blog | werkgroep caraïbische letteren

A.H. de Tirlemont – Calypso

de rouw in de bus
de vrouw op reis

het zwart in het wit,
Calypso, de schitterende
onder de godinnen,
deinend vanuit haar billen:
‘blijf van m’n tomaatje af’

en hij blind van wat dan
ook, tastend in het brandingschuim

Calypso, de stralende der
godinnen, een kompas
voor de weerspannige draak

een blos in haar glanzend
oog, de kist op de bus
heeft z’n eigen ritme

een traan welt op uit z’n
linkeroog, de jeuk in z’n
oor is onophoudelijk

de stem sprak en zeide
‘wat zoekt ge in ‘t schuim
dat u blind slaat en zilt
doet smaken?’

rouw in de bus
om de kist op het rek,
op weg naar de bewoner

‘de enige dat we kunnen
omarmen in het leven
is de dood,’ de verblinde snikte

daar waar kist & schuim
elkaar raken staan de golven stil

zo wordt Calypso bezongen,
meisje, waar zette je ‘torlogie?
inkleuren naar inschatting
van verspreking in
tong besloten ligt,

het lezen van de golven,
het zaaien op de wind,
de dravende wolken,
de geiten grazen weids,

ruggelings stamelend stommelt
hij dan toch op het droge strand,
voeten holkrimpend op het gestoofde zand

de roeispaan op het graf,
geschuurd door de passaat,
de heuvel die schaduw werpt
voelt zich lid van de club
zonder naam, ongerijmd zich
vasthoudend aan datgene
wat er niets mee te maken had

de bus nadert het marktplein
daar waar Calypso haar oliën
betrekt, om haar glans
op peil te houden

gij komt van overal
en gaat nergens heen,
ja, gij zult opgaan in ‘t niets

hij is niet op zoek naar
het moment, het vindt hem

tussen de knopen van tijd
en ruimte, in de matrix
van het geluid

er was geen vis meer, louter
water of wat daar voor
doorging, hij gevangen
 in zijn schrikbeeld

Calypso uit zinderend geslacht
vol gesublimeerd verlangen
verplaatst zij enkels
in het licht

en dan, hoe het wijkt,
heeft het licht teveel gezien?
licht van binnen naar buiten vervagend

hij stond in witte marteling
zag groen granieten schip
met vuur op de punt
in de verduisterde dag

het verhaal als vorm van geheugen
als reden van bestaan
op het scheiden van de markt

wiegen in donker water
als van voor de partus,
gevangen voor de sluis

zo steeds verder in het leven,
nader tot de dood, draait hij zich
om, ziet de heuvel in al haar glorie

de bus het marktplein opdraait
indigobepakte en witgejurkte
familie zich dommelend om de kist
schikt met affuit en ezel

hij zich in gang zet en
de heuvel de heuvel laat
het volle leven tegemoet

in het holst van de dag
wordt nog frisse hibiscus
kransvormig op de kist geschikt,
de stoet zich wiegend in
beweging zet, Calypso,
onbestorven weduwe,
slepend voorop

hij, dorstend naar het dorp
en haar lafenis, zich over
rotsige bodem begeeft

een kolibrie zoevend om
zijn hoofd, honinggeur verspreidend

passaat zachtjes in
oren wappert, er tegenliggers
noch medepassanten zijn
het diabaas ongenaakbaar blakert

na de siësta trekt de stoet
wederom door het dorp en
stopt naast een herberg
voor eerste verfrissing
op het moment dat hij roodbepoederd
en met leren tong het dorpsplein
betreedt, zieltogend
in eigen damp

haar en zijn blik elkaar kruisen
op de drempel, een vlucht juichende
flamingo’s het plein overschaduwt

Calypso zeigt neer op een stoeltje,
zich deppend met lavendelgeurige
doek, de familie zorgelijk om haar
heen schaart, druk gebarend fluistert

hij zet voet op de koperen
rail, zet het eerste beparelde
flesje aan dorre lippen, daas
van de klap op de drempel

als hij de laatste teug genomen
heeft, een blik door het lokaal
laat gaan om te zien of er nog wat te
domineren valt, wordt hij benaderd
door de clan–oudste: ‘gij zijt gewogen
en uitverkoren bevonden’,

schokschouderend knikt hij ja en
loopt met de oude mee, die hem bij
de elleboog tot voor Calypso leidt,
met zachte dwang hem
op z’n knieën maant

in overgave knielt hij, kust
Calypso’s bestofte voeten, slijm loopt
hem de neus uit, blijft enkele minuten
haar enkels omhelzend liggen,
dan wordt hij omhoog geholpen
naar buiten gevoerd

zij het plein betreden, de stemmen
verstommen, kinderen hun spel staken

de kist al die tijd open
voor de deur gestaan
krijgt zijn bewoner

hij wordt in de kist
gehesen en met een emmer
brak water afgespoeld

loom simmerend glijdt
de stoet de straten door

trom wordt licht geroerd
op elke hoek voegt er zich
een instrument bij, klarinet,
wasbord en hak, onder een tamarinde
alwaar de dienst plaats gaat vinden,
een halve mijl buiten het dorp
staan bas en steelpan klaar

op plagende wijze een fles rum
doorgevend, komt de ceremonie op
gang terwijl hij in de kist gelegen
sereen zijn ogen sluit

wierook brandt, kaarsen
walmen bij het vallen van
de avond, een geit wordt
aan het spit geregen

Calypso die zich steeds afzijdig
hield, swingt tergend traag
dichterbij, prevelt zachtjes
haar gebeden de boom in

de sessie duurde uren vol
sloom sidderende tot felle
ritmes, Calypso in trance raakt,
stemmen door zich laat spreken

nadat zij in een bad verkoelend
water gedompeld is schrijdt zij
soepel op kist toe,

prevelt haar zoveelste litanie,
buigt zich voorover, kust hem in
de kist, met ogen open,
voegt zij zich bij hem

hun vereniging is nakend
papagaaien krijsen opgewonden,
medevierenden liggen te ronken of
zwalken terug naar het dorp

zij ineengestrengeld zich uit de
kist wurmen, zien hem spontaan
ontbranden, wijl ze zich op 25
meter van omhulsel bevinden en
zich op laten lossen in het licht
van de maan die de nacht omhelst

zo ontmoette hij zijn heuvel,
zo vond zij haar boom,
zo ontmoetten zij elkaar
in tegendelen die scharnierden
op dezelfde spil

in de ochtend op het strand
onder het bladerdak
begroet de zon hen onder
de begeleiding van
zacht zingende vissersstemmen

zag dat het goed was
het begin van een
nieuwe wereld

ontwaken van de eerste dag
die hen onwennig in de ogen kijkt

ze sjokken naar hun bootje
dat opgetuigd klaar ligt,
gaan zachtjes over het schuim
op weg, op jacht naar hun
eerste gezamenlijke maaltijd

de man op reis
de vrouw op doorreis
het wit in het zwart
het rood in het blauw

het oog in het hart
dood in de prauw

Kampen ’94 ©Mokum ’00


Klein Sint Michiel, Curaçao. Foto © Michiel van Kempen

1 comment to “A.H. de Tirlemont – Calypso”

  • Van welke papegaai heb je
    die taal van melasse geleerd,
    mijn tropisch Guadalupe,
    mijn smakelijk potje?
    Op z’n Frans daal ik af
    naar je mulattenvlees,
    je kut, die, bij gemis aan brood,
    een zwarte lekkernij uit de Cariben is.

    (Luis Palés Matos, 1937)

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter