blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Menke Jack

Joop Vernooij en SWI

Met het heengaan van Joop Vernooij hebben Suriname en de Stichting Wetenschappelijke Informatie (SWI) een hele goed vriend verloren. Hij was altijd bereid om activiteiten te ondersteunen daar waar mogelijk en heeft een wezenlijke bijdrage geleverd aan de groei van SWI door mee te werken aan diverse publicaties. read on…

Universiteiten Suriname en Frans-Guyana een stap verder

Ruim 50 wetenschappers van de Anton de Kom Universiteit van Suriname en de Universiteit van Frans-Guyana hebben de vorige week een ontmoeting gehad in St. Laurent du Maroni. Het betrof een eendaagse brainstormsessie over mogelijkheden van gezamenlijke wetenschappelijke projecten. De universiteiten hebben vorig jaar een algemene samenwerkingsovereenkomst gesloten. read on…

Symposium Medische Geschiedenis van Suriname

De Anton de Kom Universiteit van Suriname organiseert op 27 en 28 januari in het IGSR-gebouw een internationaal symposium over de medische geschiedenis van Suriname. Dit is een bijzondere samenkomst van personen uit verschillende disciplines, zoals historici, dermatologen, artsen, biologen, specialisten in DNA-onderzoek, cultuurspecialisten en sociale wetenschappers. read on…

Nieuw bestuur moet AdeK-universiteit doorlichten

Het nieuw bestuur van de Anton de Kom Universiteit van Suriname (AdeK) moet de gehele structuur van de onderwijsinstelling doorlichten. Het bestuur onder leiding van Jack Menke is vanmorgen geïnstalleerd. read on…

Bij het heengaan van Frank Martinus Arion

Caribische intellectueel, literair kunstenaar, ontwikkelingswerker en vernieuwer

door Jack Menke en Jerome Egger

Frank Martinus Arion, een grote zoon van het Caribisch gebied, Curaçao en Suriname is op 28 september heengegaan. Frank was als intellectueel, literair kunstenaar en ontwikkelingswerker op diverse fronten actief. In Suriname heeft hij aan de wieg gestaan van diverse organisaties, waar onder de schrijversgroep 77 en de Stichting Wetenschappelijke Informatie (SWI). Zijn gedrevenheid, intellectuele kwaliteiten en verbondenheid met onze regio blijken uit zijn betrokkenheid bij de Stichting Wetenschappelijke Informatie (SWI) waarvan hij mede oprichter was in 1977. read on…

Creolen, ontwaakt en ontwikkelt u!

Joop Vernooij: Creolenkerk en creools geloof

door Jerry Dewnarain
Schilderij van Johan Hermsen

 

Zijn bijdrage is het langste artikel (34 pagina’s) in Ontwaakt en ontwikkelt u…. Hij opent met te stellen dat het algemene beeld in Suriname is dat de creolen christen zijn. Een prachtige openingszin, die mij nieuwsgierig maakte. Lange essays lees ik in het algemeen niet graag, want vaak genoeg slaagt de essayist er niet in helder en concreet te formuleren. Geen probleem bij Vernooij. Het is een informatief en verhelderend artikel, omdat de auteur gebruik maakt van veel cijfermateriaal (tabellen). Al in de inleiding legt de theoloog uit dat in Suriname niet alleen creolen christen zijn. Na deze etnische groep is er onder de hindostanen een grote groep christenen. De onderwerpen ‘creolenkerk en creools geloof’ zijn overigens complexe objecten volgens de schrijver. Wat Vernooij met zijn artikel doet: hij legt de wortels bloot van wat tot op heden door- en meespeelt in het christendom van de creolen. Hij doet dit door eerst het begrip creolenkerk uit te leggen dat rond 1900 in gebruik werd genomen door de broedergemeente, toen de Aziatische contractarbeiders ook christen werden. Deze materie wordt historisch behandeld en er wordt verwezen naar andere christelijke kerken in Suriname. Daarnaast legt hij uit dat voor veel creolen het creools geloof vaak van levensbelang is, wat te maken heeft met hun etnische identiteit. Vernooij behandelt voorafgaand de begrippen geloof, religie en kerk die vaak door elkaar worden gebruikt. Hij zegt dat in het Sranan er geen aparte begrippen zijn voor geloof (individuele intuïtie), religie (de vormgeving en beleving van geloof) en kerk (de sociale dimensie van geloof en religie). De auteur stelt verder dat zelfs het begrip ‘bribi’ (in ’t Engels belief) een leenwoord is. Voor religie is geen woord en kerki is ook een leenwoord. Vervolgens geeft hij een schets van het kerkelijk leven op basis van de ‘Koloniale Verslagen’ en verslagen van de ebg en de rooms-katholieke kerk in Suriname. Daarna wordt ingegaan op de geschiedenis van de creolenkerk, met name van de ebg en elementen van het religieus erfgoed der creolen. Verrassend vind ik het gegeven dat een karakteristiek der christelijke kerken stamt uit de koloniale tijd en dat deze kerken erg verdeeld waren. Ik wist wel dat er een verdeeldheid was tussen protestanten en rooms-katholieken, maar niet dat de hervormden en luthersen tegen de ebg waren. Wist u ook dat de christelijke kerken tegen de vrijmetselarij en andere instituties zoals de loge Concordia van de vrijmetselaars, waren? Of tegen de foresters en mechanics, terwijl het bij al die instituten voornamelijk creolen betrof? Wat de creolen meebrachten als religieuze bagage uit West-Afrika leefde voort op de plantages en onder de mensen in Paramaribo. De volksopera’s, de doe-spelen zijn enkele voorbeelden. Evenwel was de expressie verboden. Dat leidde tot de strategie van de-voorkamer-met-de-bijbel en de-achterkamer-voor-de-eigen-zaken: de voorzaal- en de bakadyari-strategie. Deze situatie werd ook wel kruis en kalebas genoemd naar een gedicht van Trefossa die christendom (kruis) en het eigen religieus erfgoed (kalebas) bijeenbrengt. Het gedicht verwijst naar de nauwe verbondenheid tussen christendom en winti. Die verbinding werkte goed en de mensen raakten eraan gewend. De slaven en ex-slaven hadden moeite met het christendom en hebben pogingen tot creolisering van het christendom gedaan. Dit is mijns inziens niet vreemd. Vernooij legt dit op pagina 159 duidelijk uit. Hij schrijft, dat in de wereld van de creool er plaats is voor vele zichtbare en vooral onzichtbare entiteiten, krachten, bewegingen en intuïties. Alles was nabij en dichtbij, dus niet zoals bij de christenen, waarbij alles geconcentreerd was (is) rond het kerkgebouw en een nieuwe samenhang – gemeente – van mensen. Het leven is van vroeg tot laat, van geboorte tot dood, geritualiseerd. Daar voorzag het christendom niet goed in. Vandaar dat het rooms-katholicisme met zijn sacramenten, ceremonies en heiligen de creolen aanspreekt. Het is daarom inderdaad verbazingwekkend, zoals Vernooij dat zelf aangeeft in zijn conclusie, dat de leiding van de christelijke kerken niet veel van de ondergrondse bewegingen in de bevolkingsgroepen oppikte, maar doorging met hun traditionele geest van rivaliteit en vooroordelen. Al met al, pater Joop Vernooij levert een grote bijdrage met zijn essay dat goed aansluit bij de titel van het boek.

 

Lila Gobardhan-Rambocus: Creolen en onderwijs
Onderwijs als sleutel tot maatschappelijke vooruitgang. Een taal- en onderwijsgeschiedenis van Suriname, 1651-1975 (Zutphen: Walburg Pers, 2001) is het proefschrift waarop Lila Gobardhan-Rambocus promoveerde. Een belangrijk werk vol informatie over de geschiedenis van ons onderwijs. Logisch dat zij in Ontwaakt en ontwikkelt u… het essay over creolen en onderwijs heeft geschreven. Het is een artikel met veel gegevens uit haar proefschrift, en niet altijd hebben die alleen betrekking op de creoolse bevolkingsgroep. Ze schetst in haar artikel een duidelijk beeld van de sociaaleconomische ontwikkeling van de creolen middels het onderwijs. Onderwijs had voor deze groep een grote betekenis, vooral na het ‘Staatstoezicht’ in 1873. De basis voor deze ontwikkeling werd al in de slaventijd gelegd. Godsdienstonderwijs was in de 17de en 18de eeuw belangrijk, vooral lezen en schrijven van bijbelteksten. De voertaal was Negerengels. Slaven mochten het Nederlands niet leren. Deze teksten werden uit het hoofd geleerd. Gebeurt het van buiten leren van bijbelteksten op bepaalde schooltypen niet nog steeds? Rekenen werd in de zeventiende eeuw en tot ongeveer 1750 niet gegeven op de scholen, althans niet aan slaven. In 1760 kwam de eerste school voor vrije mulatten en negers. Het betekent dat al in de achttiende eeuw deze groep tot welstand kwam. Het onderwijspeil was echter laag. Zeelieden, avonturiers, dansmeesters waren de onderwijzers toentertijd. Geen bevoegde leerkrachten dus. Het was de ebg die in 1754 probeerde onderwijs te geven aan slavenkinderen. Het hoofddoel was bekering der negerslaven en hun ‘beschaving’ bijbrengen. Missie en zending hebben een grote rol gespeeld in de ontwikkeling van ons onderwijs. De zending begon rond 1831 en in 1844 mocht de ebg officieel scholen openen. Het doel was om jonge slaven op te leiden tot hulponderwijzer. Aan de slavenkinderen werden lezen, schrijven, bijbelkennis en godsdienstige beginselen onderwezen. De slaven werden in hun eigen taal opgeleid en ze mochten op hun plantage scholen openen, die de zending van tijd tot tijd inspecteerde. Vanaf 1854 kwam er een betere aanpak: de zusters van Roosendaal kwamen naar Suriname, speciaal voor het verzorgen van onderwijs. De voertaal was Nederlands. Na 1873 – de opheffing van het staatstoezicht – gingen mensen naar Paramaribo om zich daar te vestigen, maar velen hadden geen werk. Kinderen zwierven rond en veroorzaakten overlast. Om deze groep van de straat te houden werd vanuit de overheid in 1876 de leerplicht ingesteld. Als de ex-slaven niet massaal naar Paramaribo waren gekomen, was de leerplicht misschien nooit ingesteld of veel later, zoals dat onlangs op Aruba is gebeurd, pas in 2012. Gobardhan geeft in het artikel duidelijk de ontwikkeling van het onderwijs weer. De invloed die missie en zending erop hebben gehad wordt ook belicht, evenals de rol of bijdrage die de ebg heeft geleverd. Rond 1940 kende Paramaribo vier muloscholen en 26 lagere scholen. De scholen in de districten waren voor beperkt lager onderwijs en de scholen in het binnenland waren van het type blo en werden geëxploiteerd door de zending (15) en de missie (18). De voertaal was het Nederlands, maar op bijna alle scholen in het binnenland was de onderwijstaal het Negerengels. Hoewel er lang sprake is geweest van een negatieve beeldvorming, zegt Gobardhan in haar conclusie dat veel creolen het heft in eigen handen hebben genomen en hun eigen emancipatie hebben bewerkstelligd. Aanvankelijk vooral door het onderwijs.
Jack Menke: De wisselende betekenis van creool in Suriname
door Tessa Leuwsha

Foto © Lily Cusiel

 

Dat het begrip creool rekbaar is toont socioloog Jack Menke aan in zijn bijdrage. Het onderwerp is boeiend en beslist interessant voor een breed publiek. Jammer dat het wetenschappelijke taalgebruik en de soms storende herhalingen dit bemoeilijken.
Het woord creool duikt aan het begin van het kolonialisme op voor een in de kolonie geboren blanke ter onderscheiding van de ‘zuivere’ blanke in Europa. Ook op vee was de term van toepassing. In de 19de eeuw kwam in Europa het wetenschappelijk racisme in zwang. Grondlegger Linnaeus plaatste al in 1735 het blanke ras bovenaan zijn hiërarchische rassenladder. Onder ras vallen uiterlijke en erfelijk bepaalde eigenschappen, met huidskleur als meest zichtbare indicator. Huidskleur werd dan ook synoniem aan ras. Toebedachte rassenverschillen in temperament en intelligentie dienden vooral een sociale constructie. In Brazilië bijvoorbeeld keurden de koloniale machthebbers de ideologie van vermenging (‘mestiçagem’) van blank en zwart af. Een grote groep kleurlingen zou een bedreiging voor de raciale hiërarchie kunnen betekenen.
Etniciteit benadrukt de verbondenheid van een groep in cultuur, taal en historie. Bij volkstellingen in Suriname zijn ras- en etniciteitgegevens belangrijke peilinstrumenten gebleken. Vraagstelling en formulering rond deze kenmerken wisselden echter nogal. Tussen 1921 en 2004 vonden er zeven algemene volkstellingen plaats. Ras – ook aangeduid als landaard – vormde in 1921 en 1950 nog een basiskenmerk, in de jaren zestig verdween het begrip ten gunste van etniciteit. Onder sociale en politieke invloeden verbreedde de aanduiding creool met de opname van de groep gemengden. Hindostanen groeiden in aantal, wat een bedreiging vormde voor de positie van creolen in de ambtenarij en in de politiek. In ieder geval op papier diende de demografische balans in evenwicht te blijven. Gevraagd naar het doel van etniciteitgegevens in volkstellingen reageerde het Algemeen Bureau voor de Statistiek (ABS) in 1972 als volgt: ‘Steeds weer wordt de vraag opgeworpen waarom wij bij elke volkstelling de bevolking naar landaard (…) onderscheiden. Naar ons gevoelen verschillen wij in etnisch opzicht zo zeer van elkaar (…) dat zonder meer voorbijgaan aan dit aspect van onze samenleving zou neerkomen op het miskennen van de aanwezigheid van een wezenlijk spanningsveld in onze gemeenschap.’ Tegenwoordig wint binnen de eigen groep de term Afro-Surinamer het van creool.
Aukaanse jongeman. Foto © Nicolaas Porter

 

Eric Jagdew en Martina Amoksi: De marrons in Suriname in de post-emancipatie periode
Dit artikel van twee historici over de inburgering van marrons in de plantagesamenleving staat nogal los van de andere bijdragen in de bundel. Marrons hadden zichzelf al langere tijd van slavernij bevrijd, wat hun positie aanzienlijk van die van creolen deed verschillen. Meerwaarde van het artikel is de heldere beschrijving van de eerste zakelijke contacten tussen stadsbewoners en marrons, en van de beeldvorming ten aanzien van marrons. Na de afschaffing van de slavernij richtte de koloniale politiek zich op de voortzetting van de Surinaamse plantagelandbouw. Van de overgebleven plantages verbeterde de productie, hoewel dat ook in andere koloniën gold. Onverkoopbaarheid en ziekten gaven de grootschalige landbouw uiteindelijk de nekslag.
De integratie met marrons bestond in de 18de eeuw uit vredesverdragen, maar met de naleving van bepalingen liep het niet altijd even soepel: bosbewoners leverden niet graag weggelopen slaven uit. Na de periode van het staatstoezicht in 1873 beschouwde het gouvernement de marrons als een noodzakelijk arbeidsreservoir. Pogingen hen te werven liepen echter spaak: in geregeld werk zagen marrons een verkapte vorm van slavernij. Naast houtkap boden zij hun diensten aan als gidsen en vrachtvaarders in de opkomende goud- en balata-industrie. Hiermee viel een hoger dagloon te verdienen dan dat van de plantage- of stadsarbeiders. Niet zelden ontstonden er vanwege de hoge prijzen conflicten met houtopkopers of met klanten. In een poging tot beïnvloeding van de marrons stemde het gouvernement in met missie en zending in hun leefgebied. Rond 1900 kwamen bovendien contacten tot stand met leden van wetenschappelijke expedities die de marrons maar lui en onwillig vonden. Omgekeerd bleek uit een koloniaal verslag van 1904 dat marrons blanken als gierig en kwaadaardig beschouwden. Ook stadsbewoners hadden zo hun mening over marrons. De antikolonialist Anton de Kom schreef: ‘Wij, als kinderen keken naar hen op met een zekere angstige nieuwsgierigheid, als naar wilden (…)’. Marrons op hun beurt voelden zich helden boven de creolen die de slavernij op de plantages hadden uitgezeten. Negatieve beeldvorming over en weer bestond toen. En nu nog!
Jerome Egger (redactie): Ontwaakt en ontwikkelt U: Creolen na de afschaffing van de slavernij, 1863-1940. Paramaribo: IMwO, 2013. ISBN 987- 99914- 7-185- 3

Nieuw boek documenteert historie zwarten

door Audry Wajwakana

Jerry Egger

 

Paramaribo – Het vastleggen van de Surinaamse geschiedenis wordt met Ontwaakt en ontwikkelt u, nog meer vervolmaakt. Dit nieuwe boek, uitgegeven door het Instituut voor Maatschappij en Wetenschappelijk Onderzoek (IMWO), wordt vanavond uitgegeven. Onder redactie van Jerome Egger hebben zeven wetenschappers vanuit hun discipline de verschillende aspecten van creoolse nakomelingen laten optekenen in het boekwerk Ontwaakt en ontwikkelt u: creolen na de afschaffing van de slavernij 1863-1940.
 
 
 
Portret van drie marrons en een kind. Collectie Tropenmuseum Amsterdam
Creool

Het boek komt voort uit een samenwerking tussen het IMWO van de Anton de Kom Universiteit en het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee) in Amsterdam. “Het eerste plan om de geschiedenis van de Afro-Surinamers te onderzoeken en vast te leggen, is in 2008 opgevat”, herinnert Egger zich. Na een seminar in 2010 over de vastlegging van de geschiedenis van nazaten van de slavernij, is besloten om in artikelvorm onderzoek te doen naar het onderwerp. In het eerste artikel wijdt Jack Menke uitgebreid uit over het ontstaan van het woord creool en de wisselende betekenis ervan. “Spaanse veroveraars noemden alle nakomelingen van Europa, creool. Dit gold voor blanken, niet blanken en zelfs dieren”, weet Egger. Ook voor Suriname heeft het woord een bepaalde betekenis gehad. “Menke heeft voor het onderzoek gebruik gemaakt van de volkstelling statistieken vanaf 1921 tot de jaren zeventig, waarover hij vanavond een inleiding zal geven.”

Economisch actief
In het artikel ‘Langzaam ontwaken’ geeft Egger een overzichtvan een aantal sociaal-economische ontwikkelingen die plaatsvonden bij de creolen vanaf 1873. “Na het Staatstoezicht is er een duidelijk beeld gegeven in welke branches de creolen economisch actief waren. Van landbouw, goud, balata tot de ambtenarij en onderwijs in de twintigste eeuw.” De vijf andere onderzoekers zijn Lila Gobardhan-Rambocus over creolen en onderwijs, Joop Vernooij onderzocht creolen in de kerk en het creoolse geloof. Alex van Stipriaan onderzocht Paranen tussen stad en bos, een complexe Afro-Surinaamse ontwikkeling. Eric Jagdew en Martina Amoksi onderzochten de Marrons in Suriname in de post-Surinaamse periode; de moeizame integratie in de plantage-samenleving.

Stimulans
“Dit boek moet een stimulans zijn voor andere groepen om hun eigen geschiedenis vast te leggen”, zegt Egger. Op den duur zal er van alle losse stukjes van de geschiedenis één geheel gevormd kunnen worden. Het boek telt 280 bladzijden en zal volgend week in de boekhandels verkrijgbaar zijn. Tijdens de presentatie die gehouden wordt in het IGRS-gebouw op het universiteitsterrein, zal het boek voor een gereduceerd tarief worden aangeboden.

[uit de Ware Tijd, 21/06/2013]

9de Caribbean-Latin American Encounter

Brownsberg

Caribbean Reality Studies Center (Aruba) o.l.v. Dr. Glenn Sankatsing, Stichting Wetenschappelijke Informatie (Suriname) o.l.v. Prof. Jack Menke en Institute for Graduate Studies & Research of the University of Suriname o.l.v. Prof. Marten Schalkwijk organiseren van 4-8 augustus in Brownsberg Suriname de negende Caribbean-Latin American Encounter. Intellectuelen en activisten uit verschillende landen komen in Browsberg bij elkaar om een kritisch alternatief te ontwikkelen voor de Eurocentrische benadering in de wetenschap. Uitgebreide informatie is hier te vinden.

The Positive Branding of Islam

Angelic Alihusain–del Castilho Bsc. MA. heeft het onderzoek voor het behalen van haar Mastergraad in moderne diplomatie nu uitgebracht in de vorm van een boek. De titel is: The positive branding of Islam; A case study of Islamic countries their Public Diplomacy Efforts and Effectiveness. Het is gepubliceerd door Lambert Academic Publishing in Duitsland. De presentatie aan het Surinaamse lezerspubliek is gepland voor woensdag 9 november a.s. in Ons Erf in Paramaribo. Hierbij zullen prof. dr Jack Menke en drs Maurits Hassankhan het boek becommentariëren.

De activiteit begint om 19.00u.

Kritische reflectie over wetenschapsbeoefening in Suriname

door Els Moor
Op 20 augustus 2010 werd er op de Anton de Kom Universiteit van Suriname een seminar gehouden onder de titel: Het standaardbeeld van de wetenschap in Suriname: problemen en alternatieven. Het seminar werd georganiseerd door het Institute for Graduate Studies and Research (IGSR) en de leerstoel ‘Sociale Wetenschappen in technieken van onderzoek’. Docenten, promovendi en andere onderzoekers en geïnteresseerden namen deel. De inleidingen, discussies en evaluatie zijn nu vastgelegd in boekvorm onder redactie van Jack Menke (foto rechts), wat een goed initiatief is. Het is de eerste publicatie in een serie Occasional Papers, die door IGSR gepubliceerd zal worden. Deze eerste publicatie effent de weg voor kritische discussie binnen de samenleving over wetenschappelijk onderzoek aan onze universiteit.Jack Menke is de auteur van de ‘Introductie’. Hij geeft de drie lijnen aan waaruit de bundel is voortgekomen. De eerste is meteen al raak: een wetenschappelijke methode is altijd een instrument en functioneert dus binnen een groter verband. Dat betekent dat elke methode eerst getoetst moet worden aan de bruikbaarheid binnen de eigen samenleving. De tweede lijn is het onderzoeksklimaat dat zich binnen ISGR begint af te tekenen, vooral door kritische discussies onder studenten over de context en de grondslagen van wetenschappelijke kennis. De derde lijn is die van de presentaties en discussies tijdens het seminar.Jack Menke heeft het in zijn inleiding over het traditionele westerse standaardbeeld van de wetenschap tegenover de waarden, kaders en benaderingen binnen bepaalde tradities. Zo is het standaardbeeld van de wetenschap in Suriname voornamelijk het universele beeld van wetenschap, gebaseerd op logica en realiteit, dus wat met de zinnen kan worden waargenomen. Positivisme heet dat in wetenschappelijke taal. Dit standaardbeeld is nauw verbonden met de ontwikkelingen van logica en wiskunde in Europa rond 1900, de basis van de huidige wetenschapsbeoefening. Binnen de traditionele wetenschapsbeoefening zijn twee factoren essentieel: dat het resultaat alleen gebaseerd is op ervaringen binnen het onderzoek en dat wetenschap gevrijwaard moet zijn van waardeoordelen, dus alleen berust op logische, rationele oordelen.

Een probleem binnen de wetenschapsbeoefening via ADEK is dat er vaak onderzoek gedaan wordt door buitenlanders. Dat kan tot grote misverstanden leiden. Jack Menke geeft een leuk voorbeeld: onderzoek naar natievorming. Maar dat woord heeft in Suriname een geheel andere betekenis gekregen dan het had in de koloniale tijd. Toen betekende het: een natie inrichten volgens eurocentrische opvattingen, dus één gemeenschappelijke taal en cultuur (godsdienst wordt niet genoemd, maar hoort er uiteraard bij). In Suriname ging het echter net andersom: er werden steeds nieuwe bevolkingsgroepen geïmporteerd en aan de samenleving geplakt. Het begrip ‘natie’ is dus eigenlijk verwarrend als we ‘de Surinaamse natie’ moeten typeren. Het komt ook nog steeds voor dat een buitenlandse onderzoeker onderzoek doet naar een aspect van een inheemse samenleving en op grond van de positivistische werkwijze tot een verkeerd resultaat komt, omdat de doelgroep zelf geen controle op de juistheid heeft kunnen uitoefenen.

De wetenschapsbeoefening in Suriname is aanvankelijk gebaseerd op positivistische principes en nog steeds speelt dat sterk. Gelukkig komt er nu langzaam maar zeker een benadering vanuit de eigen situatie. Er wordt steeds meer gepleit voor alternatieve benaderingen die ruimte geven aan kritische reflectie en die openstaan voor participatie van de doelgroep. Sociale wetenschappers laten tegenwoordig steeds meer van zich horen en behalve strikt wetenschappelijke doelen zijn er vaker ook sociale doelen, bijvoorbeeld gericht op emancipatie van groepen uit de samenleving. Dit is bijvoorbeeld meestal het geval binnen de feministische wetenschap. Net als de ‘Filosofie van de Derde Wereld’ geeft deze benadering een andere draai aan het begrip ‘objectiviteit’ dan binnen de positivistische visie. Als wegbereider van de filosofen van de derde wereld noemt Jack Menke uiteraard Frantz Fanon (1925-1961). Deze arts en activist is geboren op Martinique, studeerde medicijnen in Frankrijk en werkte van 1952-1956 als psychiater in een ziekenhuis in Algerije. Hij sloot zich aan bij het Front de Libération Nationale en werkte toen als arts in het Algerijnse bevrijdingsleger. Bekende werken van hem zijn Zwarte huid, blanke maskers (1952) en De verworpenen der aarde dat uitkwam in 1961, toen de auteur stervende was aan leukemie. De kern van deze ‘filosofie’ is de eenheid van theorie en praktijk, treffend verwoord door de Afrikaanse dichter Sékou Touré: ‘Het schrijven van een revolutionair lied is niet voldoende om deel te nemen aan de Afrikaanse revolutie; men moet deze revolutie maken met het volk. Met het volk, en de liederen komen dan vanzelf wel.’ Conclusies van Menke zijn dat de scheiding tussen de verwerving en de toepassing van kennis opgeheven moet worden. Wetenschap is veel maatschappelijker dan het positivisme doet voorkomen. Wetenschap wordt in de derde wereld vaak gezien als een instrument tot bevrijding waarbij waarden zoals emancipatie en humanisering centraal staan. In Suriname is het standaardbeeld van het positivisme, ook in andere vormen van onderwijs, nog te veel vastgeroest. Er is grote behoefte aan alternatieve benaderingen.

Kees van der Wolf bespreekt in ‘Mixed methoden in onderwijsstudies’ waartoe we kennis ontwikkelen, wat we ermee willen bereiken. Het beeld van objectiviteit, herhaalbaarheid en controleerbaarheid (positivisme) is nog te sterk aan onze faculteit van Maatschappijwetenschappen. Het is belangrijk dat we in de wetenschap speculaties en vooroordelen voorkomen. We kunnen om problemen op te lossen kennis van elders zeker gebruiken, maar we kunnen hier ook samen kennis ontwikkelen in de context van probleemoplossing.

Julia Terborg (foto links) heeft het in haar inleiding over feministische wetenschapsbeoefening. In de tachtiger jaren vond er in de wetenschapsbeoefening rondom het feminisme een verschuiving plaats van het ‘concept vrouw’ naar het ‘concept gender’. Dit begrip staat voor de gedrags- en identiteitsaspecten van een sekse. Dus niet de lichamelijke aspecten. Hierbij krijgen bij onderzoek de onderzochte personen de ruimte om mee te praten over de onderzoeksdoelstelling. De onderzoeksmethode wordt gekozen op grond van het onderwerp van onderzoek. Daarbij is het van essentieel belang dat de onderzoeker het echte probleem ziet, niet kijkt vanuit een beperkte visie. Wie veroorzaken de problemen van overbevolking? De vrouwen? Zij gebruiken toch geen voorbehoedsmiddelen (vaak vanuit hun cultuur)? Of de scherpe sociaal-economische ongelijkheid in de wereld? Op de wereldconferentie over dit onderwerp in 1994 zijn feministen als collectief erin geslaagd om een andere wending te geven aan de discussie over bevolking en ontwikkeling, meer vanuit de erkenning en bescherming van de rechten van vrouwen en worden bevolkingsvraagstukken meer in verband gebracht met sociale vraagstukken, zoals armoede.

De derde inleiding van Monique Veira (foto rechts) gaat over rechten en samenleving: moet de juridische manier van denken onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen gewijzigd worden? Dit onderwerp roept vaak weerstanden op bij juristen. Monique Veira bespreekt Surinaamse gevallen om de aanpak te beoordelen. Zij besluit dat de typisch wetenschappelijke juristerij verrijkt moet worden door ook open te staan voor andere disciplines, wanneer de casus erom vraagt.

Er waren twee discussierondes tijdens het seminar. Veel vragen en opmerkingen maakten duidelijk dat het onderwerp aanslaat en dat is prima. Ook de evaluatie was grondig. Jack Menke kwam met een treffer: moet ook academisch onderwijs niet creatiever zijn, in een meer ongedwongen sfeer? En werken al die typisch academische termen niet vervreemdend, vooral naar een algemener publiek toe? Hiermee ben ik het roerend eens. Wat een moeite heb ik gehad om dit boekje te begrijpen, terwijl de stof me zeer na aan het hart ligt. Soms vier moeilijke wetenschappelijke woorden in één zin! En creatiever onderwijs: dat is mijn stokpaardje, voor alle leeftijdsklassen en niveaus!

Toen ik het boekje eindelijk uit had en klaar was met een overzicht voor dit artikel, pakte ik mijn ‘lijfblad’, het weekblad De Groene Amsterdammer, van 14 juli. Is het toeval dat daar net nu een artikel van Caspar Thomas en Yvonne Zonderop in staat over wat drie planbureaudirecteuren, tevens hoogleraren aan universiteiten, vinden van de wetenschap in Nederland? Een van de drie begint met een voorbeeld: ‘Ik had laatst iemand die wilde promoveren op werkloosheid. Mooi onderzoek, maar de cijfers waren twintig jaar oud. Je kunt daarop promoveren, maar de maatschappelijke relevantie is nul komma niks’. En zo gaat het door: de universiteiten worden zelfs ‘ivoren torens’ genoemd. Er wordt ook gepleit voor een intensievere samenwerking tussen wetenschap en beleid. Het einde van het artikel is aldus: ‘Als de overheid zegt: wij moeten een alternatief vinden voor accu’s, dan moet de TU Delft toch zeggen: wij doen mee, we gaan ervoor? Als wetenschappers dan nog steeds klagen dat ze niet gehoord worden, ach ja…’
In onze kleine samenleving met maar één universiteit kunnen we de handen toch makkelijker ineenslaan? Kunnen we toch verder komen met de ontwikkeling van aan ons land en de tijd aangepaste wetenschap, die wel wetenschappelijk blijft?

Institute for graduate Studies and Research. Occasional paper 1. Het standaardbeeld van de wetenschap in Suriname: problemen en alternatieven. Redactie: Jack Menke. Anton de Kom Universiteit van Suriname, 2011
De Groene Amsterdammer. Onafhankelijk weekblad sedert 1877. 14 juli 2011.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter