blog | werkgroep caraïbische letteren

Een carnaval van stemmen

Met Schilden van leem schreef Boeli van Leeuwen een grillige en spannende roman, meerstemmig en bol van de postkoloniale kritiek. Het is een boek dat in het hart van de Nederlandse canon thuishoort.

Boeli van Leeuwen. Ets van Bert Kienjet 9.5 x 15 cm – 2010.

door Yra van Dijk

Maagdelijke eilanden die lagen te wachten op witte mannen om ze te komen bezetten: dat is het oude, koloniale beeld van het Caribisch gebied. De eerste ‘ontdekkingsreizigers’ schiepen die mythe graag in hun brieven naar huis. Zuivere, blanco pagina’s waren de gebieden, klaar om door een Europees verhaal te worden beschreven. Flora en fauna louter wachtend op naamgeving en consumptie door deze betreders van het paradijs.

Het is een cliché dat smeekt om onderuit te worden gehaald door de moderne Caribische auteur. Verkrachting in plaats van maagden, vervuiling in plaats van zuiverheid en incest in plaats van onschuld. Al in 1934 schetste Cola Debrot een dergelijk beeld van zijn geboorte-eiland Curaçao. Zijn novelle Mijn zuster de negerin bevat weliswaar nog racistische ideeën, maar ook al veel kritiek op de koloniale overheersing: in de velden klinkt nog de gil van de tot slaaf gemaakten op de plantages.

Een halve eeuw later volgde Boeli van Leeuwen met Schilden van leem (1985), een briljante roman over een gehavend Antilliaans eiland. Kolonialisme heeft er plaatsgemaakt voor kil kapitalisme: arbeidsmigratie leidt tot troosteloze uitbuiting in de bordelen van de stad. De mensen leven er als verschoppelingen op hun kale rots. De natuur heeft niets lieflijks, maar neemt de gedaante aan van een genadeloze zee die op de rotsen beukt of omhoog spuit uit de wc-pot.

Als ‘post’ in de term ‘postkoloniale literatuur’ niet alleen staat voor teksten geschreven na de Nederlandse koloniale tijd, maar ook voor romans die kritisch zijn over die bezetting en de gevolgen ervan, dan is dit een door en door postkoloniaal boek. Die kritiek spreekt uit de inhoud, maar ook uit de vorm van de roman. Een nieuwe visie op de geschiedenis heeft immers ook een nieuwe taal nodig. Van Leeuwen schrijft meerstemmig en postmodern: barok. Hij weigert een verhaal met een kop en een staart te vertellen en beperkt zich ook niet tot Nederlands: ook Papiaments, Spaans, Deens en Duits klinken in het verhaal door.

Het is een barokke overdaad die Zuid-Amerikaans aandoet, net als delen van de inhoud. Al meteen aan het begin stuiten we op een sfeer van verlies, verval en vergane glorie die niet onderdoet voor Honderd jaar eenzaamheid. Een macaber stadshuis, met ‘een chandelier van geel geworden namaakkristal, bespikkeld met vliegenpoep en versierd met spinnewebben – daarboven zwieren leguanen’. De kokosstammen buiten zijn ‘schurftig’ en op zolder huist een geest die een kruising is tussen Hitler, Napoleon en de vader van de hoofdpersoon, Jean-Claude Devereau.

Deze Jean-Claude is een onecht kind van de Indiaanse hulp en een ‘blanke, protestante’ vader, die noch blank, noch protestant blijkt te zijn. Jean-Claude, J.C., neemt net als Jezus Christus op aarde de plaats in van een verzakende god, omdat Hij de armen slechts beschermt met ‘schilden van leem’ en daarom ‘is het helaas niet anders’ dan dat Jean-Claude ze met raad en daad moet ondersteunen. Hij walgt van de armen en neemt het tegelijkertijd als pro-Deoadvocaat voor ze op, overigens net als Van Leeuwen (1922-2007) zelf deed. Zo beschrijft de ik-verteller zijn eigen verholen positie in het geheel: ‘En ik moet leven in de nacht, want mijn ogen zijn dichtgeslagen door het licht; overdag bespied ik het leven door spleten. Mijn huid is gelooid door de zon en ik vermijd de verachting in de ogen van jonge meisjes die in hun glanzende huid wonen als panters in het paradijs.’

Naast het schimmelende stadshuis, waar Jean-Claude woont met zijn vrouw Marjolein, heeft hij ook een hutje aan zee waar hij ‘verschoppelingen’ opvangt. Hoewel ze met weinig egards worden beschreven als ‘de neger met de ijsmuts’, de Canadese piloot en de prostituee Teresita, is zijn verhouding met deze mensen van grote, zelfs heilige betekenis. De bewoners van het hutje zijn ‘de ontwortelden, de verworpenen, de boodschappers’ aan wie Jean-Claude zich vastklampt om zichzelf te kunnen vinden. In hun gemeenschap schuilt een authenticiteit die hij in het absurde theater van de Antilliaanse samenleving mist: ‘Diep en waarachtig leek mij hun vriendschap en zinvol mijn leven.’ Juist in die relatie heeft hij een moment van mystiek inzicht: ‘Ik zag alles ongezien’, zegt Jean-Claude.Nederlands en ook Papiaments, Spaans, Deens en Duits klinken in het verhaal door, een barokke overdaad

Naast dit huisje van licht is er het duistere stadshuis, met een huwelijk gebaseerd op een geschiedenis van schuld en boete. Jean-Claude trouwde Marjolein uit medelijden, dit meisje dat tijdens haar jeugd, ten tijde van de Tweede Wereldoorlog, zwanger was geworden van Heinz, een Duitse officier. De wetenschap dat Jean-Claude ‘niet de eerste was’ heeft het lot van hun relatie bezegeld; elke keer verstoot hij haar opnieuw. Maar als het perspectief wisselt en zij het woord neemt, blijkt het medelijden wederzijds.

Maar het personage Marjolein heeft vooral een allegorische betekenis. De passieve en louter consumerende immigrante op het eiland ‘staat’ voor de ongewenste bezoeker die Nederland er was. Tegelijk laat Marjoleins geschiedenis zien dat niets ooit zo eenzijdig is. Haar lichaam is zelf immers ook ‘bezet’ geweest door de Duitser en diens kind, en getekend door die geschiedenis. Ook zij is ontworteld en gebruikt, net als de Indiaanse moeder van de verteller.

Van Leeuwen laat zien hoe verweven de culturele herinnering van Europa is met die van het Caribisch gebied – en dat vrouwen, zwarte mensen en armen op alle plaatsen ter wereld worden gebruikt. Die verwevenheid van de geschiedenis blijkt ook uit de metaforen: de arme wijken van Curaçao verbindt Van Leeuwen met het gebombardeerde Warschau, en een hoertje wordt vergeleken met Pietje Bell. Maar waar middeleeuwse of vroegmoderne allegorieën een duidelijke morele boodschap hadden, is het hier onmogelijk om eenduidige conclusies te trekken. Als Schilden van leem al een boodschap heeft, is dat het oude verhaal dat door blijft spoken in het heden, zonder dat de eilandbewoners zich ervan kunnen bevrijden. Behalve de geesten van Napoleon en Hitler waart ook de slavenleider Tula door het verhaal, in de vorm van een achttiende-eeuws verslag van zijn leven en dood. Jean-Claude citeert Tula, die de Christelijke Eilandraad smeekt om hem niet te veroordelen: ‘Heer Pater, komen alle mannen niet voort uit een vader Adam en een moeder Eva? Heb ik kwalijk gedaan dat ik tweeëntwintig van mijn medebroeders verlost hebben uit de boeijens, waarin zij onrechtvaardig geworpen waren? (…) Is het dan Uwen wil dat wij zo mishandelt (sic) worden?’

Dat ook de slavernijgeschiedenis alleen maar kan worden heropgevoerd, blijkt uit de tragische ontknoping van het verhaal. Als het naburige eiland Santa Maria door een aardbeving is getroffen, krijgt juist Jean-Claude de taak om ingezameld geld naar Santa Maria te brengen. Hij neemt daarbij zijn vrienden mee, omdat ze hem van dienst zouden kunnen zijn op zijn diplomatieke missie.

De roestige ferry waarmee Jean-Claude en zijn drie vrienden uit de opvang naar Santa Maria voeren, leest als een allegorie voor het transport van tot slaaf gemaakten per schip. Als ze bijna bij het eiland zijn, raadt Jean-Claude zijn vrienden aan in een container in het ruim te gaan zitten, zodat hij de onderhandelingen met het onvriendelijke regime kan voeren. Maar voor het zover komt, vaart de boot op een mijn en zinkt. Het stikken van de drie verschoppelingen in hun container vormt een re-enactment van die primordiale reis van de tot slaaf gemaakten naar Zuid-Amerika: ‘Ze zijn door mij vermoord, en daarom zal ik vervloekt zijn tot het einde mijner dagen’, roept Jean-Claude uit.

Schilden van leem is een grillige en spannende roman, doordesemd van postkoloniale kritiek. De vagebondachtige, drankzuchtige held en zijn illegitieme geboorte, de mystieke geladenheid van de gemeenschap, de nadruk op prostitutie, de bizarre werkelijkheid van corruptie die van de maatschappij een groot theaterspektakel maakt en de zieke relatie met Nederland. En de taal zelf – doorspekt met Engels, Spaans en Papiaments – is een carnaval van stemmen uit alle gelederen. Van Leeuwen beschrijft de postkoloniale conditie van het eiland via een heden dat wordt gekenmerkt door verval en corruptie – en toont steeds aan hoe taal en tekst een rol spelen in die machtsverhoudingen.

‘Maar echt goed is het toch niet, hè?’ fluisterde een eerbiedwaardige Leidse academische voorganger me eens toe na een lezing over deze roman – afgeschrikt misschien door de ongebruikelijke vorm van de roman. Jawel, echt goed is het wel. Lees dit barokke, onnavolgbare en briljante boek, dat wat mij betreft in het hart van de Nederlandse canon staat – ergens dicht in de buurt van Anton de Kom, Cola Debrot, Astrid Roemer en Maria Dermoût.


Zie over deze roman ook: Yra van Dijk en Sarah Badwy, ‘Niemand is een eiland: Het relationele schrijven van Boeli van Leeuwen’, in Spiegel der Letteren, 2020

[Eerder verschenen in De Groene Amsterdammer, 12 augustus 2020– verschenen in nr. 33]

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter