blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Marhe Moti

Sarnámi Seminar 2017: 3-daagse seminar over taal & cultuur

De Status van het Sarnámi als taal en cultureel erfgoed
Ontstaan, Ontwikkeling en Toekomst

lezingen, debat, workshops, talkshow, column, video, literatuur, muziek

 

Onder leiding van de Stichting Eekta zijn samenwerkende partijen in Den Haag bezig om een Sarnámi Seminar te organiseren op 24, 25 en 26 maart a.s. Het thema is: de Status van het Sarnámi als taal en cultureel erfgoed – Ontstaan, Ontwikkeling en Toekomst. Met het algemene thema willen de initiatiefnemers de Surinaamse taal Sarnámi centraal stellen. Ze willen tijdens het seminar stilstaan bij de positie van deze taal, zowel in Suriname als in Nederland, pakweg 144 jaar na zijn ontstaan. Wat heeft bijna anderhalve eeuw deze taal gebracht? Wat is de positie ervan en hoe ziet de toekomst eruit? read on…

De betekenis van Nauyuga voor het verdere leven en carrière

door Bris Mahabier en Naushad Boedhoe

 

In dit hoofdstuk zal in kort bestek worden geschetst wat de betekenis van de vereniging Nauyuga is geweest in het verdere leven en de carrièreontwikkeling van haar oud-leden. Wat hebben oud-leden in Nauyuga geleerd, hoe hebben de in verenigingsverband opgedane kennis en vaardigheden een rol gespeeld in hun leven en carrière en welke vriendschappen en andere relaties heeft Nauyuga opgeleverd? read on…

Onjuiste namen op monument van Mariënburg

door Benjamin S. Mitrasingh

Momenteel is in Suriname mijn oude vriend Moti Marhé. Moti heeft Nederlands en Hindi gestudeerd aan de Rijksuniversiteit in Leiden en ik archeologie. Op 5 juni 1978, dus 37 jaar geleden, hebben Moti en ik de brochure samengesteld: Mathura, Ramjanee en Raygaroo; verzet tegen uitbuiting en onderdrukking in Suriname. Ik heb het bronnenonderzoek gedaan en Moti heeft de tekst geredigeerd. In deze brochure schrijft Moti heel duidelijk dat het is geschreven ‘…voor baba en mai…’ read on…

Mohan torst in zijn eentje de Sarnámi traditie

door Michiel van Kempen

Met de literatuur in het Sarnámi, de moedertaal van de Surinaamse Hindostanen, is het een wisselvallige geschiedenis geworden. Na 1977 swingde de boel de pan uit rond arts/dichter/taalpropagandist Jit Narain in Den Haag, met zijn zingende broer Rabin Baldewsingh (the singing detective van het Haagse college van B & W), met de lederen feministe Gharietje Choenni, met de ragfijn dichtende Chitra Gajadin (de schrik van het eerste Sarnámi festival in Paramaribo), met Hindi hopman Surj Biere en de wandelende megafoon van de Sarnámi grammatica Moti Marhé. En natuurlijk met Cándani, vers van onder een districtskoe uitgekropen, niet gehinderd door enige kennis van welke schrijfwijze dan ook, maar wel wonderschoon zingend als een treurige leeuwerik aan het hof van koning Akbar. En dan, ploef, zakt het hele zaakje in elkaar, begraaft Narain zich in Saramacca, begint Choenni aan een striptease en kruipt er uit het zwarte leder nog slechts een pensionhoudster op Bonaire, encanailleert Cándani zich met de stankbel van Scientology en lijken alle anderen zich tevreden te hebben gesteld met de rol van voetnoot in de literaire geschiedenis. Rabin Baldewsingh verklaart publiekelijk dat schrijven in het Sarnámi geen zin heeft en de Hindostanen alleen maar terugdringt in groepselement; hier spreekt de brede burgervader in de dop.
Als die storm is overgewaaid duikt opeens Raj Ramdas op, broer van de zoveel beroemdere essayist Anil die nooit iets met de Hindostaanse beweging had, maar die zich wel als een echte pasja in India vestigde, voorzien van tuinman, chauffeur en kokkie. Raj Ramdas maakt indruk op het festival Winternachten met zijn voordracht uit zijn fraai uitgegeven bundel Kahán hai u/Waar is zij (2003). Als ook van die weldadig aanvoelende Sarnámi windvlaag helemaal niets meer te merken is, kondigt Raj Mohan zich aan, hij lijkt bereid de Sarnámi traditie in zijn eentje voort te zetten, eerst met de tweetalige bundel Bapauti/Erfenis (2008), nu met de omvangrijke bundel Tihá/Troost.
De tweede afdeling van de nieuwe bundel geeft 22 gedichten enkel in het Nederlands. De eerste afdeling bevat zeventien gedichten in het Sarnámi met een Nederlandse vertaling ernaast, waarbij direct gezegd moet worden dat deze vertalingen zich soms tamelijk ver van de oorspronkelijke taal begeven. Een dichter mag natuurlijk met zijn teksten doen wat hij wil, maar voor iemand die toch graag de twee versies wil vergelijken is het tamelijk hinderlijk dat de regels niet parallel lopen, ja, dat de Nederlandse vertaling soms meer dan een halve bladzijde langer uitpakt. Neem deze strofe van mooie zegging:

áj phir chhui ke jáylá tor ego puráná dukh

Wat dan in de vertaling tot klein brandhout verhakkeld wordt in zeven versregeltjes, alsof aan elk woord een gewicht van veertig kilo hangt:

vandaag
raak ik
weer eens
een oud
verdriet
van jou aan
en vertrek

Wat direct opvalt is hoezeer de twee afdelingen uiteenlopen naar inhoud én naar taal. De Sarnámi gedichten zijn intiem, geven kleine familiescènes, ontspruiten bijna altijd uit de melancholie over een verdwenen of een verdwijnende wereld. Ze worden gedragen door het verdriet van de migrant die ergens tussen India, Suriname en Nederland de coördinaten van zijn leven en – vooruit maar – zijn identiteit probeert te zoeken. Dat zijn allemaal motieven die ook uit het werk van de andere Sarnámi dichters bekend zijn. Natuurlijk speelt ‘áji’, de grootmoederfiguur, er een belangrijke rol in; bij welke van de Sarnámi auteurs wordt zij – de witgehaakte orhni op het hoofd, de koemest aan de hielen en de moede rimpels in het gezicht – niet tot leven gewekt in vaak liefdevolle versregels? Opmerkelijk is ook hoe eenvoudig het taalgebruik in die eerste afdeling is, hoe beperkt het vocabulaire (ik bedoel dat niet negatief!) en hoezeer dat vocabulaire helemaal in het verlengde ligt van de woordenschat van Narain en Cándani.

tor hawá men milal bá mahak hamár cháhe tor matti jagghá na de hai enrhi dhansáwe khát

mijn geur is vermengd met je wind
al geeft jouw aarde geen plek
om mijn hiel in te planten

De taferelen en metaforen die Mohan ons voortovert zijn traditioneel, het olielampje is er natuurlijk, het vuur, de rijst, de vleermuizen, de bruidsstoet, de diya, kortom: de hele setting van het rurale Hindostaanse leven. Naar de soms overdonderende metaforen die Jit Narain wist te vinden, zoek je bij Raj Mohan tevergeefs. Maar het is misschien niet helemaal fair om hem te vergelijken met een dichter waarvan er maar één per generatie, zo niet per eeuw voorkomt.

Op zich zijn Mohans vertalingen wel acceptabel, al haalt er niet één zelfs maar in de verte de klankrijkdom van het Sarnámi (de gedichten zijn ook als liedteksten bedoeld en je moet er Mohans CD Daayra eigenlijk bij beluisteren). Op enkele plaatsen zijn de vertalingen tenenkrommend prozaïsch, zoals in deze regels waarbij men wijlen J.-P. Balkenende zuinigjes-goedkeurend ziet knikken:

hoe red ik mijn cultuur
te midden van honderd rassen
normen en waarden van anderen

De afdeling met gedichten in het Nederlands herneemt wel enkele motieven uit de eerste afdeling, maar is veelvormiger, het gaat daar ook over het Suikerfeest, over een schietincident in Amerika en zowaar over dik-zijn! Het vocabulaire is ook veel uitgebreider, wat misschien ook wel komt doordat er geen beperking is om de tekst in een liedvorm te brengen. Voor Raj Mohan betekent dat dan dat het fijnzinnig oproepen van een sfeer zoals in de eerste afdeling plaats maakt voor benoemen. De Nederlandse poëzie is veel cerebraler dan die in het Sarnámi:

de muzen van Apollo
worden erbij geroepen.
gewekt uit een eindeloze droom
over kosmische muziek en aards vermaak.

deze fijnzinnigheid van twee werelden
verborgen in een halssnoer van parabels,
tooisel van de nieuwe keizers van theater

Mij lijkt dat de laatste twee versregels de poëzie uitmaken en dat de regel ervóór liever iets had kunnen beschrijven dat de genoemde fijnzinnigheid oproept, dan dat die regel zelf de fijnzinnigheid expliciet benoemt. Dat oproepen lukt Mohan overigens soms wel, zoals in een gedicht over een vakantie in Suriname, waar hij een hete asfaltweg in Suriname laat contrasteren met de schoorsteenmantel in Nederland. Hinderlijk in de bundel zijn wel verschillende taalfouten, zoals ‘jouw ellende kan ik/ niet meer te verdragen’, ‘zonder enig steun’ en ‘een interactief/ breedbeeld tv’. Gewoon niet aandachtig genoeg geredigeerd.
Maar goed, laat ik er nu maar het zwijgen toe doen, tenslotte kreeg ik op pagina 66 toch al een subtiele tik op de neus in het gedicht ‘geschiedenis’:

de blanke
vertelt mij zijn verhaal
en ik luister
de blanke
vertelt mij mijn verhaal
en ik luister

Raj Mohan, Tihá/Troost, Haarlem: In de Knipscheer, 2011. 74 p., ISBN 978 90 6265 661 5, prijs € 16,90.

[uit Oso, 2011, nr. 2]

Sarnami moet worden gestandaardiseerd

door Sabitrie Gangapersad

Paramaribo – Het Sarnami, de moedertaal van de Surinaamse Hindostanen, moet worden gestandaardiseerd en behouden worden als spreektaal. Het Hindi moet echter op academisch niveau in het onderwijs worden ingevoerd. Dit voorstel kwam dinsdagavond tijdens een presentatie over de ontwikkeling van het Sarnami naar voren. De Indiase wetenschapper Vimleshkanti Varma was ook aanwezig en deelde zijn kennis met het publiek.

In eerste instantie leek het alsof de presentatie identiek zou zijn aan de vele discussies die al jaren over dit onderwerp worden gevoerd. Dit gebeurt meestal rond de herdenking van de immigratie. Er wordt dan weleens geopperd dat Sarnami en Hindi helemaal zullen verdwijnen door de dominantie van de Nederlandse taal en het Sranan. De bijeenkomst in Stichting Hindi Parishad dreigde hetzelfde patroon te volgen toen Marlene Oemrawsingh de stoute schoenen aantrok en vroeg wat zuiver Sarnami is. Dit werd gevolgd door interessante visies van Maurits Hassankhan, Indra Djawalapersad en Varma. Hassankhan vindt dat er een instituut moet komen waarin experts van India en de landen in diaspora bijeen moeten komen om na te gaan hoe de verschillende moedertalen te standaardiseren en te versterken. Hij vroeg de Indiase overheid om Surinamers in de gelegenheid te stellen op Indiase universiteiten Hindi te studeren met Bhojpuri (dit komt enigszins overeen met Sarnami) als specialisatie. Djawalapersad meent dat iedereen kennis moet maken met alle moedertalen op de basisscholen. Op junioren en senioren niveau kan dit als keuzevak worden opgenomen, terwijl op academisch niveau het Mandarijn en Hindi moeten worden ingevoerd. Beide zijn grote wereldtalen met bestaande curricula en docenten in Suriname. Varma gaf aan dat India met veel lokale talen met hetzelfde probleem zat. “Een spreektaal onderwijs je niet.”

“Hoewel in India audhi, gujarathi, marahti enzovoorts wordt gesproken, is het onderwijs in Hindi.” Oemrawsingh toonde zich bezorgd over een duidelijk standpunt omdat de taalwet actueel is. “Laten we bijeenkomen en een besluit nemen. Ouders moeten Sarnami met hun kinderen praten, maar het onderwijs moet in Hindi. Met Sarnami kun je nog niet naar buiten treden, omdat de standaarden ontbreken. Met de opleving van India als wereld mogendheid, zal Hindi voor ons ook erg nuttig blijken.” Moti Marhé (foto rechts) die ook het woord voerde, zei dat de relatie tussen Hindi en Sarnami belangrijk is. “Je moet in de promotie van Hindi, Sarnami meenemen.” Dit lijkt de Indiase overheid ook van plan te zijn. Ambassadeur Kanwaljeet Singh Sodhi zegde toe alle publicaties in Sarnami te zullen ondersteunen.

[uit de Ware Tijd, 23/06/2011]

Commentaar redactie CU
Klaarblijkelijk vergeet men dat het Sarnami al sinds 1986 (commissie-Adhin) een gestandaardiseerde spelling heeft.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter