelijke vondst gedaan in de Collectie Antilliana van de Centrale Bibliotheek Den Haag. Het betrof een uit de jaren vijftig van de vorige eeuw daterende agenda van dichter Aletta Beaujon.Een agenda vol met ongepubliceerde gedichten.

Gedichten die het rijpingsproces hadden doorstaan en hun configuratie zag veranderen. Als dichter was tot nu toe heel weinig van haar bekend. Alleen de gedichten die in Antilliaanse Cahiers en in de Sticusa-uitgave Kennismaking met de Antilliaanse en de Surinaamse poëzie (1973) zijn verschenen, geven een beeld van de stijl en thematiek van de dichter.

chter vorig jaar kwam Klaas de Groot tot deze ontdekking, reden genoeg voor Caribe magazine om hem te interviewen. Vandaag het eerste deel van ons interview met hem.

U was bezig in de bibliotheek en liep langs de kasten vol met boeken op zoek naar bepaald materiaal voor uw werkzaamheden. Kunt u zich herinneren hoe u de agenda van Aletta Beaujon op het spoor kwam?

Ja, dat kan ik me goed herinneren. Op 2 april 2008 was ik in de Centrale Bibliotheek in Den Haag. Daar is een Antilliaanse afdeling. Ik werkte de rij gedichtenbundels in de Antilliaanse kasten alfabetisch af, op zoek naar gedichten over de Caribische eilanden van het koninkrijk. En als je iets alfabetisch onderzoekt, kom je vanzelf bij Beaujon.

Gedurende ettelijke minuten of zelfs uren had u de agenda in handen. U bladerde de agenda door en las misschien enkele gedichten hieruit. Wat was uw eerste reactie toen u tot deze ontdekking kwam?

Eerst grasduinde ik door de agenda en vergeleek wat gedichten met het materiaal dat in de Antilliaanse Cahiers is gepubliceerd. Die Cahiers staan keurig gebonden op dezelfde planken. Na wat telwerk werd duidelijk dat 64 van de 78 agendagedichten niet terug te vinden waren. Toen werd ik wakker en rende naar het kopieerapparaat. Verrassend mooi vond ik die “nieuwe” gedichten. En ik twijfelde geen moment aan de echtheid van de agenda, met allemaal Sticusa-stempels, hier en daar een potloodkruis en een keurig ingeplakt visitekaartje.

Meestal staat de eerste versie van een manuscript nog niet in de juiste chronologische volgorde en hangen er een paar gedichten los tussen elkaar.

Dit is duidelijk een manuscript in een late versie, misschien wel de laatste. De gedichten zijn heel leesbaar geschreven met zeer weinig doorhalingen. Uit de agenda zijn ooit veertien gedichten geselecteerd voor een uitgave in de Antilliaanse Cahiers. Dat zijn de Poems while in Delos, die in 1959 verschenen. Bij bepaalde gedichten staat een potloodkruis. Misschien zijn die kruisen wel van Cola Debrot. Hij was een oom van Beaujon en hielp zijn nicht bij haar dichtwerk. Ook was hij één van de redacteuren van de Antilliaanse Cahiers.

Welk gedicht staat als eerste genoteerd in die agenda? En welke emoties kwamen toen bij u op?

Het eerste gedicht heet Aigaion: Meeuwen en als je verder leest, zie je dat deze gedichten in een hecht verband zijn geplaatst. De hele reeks is eigenlijk ook een reisverslag met aankomst, verblijf en vertrek. As je dat ziet en je houdt van poëzie en verslagen van zeereizen, ja, dan ben je een gelukkig mens.

U bent een Antillenkenner met bijzondere belangstelling voor de Antilliaanse literatuur. Kende u de dichter van eerder werk?

Haar gedichten uit de Antilliaanse Cahiers kende ik. De bundel Gedichten aan de baai en elders en de reeks Poems while in Delos heb ik eerder gelezen, haar gedichten over Slagbaai heel vaak. Maar echt goed gelezen had ik het werk niet, merkte ik nu. Ik kende haar portret van Cola Debrot in de opstellenbundel De eenheid van het kristal , maar wist van Beaujon zelf verder weinig. Trouwens, het etiket Antillenkenner vind ik te veel eer. Ik houd van het werk van veel Antilliaanse auteurs en ken een beetje de weg op Curaçao en Aruba, omdat ik er gewoond heb. Dat is het wel.

Wellicht dacht u bij de vondst van de agenda: Hoe bestaat het dat zo’n agenda zomaar tussen andere boeken ligt. Toen het bij u doordrong dat het gedichten betrof die een halve eeuw eerder werden geschreven. Wat meende u toen?

Dat het manuscript zo goed bewaard is, hebben we te danken aan de Sticusa en de Haagse bibliotheek. Maar de agenda moet wel achter slot en grendel, het is tenslotte een unicum. De gedichten zijn dan wel een halve eeuw oud, maar dat zegt niets. Een goed gedicht van eeuwen geleden is nog steeds een goed gedicht.

Morgen verschijnt deel 2 van mijn interview met Klaas de Groot.

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter