blog | werkgroep caraïbische letteren

We hebben 18 zoekresultaten voor je gevonden.

De smaak van Sranan Libre

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over De smaak van Sranan Libre van Edgar Cairo.

door Els Moor

Hoe smaakt Sranan Libre? Volgens Edgar Cairo in de eerste plaats bitter. Zijn woede en verdriet na de Decembermoorden uit Cairo in zijn toen meteen snelgeschreven roman De smaak van Sranan Libre. Het verhaal speelt in Amsterdam en in Paramaribo. Een familie staat centraal met leden in Amsterdam en Paramaribo. Het Amsterdamse deel wordt verteld door ik-verteller Armand, met als dieptepunten zijn verdriet en woede vanwege de moord op zijn naar Suriname teruggekeerde broer Jusu (Jozef). Zo verscheurd als Cairo was door de Decembermoorden, zo verscheurd is ook het boek. Maar ondanks de onevenwichtigheid, enerzijds spanning, emoties en humor, anderzijds eindeloze niet binnen het verhaal functionele beweringen, moet het toch gelezen worden. Cairo heeft sterke uitspraken en de taal is van hier met soms sterke vondsten. Bovendien heeft het heel veel herkenbaars.

Het begint op 7 december met spanning: de familie heeft een voorgevoel dat er iets rampzaligs gaat gebeuren, gebaseerd op dromen en wintiverschijnselen. Bert, een ‘oom’, is ‘bonuman’. Armand zegt: ‘Hij weet alles van winti-dinges. Winti? Ja, die religie van ons, negers, die we uit Afrika als slaaf naar Suriname hebben gebracht’ (p. 15). Winti speelt een belangrijke rol in het verhaal.

Jusu was vol idealen naar Suriname teruggekeerd na 25 februari 1980. Hij geloofde in de ‘refolusie’ en wilde helpen het land op te bouwen, maar geleidelijk aan heeft hij door wat er allemaal gebeurt zijn geloof in de ‘revo’ verloren. Hij heeft dan ook niet voor niets de naam Jozef van Cairo gekregen: hij lijkt hierin op Jozef Slagveer, een der slachtoffers van de Decembermoorden.
Na een hoop spanning worden eindelijk de vermoedens van de familie bevestigd door een telefoontje uit Paramaribo van een andere oom, Frenkel. Nu weten ze het zeker: Jusu is een van de vermoorden. Mma Dina komt thuis van haar boodschappen en hoort het slechte nieuws van p’pa Kwa. Ze is radeloos, ze schreeuwt. Een van de buren zegt: ‘… Het is een pijnlijke zaak, dat wel. Maar reageert u toch beschaafd.’ ‘Beschaafd! Beschaafd! Wat fo k’ka beschaafd! roep ik (Armand). Waarmee ik aangeef dat beschaafd treuren ons echt geen reet kan schelen. […] Ik wil huilen. Ik wil woedend zijn. Ik wil schreeuwen. Ik wil op een vreemde wijze lachen zelfs. Al die emosie! Iedereen is op een of andere wijze góéd verslagen, geknakt. Nu weet ik wat het is een bloedverwant die zo nabij is kwijt te zijn.’ (pp.42-43)
Als hij gekalmeerd is, kan hij de zaak weer van verschillende kanten bekijken. Over zijn vermoorde broer zegt hij ook: ‘[…] een wankelaar was hij, tenger lichamelijk en wankelbaar van geest, zeer vatbaar voor coupvirussen en machtsinfekties.’ (p. 119)
In Paramaribo is ook ‘Oom Frenkel’ een herkenbare figuur. Jusu woonde een tijdje bij hem. Twee zoons van ‘Oom Frenkel’ zijn in het leger. Jusu kreeg ruzie met een van ze, Carlos, die hem bedreigde met zijn geweer. Armand denkt na de dood van Jusu: ‘[…] Misschien, heel misschien, heeft Carlos in het peloton der moordenaars gestaan, denk ik. Maar dat is zaak van nu. Tóén al bleek, dat onder één dak, het onkruid van de revolutie zich in de gemoederen des huizes had genesteld, […]’ (p. 73). ‘Oom Frenkel’ zelf is laf, angstig. Hij durft door de telefoon geen bijzonderheden te geven. ‘Het enigste wat Oom Frenkel kwijt wil, is dat Jozef is doodgeschoten. Door wie? Dat weet hij niet. Waarom? Dat kan hij niet zeggen. […]’ (p. 54). Die angst om afgeluisterd te worden in die dagen, herinneren velen van ons zich nog, evenals het openmaken van post.

De smaak van Sranan Libre is een geëngageerde roman van een belangrijke Surinaamse auteur. Het heeft vijfentwintig jaar geduurd voordat hij werd uitgegeven, maar op 31 december 1982 en 2 en 3 januari 1983 werd de tekst als hoorspel uitgezonden door Radio Nederland Wereldomroep. Edgar Cairo zelf sprak de monoloog van Armand en Lydia Emanuels stond voor de samenstelling van de tekst en de regie. Tot slot het gedicht waarmee het boek begint:

Er is een drank waarmee
de onderdrukker proost zegt
na het lessen van bloeddorst
bij de moord op Surinames zonen.
Hij drinkt zijn rum met cola:
Cuba Libre.
Wij noemen het vergoten bloed:
Het Vrijheidsbloed van Suriname,
Sranan Libre,
omwille van de vrijheidsdrang
en uit respect voor alle leven.
Edgar Cairo: De smaak van Sranan Libre. Roman over het bloedbad van Paramaribo op 8 december 1982. Haarlem: In de Knipscheer, 2007. ISBN 978 90 6265 594 6

Om de geschiedenis van 8 december 1982 levend te houden

door Peter Meel

In de ochtend van 9 december 1982 wordt de aandacht van Noraly Beyer getrokken door een aanhoudend schurend en zuchtend geluid. Vanuit haar slaapkamer ziet zij in de tuin van haar overburen een man op een schommel. Hij zet zich stevig af in een kennelijke poging om al heen en weer zwaaiende steeds grotere hoogten te bereiken. Alsof hij – zo schrijft zij – de zon wil raken in het ochtendgloren. Beyer herkent de man als een bondgenoot van de militairen. Ze vraagt zich af of hij de dag ervoor in Fort Zeelandia was en misschien om die reden probeert om in de lucht te verdwijnen.

lees verder…

Edgar Cairo overleed 20 jaar geleden

Twintig jaar geleden overleed Edgar Cairo, vermoedelijk op 14 november in zijn woning in Amsterdam. Hij is gevonden op 16 november.

lees verder…

De last van Edgar Cairo

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk van Sharda Ganga over De smaak van Sranan libre uit 2007 van Edgar Cairo.

lees verder…

Herinneringen aan 8/9 december in kunstuitingen

door Hilde Neus

Het is weer 8 december, een jaarlijkse herinnering aan wat er in 1982 in Suriname plaatsvond. En dit jaar bijzonder, omdat het proces tegen de verdachten ten einde loopt. Maar ook een jaarlijkse herinnering aan Els Moor, die de uitingen van onrecht en de bestrijding daarvan in de literatuur zo levendig hield. Schrijven tegen de uitingen van macht is geen simpele opgave. In vele landen zijn het vooral de kunstenaars die zich via hun kunst tegen gewelddadige onderdrukking hebben gekeerd, en dit met hun leven hebben moeten bekopen, of zijn weggevlucht naar veiliger oorden. Dit is iets van alle tijden. lees verder…

Dean Bowen – Dat kleine woordje

Mijn vriendin begint te grinniken.
Ik kijk haar verrast aan en vraag waar ze zo om moet lachen.
Ze zegt me dat ik haar zelden reden geef om stil te staan bij het gegeven dat ik onder andere een Surinaamse achtergrond heb. Dat ik dit slechts in een aspect van mijn spreken verraad.
Ik kijk verward als ze me vraagt of ik weet waarover ze het heeft en zeg haar dat ik werkelijk geen idee heb. lees verder…

Drie maal 8 december in de literatuur

Sranan Libre!
De actualiteit wordt weerspiegeld door literatuur. In dit verband is het logisch dat de Decembermoorden van 1982 een plaats hebben gekregen in de Surinaamse literatuur. Er is veel over geschreven, onder anderen door Edgar Cairo en Astrid H. Roemer. Van Edgar Cairo is de roman De smaak van Sranan Libre, die hij schreef vlak na de moorden in december 1982, maar die pas uitgegeven werd in 2007. lees verder…

Literatuur & Decembermoorden

Van de redactie van de Ware Tijd Literair

Antoine de Kom, kleinzoon van Anton de Kom, stuurde ons een gedicht met het verzoek dat op 6 december te plaatsen. Het gedicht draagt hij op aan Theo Para van wie elke zaterdag een essay in de Ware Tijd staat. Hij beschrijft daarin de huidige politieke situatie in ons land realistisch, vaak terugkijkend naar de tachtiger jaren en verband leggend met het nu. Dit verzoek was voor ons aanleiding om uw aandacht te vestigen op wat er in de loop der jaren geschreven is over de Decembermoorden. Christine F. Samsom verraste met een verhaal, ‘Vader en zoon’, over een zoon wiens vader dood is sinds 8 december 1982, al 32 jaar geleden. Een sterke familierelatie is verbroken en zoon kan geen afstand nemen van wat toen gebeurde. lees verder…

Cairo’s roman over de decembermoorden

door Ellen de Vries

‘Maar een ding weet ik: Sranan gaat niet rusten! Niet om geweld, maar om de liefde! Liefde, liefde, brandende liefde. Om liefde, vrijheid en respekt voor alle zonen, alle kinderen van één trutru en waardig Sranan. Dát is de smaak van Sranan Libre. Dát is de ware geest van ’t vrije, vrije Suriname!’
Dát schreef Edgar Cairo december 1982 naar aanleiding van de liquidatie van vijftien vermeende tegenstanders van het militaire regime in zijn rouwklacht De smaak van Sranan Libre, destijds uitgezonden als hoorspel. In 2007 – 25 jaar na de zogenoemde ‘decembermoorden’ van 1982 – verscheen het hoorspel als roman bij De Knipscheer. Het is niet het eerste boek van deze uitgeverij over de militaire staatsgreep en de ‘decembermoorden’.

In vier hoofdstukken schetst Cairo het relaas van een familie aan weerszijden van de oceaan, in Amsterdam en Paramaribo. Het verhaal begint op 7 december in Amsterdam. De ik-figuur, Armand, kan de slaap niet vatten. Als de ochtend gloort verschijnt zijn broer voor zijn geestesoog ‘bedekt met een massa aangekoekt bloed’. Armand schreeuwt het uit: ‘Help, mijn broer is dood, vermoord!’ De andere familieleden komen verschrikt aanrennen. De brief van zijn broer Jusu (Jozef) die de vorige dag arriveerde, vormt de aanleiding voor zijn droom. Jusu is na de revolutie naar Suriname vertrokken om het land te helpen opbouwen. Zijn ‘klinkende briefschrijfsels’ eindigen doorgaans optimistisch, maar de revolutie heeft rafelige randjes gekregen. De toon van zijn laatste brief is bezorgd en angstig: ‘P’pa Kwa en Mama Dina, groeten aan jullie en me broers. En aan al die mensen waarvan jullie weten dat ik die gekend heb. Ik heb dat rare gevoel dat ik… ach, laat maar! Jullie zien me heus wel terug.’ In de brief vertelt Jusu over de droom die híj heeft gehad over rookwolken en een oerwoudhoge, bloedrode golf. Winti-goden, bange voorgevoelens en voortekenen, spelen een grote rol in de roman. Als ppprrringgg… de telefoon gaat, is er bericht uit Paramaribo: Jusu is vermoord. De familie is verbijsterd. Wat er precies gebeurt is weten ze niet. Alleen dat hun zoon en broer is doodgeschoten. Er zijn branden geweest, horen ze via de radio. Executies. Later komen er verhalen los over martelingen. Armand huilt, huilt. In zijn hoofd nestelt zich de Kromanti, een hogere geest, die het zal opnemen tegen de Leba, de god die hier het kwaad symboliseert. Voor Armand doemt het beeld op van een duif die door aasvretende beesten wordt belaagd. ‘Zo wordt de Kromanti belaagd door Leba’s. (…) Zo wordt het wezen van onze vrijheid belaagd door de onheilskrachten van die moordenaars. De kromanti gaat winnen, je zal ’t zien.’

Verrassend is de korte passage waarin het perspectief wisselt en een sprong terug in de tijd wordt gemaakt. De verteller kruipt in de huid van ‘de majoor-opperbevelhebber-extra sergeant, tegelijk opperstinkdier en aanstaande dictator’ . Het is een paar weken voor de noodlottige gebeurtenissen. Ook de ‘aanstaande dictator’ kan niet slapen. Al weken niet. Boze dromen kwellen hem. Hij is verlamd door angst en paranoia. Hij heeft al een paar keer zijn uzi op zijn eigen schaduw leeggeschoten ‘En elke keer dat hij watert gaat hij zijn urine inspekteren. Om te kijken of hij niet iets vreemds te drinken heeft gekregen van zijn eigen ‘vrienden’. Of hij steekt zijn vinger aan zijn kak, ruikt en proeft zijn bilprodukt. Om te weten of hij toch niet ongemerkt vreemde dinges heeft gegeten.’ Voor de wandspiegel spreekt hij het volk toe. Hij somt op wat hij allemaal zal doen met zijn vijanden: met Daal, met de intellectuelen, de coupplegers en hun advocaten…’Professor, journalisten, student, alles. We rampeneren ze.’ Hij besluit zijn oratie met de woorden: ‘Kom uzi! We gaan slapen. Morgen is er weer een onderdrukkingsdag! Aaahh!’.

Cairo schetst hoe de ‘refolusie’ verdeeldheid zaait binnen families. In Paramaribo rukt oom Frenkel zich los uit een demonstratie al roepend, dat de vlag halfstok moet, dat het volk moet mogen rouwen. Zijn tweede zoon, neef van Armand en een overtuigd revolutionair, legt hem het zwijgen op. De roman eindigt met de constatering, dat Suriname niet zal gaan rusten voordat de vrijheid herwonnen is. Het vrije Suriname – Sranan Libre – is de ware geest van Suriname.
Het is de vraag hoe de in 2000 overleden Cairo zou terugkijken op zijn roman als hij wist dat Bouterse – in zijn roman aangeduid als ‘stinkdier met uzi’ – nu aan de macht is. Zoveel jaar na dato weten we – dankzij het decemberstrafproces dat in 2007 van start ging – meer over wat er werkelijk gebeurd is. Duidelijker is komen vast te staan dat de schietpartij niet in de nacht van 8 op 9, maar daarvóór plaatsvond. Het alibi van Bouterse is daardoor op losse schroeven komen te staan. Of Bouterse – zoals Cairo’s roman veronderstelt – de (enige) kwade genius was achter een weken van tevoren geplande liquidatie, is een van de zaken waarin de rechters hopelijk klaarheid brengen.
Michiel van Kempen merkte in een recensie eerder al op: ‘De roman vertoont alle sporen van haastwerk: rommelige opbouw, geen overtuigende karakters, weinig diepgang.’ Mee eens. Het grootste plezier heb ík beleefd – het treurige onderwerp ten spijt – aan de geestige formuleringen, de − soms platvloerse maar tegelijkertijd ook schrijnende − familietafereeltjes, de ritmiek, en speelsheid van Cairo’s taalgebruik: een mengeling van Surinaams-Nederlands, Sranan en eigen woordbrouwsels doorspekt met onomatopeeën. Toch lenen die zich naar mijn smaak misschien beter voor een orale vertelling dan voor een roman.

Edgar Cairo, De smaak van Sranan Libre; Roman over het bloedblad van Paramaribo op 8 december 1982. Haarlem: In de Knipscheer, 2007. 136 p., ISBN 978 90 6265 594 6, prijs € 13,50

[uit Oso, 2011, nr. 2]

Jaap Goedegebuure heeft politiek!

Jaap Goedegebuure besprak in Trouw van 8 januari j.l. de verhalenbundel Voor mij ben je hier; verhalen van de jongste generatie Surinaamse schrijvers. Marylin Simons stuurde daarop een ingezonden brief naar Trouw, maar die werd niet geplaatst. Hieronder het stuk van Goedegebuure (klik twee maal om een leesbare vergroting te krijgen); eronder de reactie van Marylin Simons.

Jaap Goedegebuure heeft politiek!
(‘Politiek hebben’ is een gangbare uitdrukking in het Surinaams-Nederlands)

door Marylin Simons
Jaap Goedegebuure schrijft in Trouw van 8 januari j.l. ‘Waar blijft de nieuwe Edgar Cairo’: Surinaamse literatuur komt maar niet van de grond
Met genoegen schud ik het bed voor Goedegebuure even op:

Meneer Jaap van Nederland lijkt in de stijl van zijn schrijftirade op Don Walther van Suriname, maar met verschil: Don Walther schrijft zelf en Meneer Jaap belazert z’n lezers!
(Mijn spell-check vindt ‘belazert’ niet goed; ‘oplichten’ zou ik moeten gebruiken of ‘voor de gek houden’. Ik blijf bij ‘belazert’. Zo zeggen die mensen van mij daar in Suriname het nog steeds vandaag de dag: ‘die man belazert de boel mang’, met een vette ‘l’ voor boel.)
Ofschoon de tirade van Meneer Jaap onder de rubriek ‘Boeken’ is verschenen, schrijft hij niet over boeken. Belazerij nummer 1.
Meneer Jaap bedoelt een bepaalde groep mensen (Surinaamse schrijvers, misschien wel Surinamers in het algemeen) ervan langs te geven en dat doet hij door de Surinaamse letteren af te keuren; jullie weten niet te schrijven, jullie bakken er niets van! Dat zegt hij niet zelf. Hij knipt en plakt woorden van anderen. Om zijn tirade kracht bij te zetten, haalt hij Anil Ramdas er herhaaldelijk bij. Belazerij nummer 2 is ruzie zoeken waarvoor grote broer (in de figuur van Ramdas) op de knokken moet. Meneer Jaap zelf zegt namelijk bedenkelijk weinig. Om precies te zijn, een stuk of vier, vijf zinnetjes die doelen op de bundel die hij niet bij naam noemt (stel je voor dat mensen het toch gingen kopen). De Jaap-zinnetjes laten geen twijfel over de literaire kwaliteiten van Meneer Jaap Boekbespreker zelf: hij komt niet verder dan een persoonlijke mening! in de volgende bewoording: ‘zonder inspiratie en enthousiasme geschreven, saai en oubollig, mankeren literair verteltechniek, doven uit als spreekwoordelijke nachtkaars, missen kop en vooral staart.’ Meneer Jaap Boekbespreker Lul Maar Na, raaskalt zonder enig aantonen of verwijzing naar. Volgens mij is dat precies wat ‘missen van kop en staart’ zeggen wil in beschaafd ABN.

Meneer Jaap bedoelt niet een recensie te schrijven. Zijn eerste statement is in de trant van ‘ze hebben Nederland nodig’, de tweede ‘die paar door-Nederland-gemaakte-schrijvers zijn allemaal gek geworden (hij zegt er trouwens niet bij dat dit typisch is voor Surinaamse schrijvers). Als derde volgt geen statement maar nieuwe ophitserij (afgeleid van ophitsen, voor wie alledaags Nederlands van Suriname niet verstaat). Meneer Jaap hitst op dat een verhaal van de hand van Cynthia Mc.Leod om onduidelijke reden aan de bundel ontbreekt. Meneer Jaap had zelf al deze onduidelijkheid in de regel boven zijn geveinsde verwondering verduidelijkt; een bundel met verhalen van schrijvers die na 2000 debuteerden.

Bij het slot bedenkt Jaap-Meneer dat hij Cairo best kan gebruiken. Niet om de kracht van het Surinaams literair werk De smaak van Sranan Libre te vieren, maar weer om nog eens Surinaamse schrijvers te laten weten; jullie bakken er niets van. Daar ging hij zelf niet voor lezen. Hij ging er zelfs nauwelijks voor schrijven. Zijn tirade is, zoals ik al eerder aangaf, een ‘knip en plak’ van wat anderen eens gezegd schijnen te hebben; een frak na-lullerij zoals die mensen van me in Suriname met veel sjeu zouden zeggen. Aangedikt door een vette tyuri en en een frak bil-wijzerij.

Marylin Simons
Schrijfster van ‘Blijf stil’, een verhaal uit hierboven bedoelde verzamelbundel van korte verhalen Voor mij ben je hier, 2010, Meulenhoff, ISBN 978 90 290 8697 0 / NUR 309

Owen Sound ON, 14 januari 2011

Edgar Cairo laat zich niet inkaderen

door Stuart Rahan

Het is documentairemaakster Cindy Kerseborn die, samen met de Werkgroep Caraïbische Letteren, Edgar Cairo en zijn nalatenschap in ere wil houden. Haar Stichting Cimaké Foundation (SCF) riep 2010 uit tot het Cairojaans jaar dat op 16 november in Nederland, tien jaar na zijn dood, wordt afgesloten met de première van de documentaire Ik ga dood om jullie hoofd.

Het was niet slechts Cairo zijn eigenwijze omgang met het Sranan, maar vooral het constante gevecht om in Surinaams-Nederlands niet alleen lezers aan zich te binden maar om literair Nederland te bewijzen dat met zijn taalgebruik er best prachtige verhalen te vertellen waren. Een taal die door veel lezers afgedaan werd met: “Zo praten we niet.” Behalve in de veertig boeken en gedichtenbundels, was zijn schrijfstijl elke week te bewonderen in de Volkskrant. Edgar Cairo was de eerste zwarte columnist van wiens penverdiensten een Nederlandse krant gebruik maakte.
Judith Leysner, een Cairo-interpreterende kunstenaar, vat zijn kracht samen in directheid, strijdvaardigheid en originaliteit. “Op zijn eigen manier vertelt Cairo het verhaal van de zwarte mens, in dit geval de Surinamer. Onze interesses overlappen elkaar. Wij hebben het onderzoekende en de Surinaamse cultuur gemeen.” Judith Leysner liet zich inspireren door zijn gehele oeuvre en staat momenteel met nog drie andere beeldend kunstenaars op een tentoonstelling over Edgar Cairo in CBK Amsterdam Zuidoost.
.

Hoogbegaafd
Edgar Cairo liet zich niet voor één gat vangen. Intellectuelen, die hem bestuderen, proberen hem steeds onder een eigen bepaalde noemer, een soort nyunmannem, te plaatsen. Hij was schrijver, columnist, performer en schilder, die barstte van ideeën en idealen. Vooral het laatste, het schilderen, deed hij heel excessief in zijn laatste levensjaren. Als door een winti bevangen, verwerkte hij alle in hem opborrelende verhalen in schilderijen. De meeste schilderwerken hebben geen titel, waarmee je alvast een handvat krijgt aangereikt. Een eigenschap die je niet zo gauw van Cairo verwacht. Hij benoemde namelijk alles. “Cairo was een bezetene, een intellectuele waaghals die op het randje schreef en schilderde. De verf mocht niet ‘mooi’ worden. Mooie dingen werden door tweederangs kunstenaars gemaakt, die geen flauw benul hadden van poëzie”, beschrijft bewonderaar en schrijver/kunstenaar/curator Michael Tedja hem. “De hoogbegaafde Cairo, die dus in amper een week tijd een hechte roman kon schrijven (De smaak van Sranan libre), is ook in zijn schilderijen aanwezig. Zijn beeldtaal, die gelijk staat aan zijn schrijftaal, is stuwend van karakter. Zijn verhalen zijn geen begeleidende teksten en zijn schilderijen zijn geen illustraties bij de verhalen. Hij schiep een elitaire kunst in een tijd waarin de zwarten als inferieur werden gezien. Dat is pure noodzaak gebleken”, analyseert Tedja het werk en de persoon van Edgar Cairo.

Jezus Christus
De schilder Cairo werd geboren in de laatste tien jaar van zijn leven toen hij problemen kreeg met zijn geestelijke gezondheid. Schrijver Dirk van Weelden benoemt deze periode als te zijn een noodsituatie waar een briljante geest in terecht was gekomen. “Het zijn aan de ene kant de vrije improvisaties van een scheppende geest in een voor hem nieuwe kunstvorm, met alle speelsheid, onhandigheid en onevenwichtigheid van dien. Maar”, zo vervolgt van Weelden zijn visie op Cairo, “de schilderijen zijn ook sporen van een overlevingsstrijd. Met kleuren en penseelstreken, met symbolen en beelden bezwoer hij zijn demonen, zijn wanhoop.” Het schilderen ziet Van Weelden dan ook als een soort van laatste sprankje hoop om de confronterende schrijver weer tot leven te wekken. “Schilderen was ook het blazen in de gloeiende as om het vuur weer te laten opvlammen, het gaande te houden, het licht te redden.” Het was ook een periode waarin Cairo, volgens hoogleraar Caraïbische Letteren en Cairokenner Michiel van Kempen, in de waan verkeerde een directe zoon van de hemel te zijn. Jezus Christus in hoogsteigen persoon, die zijn volgelingen met verborgen verhalen, parabels achterliet, die maar na zijn dood ontcijferd moesten worden. Het tempo waarin hij schilderde en schreef was vrij hoog. Zij, die Cairo bestuderen, beweren zelfs dat hij zijn vroege dood wel zag aankomen en dus intensief en agressief te werk ging. Voor zijn schilderwerk gebruikte Cairo weinig doeken maar veel hout. Grote, kleine, langwerpige of vierkante stukken. Van sommige schilderwerken was duidelijk te zien wat er geschilderd was. Dieren of mensen van wie de kunstenaar het niet zo nauw nam met de anatomie, maar eerder met het verhaal, terwijl veel schilderijen kleurrijke uitingen zijn. Misschien dat je daaruit zou kunnen afleiden dat Cairo in ieder geval in een vrolijke stemming verkeerde en de mindere felle kleuren ook een iets mindere positievere afspiegeling van zijn geestelijke toestand waren. Volgens Tedja kun je geen krachtige beelden oproepen, intelligente verhalen vertellen en een inhoudelijke bijdrage leveren, als je fundament instabiel is.

Eenzame koning
De tentoonstelling Edgar Cairo (1948-2000), de schrijver als schilder laat Cairo-aanhangers de visuele kant van hun held zien. In de daarbij behorende catalogus vertellen vijf Cairo-kenners vanuit hun persoonlijke ervaringen. Hun verhalen zijn verschillend, maar bevlogen tegelijk. Dirk van Weelden noemt Cairo de eenzame koning, naar een soortgelijk schilderij en gedicht. “Zo statig en groots als de klank is van dit gedicht, zo bescheiden en stilletjes is dit kleine schilderij van de zwarte koning. Het schilderij is een echo van de hooggestemde idealen achter Cairo’s schrijverschap. De weigering zich te laten vastleggen tot een keus tussen Nederland en Suriname, tussen het Sranan en Nederlands, tussen geletterd en oraal, tussen mannen en vrouwen, tussen wetenschap en winti, tussen schrijven en optreden.”
Schrijver en columnist Stephan Sanders vergelijkt de taalstrijd van Cairo met de Zuid-Afrikaanse variant, het Kaapse Afrikaans. Sanders noemde de poging van Cairo voor erkenning van het gecreoliseerde Nederlands marginaal, omdat hij dat deed als Surinaamse neger, zoals Cairo zich consequent noemde. Dat in tegenstelling tot de Zuid-Afrikaanse schrijver en kunstenaar Breyten Breytenbach, die als blanke zoon van een Boeroe in het openbaar verklaarde: “Afrikaans is ’n bastertaal, en ons is ’n bastervolk.” De impact was toen, in 1973 ten tijde van de Apartheid veel groter. Sanders ontmoette Cairo slechts één keer in 1983 en zegt met de kennis van nu dat Cairo met zijn pleidooi voor een Surinaams-Nederlands bastaardtaal wel degelijk een wereldpoging ondernam voor de erkenning. Hieruit blijkt dat praten, schrijven over Edgar Cairo je niet uitsluitend over een bepaald aspect van de beleving van zijn persoon kunt bespreken zonder zijn veelzijdigheid te erkennen.
De schrijver Cairo staat niet los van de dichter Cairo en nog minder van de schilder Cairo. En om in de termen van Michael Tedja te spreken: “Eat the frame. Cairo laat zich niet inkaderen.” Cairo is de verpersoonlijking van het wezen om door taal en beeld prachtige verhalen te scheppen met het Surinaams-Nederlands als voertaal.
De leerstoel Cairojaans aan welke Nederlands sprekende universiteit dan ook, is het overdenken waard. O, zoals hij het zelf ooit zei: ‘Het Cairojaans is nie fo domme achtersloot-mensen. Met een studie Cairojaans zou je nu wel een papier (diploma) kunnen halen’. De jarenlange sluimerende discussie in Suriname over wat nu de juiste voertaal moet worden, heeft er een alternatief bij. Een alternatief waar geen enkele Surinamer zich voor hoeft te schamen. Het is een taal die zich net zo vlot heeft ontwikkeld in de Nederlandse koloniale in loop der eeuwen als het Sranantongo. Beide talen kunnen zelfstandig hun mannetje staan en overleven.

[Overgenomen uit Parbode (Surinaams opinieblad) van vrijdag 22 oktober 2010.]

De smaak van het Vrije Suriname

Op de tweede Caraïbische Letterendag, zaterdag 5 september a.s. om 19.00 in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam, komt Lydia Emanuels (foto rechts) vertellen over de totstandkoming van het hoorspel De smaak van Sranan Libre van Edgar Cairo. In 2007 schreef Sam Jones op de site van Radio Nederland Wereldomroep het navolgende over de heruitzending van het hoorspel, 25 jaar nadat het geschreven werd.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter