blog | werkgroep caraïbische letteren

Nieuw licht op de eerste Hindostaanse landbouwers in Suriname

door Ashvin G. Gonesh

In de publicatie van Miskend Verleden: Hindostaanse boeren in Suriname 1880-1980 slaat auteur Gowricharn een brug tussen de noodzaak tot vastlegging van Surinaamse geschiedenis en de erkenning van de bittere werkelijkheid die aan de totstandkoming van de plurale Surinaamse samenleving ten grondslag heeft gelegen. Het boek onthult op een voor de lezer confronterende wijze dat het historisch zelfbeeld van de Hindostaanse gemeenschap is gebaseerd op een geromantiseerde vertelling.

Nickerie. Foto © Michiel van Kempen

Gowricharn start het boek ongekend hard met zijn ontnuchterende ‘wake-up call’ dat de economische vooruitgang van Hindostanen een logisch gevolg moet zijn geweest van het ‘goddelijk geluk’ dat hun voorouders uit Brits-Indië konden vertrekken naar het beloofde land (Sri Ram desh– het heilige land van de hindoegodheid Rama). Na twee intercontinentale migraties (India-Suriname-Nederland) omarmt deze groep nog steeds alle cultuurelementen en weet zij succesvol bijvoorbeeld haar eigen religie te institutionaliseren. Hindostanen laten echter geen gelegenheid voorbij gaan dank (‘thank goodness’) te betuigen dat hun voorouders destijds de woongebieden Uttar Pradesh en Bihar zijn ontvlucht. Het geloof in een welhaast ‘karmische redding’ van de huidige nazaten van deze contractarbeiders, die tussen 1873-1916 met 64 scheepstransporten van India naar Suriname zijn overgebracht om op de plantages te werken, behoeft echter herziening, zo betoogt Gowricharn.

Hindostaanse boeren in Suriname
In het boek wordt een lans gebroken voor de cruciale betekenis van de eerste generaties boeren in de emancipatie van de Hindostaanse gemeenschap. De auteur betoogt, zonder dat zo te zeggen, dat de geprojecteerde ‘vooruitgang’ gerelativeerd moet worden tegen de prijs die is betaald voor de verworvenheid tot burger van Suriname. Deze politieke en sociaal-economische analyse wordt onder meer besproken aan de hand van drie historische transformaties waarin de Brits-Indische etnische gemeenschap zich heeft ontwikkeld (plantagearbeider – boer – stedeling). Het is duidelijk dat Gowricharn weinig heeft met ‘toeval’ en ‘geluk’. Zijn nuchtere analyse van de destijds gerekruteerde plantagearbeiders laat zien dat die werden aangetrokken vanwege hun kennis en ervaring op het gebied van landbouw en veeteelt, geduid als ‘agrarisch human capital’. Dat kapitaal bezaten de boeren gemeenschappelijk en kon alleen als ‘collectief’ worden gemobiliseerd. De vorming van een Hindostaanse etnische gemeenschap lag dan ook aan de basis voor de succesvolle exploitatie van arbeid, kennis, en vaardigheden van de individuele boeren uit Brits-Indië en hun nazaten.

Gowricharn doorbreekt de door de (elite) Hindostaanse gemeenschap gecultiveerde (tunnel)visie dat hun geëtaleerde economische en sociale vooruitgang te danken is aan louter ‘hard werken’. Deze opvatting miskent de massaal opgebrachte pijnlijke offers die hun voorouders systematisch hebben ondergaan sinds hun vertrek uit Calcutta en het daaropvolgende bestaan als plantagearbeider en boer in Suriname. De auteur ontwikkelt een breed perspectief op de ‘Hindostaanse immigratie’ en geeft voor het eerst in de Hindostaanse geschiedschrijving een gezicht aan de boeren die ‘gestreden en geleden hebben en anoniem ten onder zijn gegaan’. De oorsprong van het ‘succes’ van de Surinaams-Hindostaanse gemeenschap ligt bij deze generaties boeren en daarom pleit Gowricharn voor een fundamentele herwaardering van hun rol in de geschiedenis. Dat hem dit niet in dank wordt afgenomen blijkt onder meer uit de openlijke kritiek  van Chan Choenni, onder meer naar aanleiding van een recensie  van Roy Khemradj.

Wetenschap is waarheidsvinding
In een serie nagenoeg persoonlijke aanvallen laat Choenni – ook auteur van Hindostaanse geschiedenis – van zich horen. Hij grijpt meningsverschillen aan om op verschillende podia Gowricharn een gebrek aan ‘wetenschappelijke integriteit’ te verwijten. Schending van wetenschappelijke integriteit gaat echter over fraude, plagiaat, diefstal van data en dergelijke waarvan geen indicaties zijn dat Gowricharn zich daaraan schuldig heeft gemaakt. De door Choenni herhaaldelijk geuite aantijgingen lijken voort te komen uit de behoefte om als monopolist van de Hindostaanse geschiedschrijving door te gaan. Want alleen één weergave, zo impliceert Choenni, is de enige juiste en adequaat. En dat is alleen de zijne. Hij concentreert zich in zijn tirades op verschillen in cijfers. Maar zelfs als Choenni gelijk zou hebben, wat zijn de implicaties van die verschillen  voor het begrip van het geschiedkundig verloop? Het boek Miskend Verleden bespreekt verschillende antwoorden op deze vraag.

Gowricharn heeft met zijn multidisciplinaire achtergrond en rits aan indrukwekkende wetenschappelijke publicaties een totaal andere manier van kijken naar de historie getoond die tot voor kort ongebruikelijk was. Hij brengt niet alleen patronen in kaart, maar tracht ook te doorgronden wat er werkelijk gaande is geweest. Daarmee heeft hij een unieke bijdrage geleverd aan de geschiedenis van Hindostanen en Suriname, een onderscheiding waard.  

Ashvin G. Gonesh is (financieel) jurist en bedrijfskundige te Rotterdam

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter