blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Marck Rolf van der

Herinneringen aan Rolf van der Marck

door Jan Gajentaan
 
Vandaag is het precies een jaar geleden dat de in Suriname wonende Nederlandse “pensionado” en publicist Rolf van der Marck (1935-2013) plotseling kwam te overlijden. Zijn kritische pen wordt node gemist.
Rolf gaf op veel zaken commentaar en deed dat – zo bleek achteraf – niet alleen onder eigen naam, maar ook onder pseudoniemen zoals Janus Miraculus, Edgar Mampier, Jodocus Treffers, Joshua Taytelbaum, Stanley Li A Pau, John Sterkendam of Jules Koningverander.
Rolf van der Marck
Amsterdam, jaren zeventig
Voor mij is hier een bijzondere geschiedenis aan verbonden. Ik kende Rolf persoonlijk, maar realiseerde mij dat pas nadat hij was overleden. In de jaren zeventig was mijn vader in Amsterdam bevriend met de uit Roermond afkomstige Rolf. Mijn vader was dierenarts en Rolf werkte toen bij een uitgeverij. Rolf woonde met zijn charmante vrouw Trees en hun twee zoons in Amsterdam-Zuid, niet ver van mijn ouderlijk huis. Ik was van dezelfde leeftijd als Rolfs oudste zoon en kwam vaak bij hen thuis om te spelen. Het gezin herinner ik mij als sociaalvoelend, progressief en kunstzinnig.
Het was voor ons dan ook een grote schok, toen Rolf op enig moment zijn gezin verliet omdat hij had gekozen om samen te leven met een man. Zijn vrouw en kinderen zijn toen, als ik me dat goed herinner, elders gaan wonen. Ik heb ze nooit meer gezien. Rolf kwam daarna, in de late jaren zeventig, nog wel eens bij mijn ouders over de vloer. Ik herinner me hem als een erudiete en energieke man met een duidelijke mening. Sindsdien heb ik Rolf nooit meer ontmoet.
Kritische geest
Toen enkele jaren geleden een artikel over mij verscheen op GFC Nieuws van ene Rolf van der Marck, waarin ik flink werd aangepakt (hij vond mij niet kritisch genoeg over Bouterse en Brunswijk), dacht ik meteen terug aan de Rolf die ik kende. Ik schoof die gedachte snel terzijde: ik kon me niet herinneren dat de naam Van der Mark met een c werd geschreven (Marck) en ik wist niets van een vertrek van “onze” Rolf naar Suriname. Het kon niet dezelfde persoon zijn, dacht ik.
De publicist Van der Marck kwam op mij over als een Hollandse brombeer die heel wat te mopperen had over Suriname, maar hij deed dat op een originele wijze. Hij schreef onder meer over de verloedering van het cultuurgoed, over de soms gemakzuchtige houding van de overheid en over dubieuze onderwijsinstellingen op de vrije markt. Hij was sterk anti-Bouterse. Toch proefde je aan zijn stukken, dat hij opkwam voor de Surinaamse mens en het niet kon verdragen wanneer die mens zonder respect behandeld werd.
Zijn kritische houding werd niet door iedereen op prijs gesteld. Misschien was hij daarom ook genoodzaakt om onder pseudoniem te schrijven. Zo kreeg hij het aan de stok met Hubert Rampersad, die een kort geding tegen hem begon. Er kwamen ook persoonlijke aanvallen op Rolf, die op internet valselijk beticht werd van pedofiele praktijken. Ismene Krishnadath van Schrijversgroep ’77 probeerde hem in diskrediet te brengen op grond van die valse beschuldigingen.
In de laatste weken voor zijn dood, hadden we contact via Facebook en wisselde ik berichten uit met Rolf over zaken zoals cultuur, literatuur en politiek. We hadden vaak een vergelijkbare denkrichting. Zo stoorden we ons allebei aan sommige columns van Sandew Hira en diens Holocaust-vergelijkingen over het koloniaal verleden. Het kwam op ons niet “kosher” over om het leed van de ene groep uit te spelen tegenover de andere. In Rolf’s laatste artikel op GFC Nieuws ging hij stevig te keer tegen Sandew Hira, die hij een heksenjacht tegen het zionisme verweet.
Pas toen op zijn website SurinameStemt het overlijdensbericht verscheen en ik de namen van zijn zoons in Nederland zag staan, realiseerde ik mij dat de publicist Rolf van der Marck één en dezelfde persoon was als de Rolf die ik gekend heb in mijn jeugd. Toen begreep ik ineens hoe het kwam dat sommige critici van SurinameStemt (alter ego’s van Rolf zelf) heel wat van mij wisten, zoals het optreden van mijn grootvader vroeger als Sinterklaas, bij de intocht van Amsterdam.
Met Rolf en zijn leger aan pseudoniemen zijn in één klap heel wat critici heengegaan. Ik hoop dat zich de komende tijd veel nieuw Surinaams schrijftalent zal manifesteren, niet alleen met romans en gedichten, maar ook met kritische stukken in de media. Rolf zou er blij mee zijn. Ik herdenk hem als een creatieve geest, misschien soms onbegrepen, met een sterk gevoel voor rechtvaardigheid.
[van GFC Nieuws, vrijdag 17 januari 2014]

Flirtgedrag Surinaamse mannen krijgt vrouwelijk antwoord

Regisseur Annegriet Wijchers maakte samen met Quincy Lisse en Sabrina Sugiarto een documentaire waarin het flirtgedrag van Surinaamse mannen op hilarische wijze wordt uitgebeeld. De vrouwen konden het daarbij niet laten zitten en geven er nu antwoord op.  Foto ©  Donovan Mijnals.
door Donovan Mijnals
Paramaribo – Toen Annegriet Wijchers, Quincy Lisse en Sabrina Sugiarto begonnen aan ‘Psst… schatje’ vermoedden ze geen overdonderend effect. Ondertussen is de documentaire over het flirtgedrag van Surinaamse mannen zo succesvol gebleken, dat een tweede deel onvermijdelijk is.
Maar deze keer wel vanuit het oogpunt van de vrouw, dus: ‘Tss… je denkt’. Eerder verscheen er al een spin-off van het project: ‘Wan Bromki Fu Gado’, die werd genomineerd voor de Holland Doc24-documentaire prijs. Verder zijn er reeds gesprekken gaande om ‘ Psst… schatje’ in Zambia op de tv te krijgen.
Royal Torarica, Imani Halfhide. Foto © Cosmotee
‘Wij kunnen dat ook’
Aanvankelijk was ‘Psst… schatje’ slechts naar Afrika in the Picture gestuurd, omdat dat festival toen in Nederland draaide. “Het was heel leuk, want er zaten heel veel Surinamers in de zaal en de lachsalvo’s rezen de pan uit: mensen zaten echt op hun dijen te slaan van plezier”, herinnert Wijchers zich. Achteraf bestond de gelegenheid tot vragen uit de zaal en het publiekvroegtelkens wanneer de vrouwen aan het woord gelaten zouden worden. Koren in de molen van de documentairemaker. “Stiekem hadden we er al eerder over nagedacht, want je bent ermee bezig en je hoort die mannen allemaal kletsen en je denkt ach, dat kunnen wij ook.”
Het vervolg van ‘Psst… schatje’ wordt volgens Wijchers een grotere uitdaging. Vrouwen zijn volgens haar toch wat terughoudender in hun antwoorden. “Als ik zo meteen naar een vrouw toe stap met de vraag: wat is uw type man, vragen ze vast waarom ze mij dat nou zouden vertellen.” Ze verwacht daarom dat er in dit project meer productie aan te pas komt en houdt er rekening mee dat het de spontaneïteit kan beïnvloeden. Er wordt dus slechts voor die optie gekozen indien op straat niet de gewenste verhalen uit de bus komen.
Ongeduld
De opnames voor deel twee zijn nog niet echt begonnen. Maar de crew is wel één dag in de stad geweest om de promo te maken. Het begon daar bij Wijchers meteen in de vingers te jeuken. Vergeten was de eigenlijke reden waarom ze op pad waren. Op gegeven moment kreeg ze daarvoor zelfs op haar donder. “Annegriet, we zijn bijna door onze batterijen heen. We zouden de promo maken en nu ben jij al aan het interviewen voor het project”, beet Lisse haar toe. Ondertussen waren al vier vrouwen aan het woord gelaten. “We waren een hele ondeugende jongedame tegengekomen, maar ook een vrouw die leuke verhalen had over hoe ze verliefd was geworden op een man bij haar in de kerk. Ze vertelde hoe ze stiekem elkaar knipoogjes gaven tijdens de dienst.”
De documentaireproducenten willen het project binnen 120 dagen af hebben. De eerste zestig dagen worden besteed aan het vergaren van fondsen. Door de bezuinigingen in Nederland vanwege de crisis, is er geen geld meer voor mooie creatieve ideeën. “We hebben een ‘crowdfunding project’ opgesteld waarbij mensen geld kunnen geven.” Zij kunnen vervolgens het productieproces van de film op de voet volgen. En afhankelijk van de geleverde bijdrage onder meer een dvd, bewerkte foto en ander beeldmateriaal van Lisse bemachtigen. Daarnaast is er voor de mannen die een beetje verlegen zijn en het niet zelf durven uitspreken een ‘Psst… schatje’ T-shirt.
Pom: Surinaamse verleiding

 

Surinaams product
Het allerbelangrijkste is volgens de crew om beide documentaires op de Surinaamse tv te krijgen. “We willen ook zoveel mogelijk Surinamers bij het product betrekken.” Er is een soundtrack in gedachten en dat willen ze juridisch goed geregeld hebben met de artiesten. “De vorige keer waren er veel mondelinge afspraken gemaakt en deze keer willen we daarvan afstappen.” Er wordt nu een componist ingehuurd van wiens werk er ook een clip gemaakt wordt, zodat ook diegene zijn carrière een boost krijgt. Allemaal in de functie van het flirtgedrag van Surinaamse mannen en vrouwen.
[uit de Ware Tijd, 16/03/2013]
Opgave CU: zoek de verkeerde gebruikte uitdrukkingen. Onder de goede inzenders wordt een nieuwe trofee verloot: de Rolf van der Marck-boterham met jonge kaas.

Kenneth Rellum – De Laatste Koloniaal

Vandaag onverwachts

Gaf de laatste koloniaal
De pijp aan Maarten
Als een brullende muis
In het hol van de leeuw
Was zijn vaste overtuiging
Dat “Neks no fout”
“Alles is fout” moet zijn
Dus haalde hij pen en karwats
Over onrecht en nationalisme
Dan plots die leegte
En nu?
Wie zijn stokje is dit?
[bij het overlijden van Rolf van der Marck]
Werk van Anya van Toorn

In Memoriam Rolf van der Marck 1935-2013

door Michiel van Kempen
Rolf van der Marck in het Museum Insel Hombroich
Het leek er soms op dat hij 24-uurs diensten draaide: bij nacht en ontij kon je Rolf van der Marcks commentaren verwachten op brandende maatschappelijke kwesties. Zijn vlijmscherpe reacties op zijn eigen website, Suriname Stemt, en hier op Caraïbisch Uitzicht, volgden weinig minuten op een persbericht dat hem niet zinde.  Hij was vaak de eerste om te reageren op een Facebook-bericht, en wanneer er een reactie verscheen op een van zijn eigen teksten, dan stond er een minuut later alweer een reactie van zijn hand onder. Op donderdag vroeg hij me om 7 minmuten over 5 in de ochtend hoe hij toch een bijschrift onder een foto geplaatst moest krijgen. De avond van diezelfde dag  overleed hij, op weg naar het Academisch Ziekenhuis in Paramaribo.
Rolf van der Marck werd geboren op 20 juli 1935 in Roermond. Zijn familie beheerde de grootste Limburgse drukkerij en tekende voor veel rooms-katholiek drukwerk. De liefde voor het grafische vak, en in het verlengde daarvan voor de literatuur en zeker ook de poëzie, zou Rolf zijn leven lang blijven koesteren. Hij verhuisde naar de Randstad, trouwde en hertrouwde en volgde na zijn pensionering  zijn nieuwe echtgenote naar Suriname.  Hoewel zelf geen pc-techneut, zag hij wel de mogelijkheden die het internet hem bood om zijn commentaren de wereld in te sturen. Want Rolf had een groot hart voor Suriname, en verscherpte alleen maar zijn blik op allerlei toestanden die in zijn ogen niet deugden. En wat niet deugde, daar moest tegen gestreden worden, met open vizier, man en paard noemend.
Desi Bouterse noemde hij een raaskallende president. Het proces tegen de daders van de decembermoorden volgde hij op de voet en de Amnestiewet gaf hem vitriool in de pen.  Hij doorzag onmiddellijk het oppurtunisme van Paul Middellijn toen deze een rapport opstelde om het Fort Zeelandia-complex te laten ontruimen, zogenaamd in het landsbelang maar in wezen voor diens eigen doelen. Nauwgezet volgde hij hoe er werd omgegaan met de erfenis van de slavernij en de manier waarop de slavenemancipatie wordt herdacht.  Met Alice Boots en Rob Woortman kruiste hij de degens over hun biografie van Anton de Kom. Hij stoorde zich aan het onderwijs en het gebrek aan niveau en organisatiegraad van de Adek-Universiteit. De verloedering van de Surinaamse pers was Rolf een doorn in het oog: niet alleen trok hij ten strijde tegen het slechte taalgebruik en het gemis aan journalistieke principes, de Ware Tijd verweet hij visieloosheid en Starnieuws gooide hij voor de voeten dat het een charlatan als Sandew Hira wekelijks de kans geeft zijn racistisch getoonzette stukken te publiceren. Graag bemoeide hij zich met de kunsten. Het commerciële I Love Su-monument van George Struikelblok in hartje Paramaribo vond hij beneden de waardigheid van een serieus kunstenaar. De Schrijversgroep ’77 vond hij een talentloos clubje nationalisten, dat te schijterig was om zijn stem te verheffen tegen censuur en de schending van de mensenrechten. Maar hij kon ook heel mooi zijn eigen emoties en inzichten beschrijven als het ging om kunst en literatuur, getuige bijvoorbeeld zijn stukken over de poëzie van Bernardo Ashetu.

Dat hij zich met zijn teksten niet altijd vrienden maakte, was overduidelijk. Hij begreep ook wel dat zijn politieke commentaren niet zonder risico waren, en mat zich daarom een hele batterij aan pseudoniemen aan: Janus Miraculus, Edgar Mampier, Jodocus Treffers, Joshua Taytelbaum, Stanley Li A Pau, John Sterkendam, Jules Koningverander, Dennis Leguit. Hij had die pseudoniemen natuurlijk ook nodig om de scherpte van zijn toon te kunnen bewaren.  En hij kon het verwachten: hij werd op de laagst mogelijke manier teruggepakt. In een anoniem commentaar op de website ILoveSu – juist een website met die naam! werd hij ervan beschuldigd dat hij als Hollandse pedofiel zijn toevlucht tot Suriname had gezocht. Wie de Deense film Jagtengezien heeft, staat voor altijd in het geheugen gegrift wat het betekent wanneer iemand ten onrechte van pedofilie wordt beschuldigd. Rolf zocht zijn verweer in het doen van aangifte, maar het rechtssysteem van Suriname was te zwak of te beroerd om deze goedgebekte Hollander te helpen.  En wat vóór hemzelf had gewerkt, werkte nu tegen hem: wat op het internet staat, verdwijnt zelden of nooit.  En zo kon het gebeuren dat korte tijd later Ismene Krishnadath, de voorzitter van Schrijversgroep ’77, de pedofilie-beschuldiging kritiekloos overnam in een stuk dat verder niets met de kwestie van doen had. Ze had niet door dat ze daarmee impliciet Rolf van der Marck in het gelijk stelde in zijn kritische blik op de Schrijversgroep: veel lager kon de groep niet meer zinken.

Zoals wel meer bakra’s in de tropen schreef Rolf van der Marck graag over ‘wij Surinamers’ en dat was oprecht gemeend: hij leefde mee met de Surinamers, met hoe onkunde, onwil, lamlendigheid, corruptie en nepotisme de gewone Surinamer deden lijden. Maar tegelijkertijd vergat hij de oeroude stelregel dat een bakra in de tropen er nooit echt bij zal horen, en al helemaal niet wanneer die altijd vol kritisch en scherp gearticuleerd commentaar de publiciteit zoekt. Tegelijkertijd bestond er voor Rolf van der Marck geen keuze: hij sprak dan wel vaak over het Surinaamse geweten, maar het was allereerst zijn eigen geweten dat hem ingaf dat er over bepaalde zaken niet te marchanderen valt. Je kunt er over discussiëren of hij soms de plank missloeg en wat meer bezinning en terughoudendheid zijn stukken goed zouden hebben gedaan, maar de onvoorwaardelijkheid van zijn eerlijke engagement: Caraïbisch Uitzicht zal die nog lang missen.

Pleidooi om het woord ‘holocaust’ te vervangen door ‘shoah’

Auschwitz, still uit de film Shoah van Claude Lanzmann

 
 
door Rolf van der Marck
 

Toegegeven, het is slechts een cosmetische ingreep, maar wel een noodzakelijke ingreep om ons van het dikwijls kwalijke gebruik van het woord holocaust als synoniem voor andere gelijksoortige misdaden tegen de menselijkheid te ontdoen. De term holocaust voor de systemtische Jodenvervolging door de Duitse nazi’s en hun bondgenoten in de aanloop naar en tijdens de Tweede Wereldoorlog is eerst aan het eind van de jaren ’80 van de vorige eeuw in zwang geraakt. Het woord holocaust is afgeleid van het oud-Griekse woord λόκαυστον (holokauston), dat ‘geheel verbrand’ betekent. Dit was de aanduiding voor een brandoffer aan een godheid. De term holocaust als synoniem voor shoah, het Hebreeuwse שואה (ha-shoah), dat ‘vernietiging’betekent, is in zwang geraakt sinds in 1978 de spraakmakende vierdelige televisierie Holocaust door het Amerikaanse netwerk NBC is uitgezonden.
De aanleiding tot dit pleidooi is de column 2013 een jaar vol emotie van Sandew Hira op StarNieuws van gister, en meer speciaal diens kwalijke gebruik van het woord holocaust, naar het zich laat aanzien opzettelijk om de Shoah te bagatelliseren. Hij gaat nog net niet zo ver om die te ontkennen, zoals andere ‘diehards’ regelmatig doen. Desalniettemin zaagt Hira hier hout van dikke planken:
Er zijn vier grote misdaden tegen de menselijkheid (je hoeft heen historicus te zijn om te weten dat het er veel en veel meer zijn geweest, RvdM). In volgorde van de omvang van het aantal slachtoffers en de duur van de misdaad gaat het om:
1)  De Zwarte Holocaust: 400 miljoen slachtoffers gedurende 350 jaar slavernij.
2)  De Inheemse Holocaust: 75-100 miljoen gedurende 100-200 jaar; het uitmoorden van de Inheemse beschaving in Noord- en Zuid-Amerika en het Caraïbisch gebied.
3)  De Victoriaanse Holocaust: 30-60 miljoen in 50 jaar. De term is van de auteur Mike Davis die onderzocht hoe hongersnoden in Azië zijn ontstaan als gevolg van het koloniale beleid om de Aziatische landbouw in te voegen in het kapitalistische wereldsysteem.
4)  De Joodse Holocaust: 6 miljoen mensen in 5 jaar.

Still uit de film Shoah van Claude Lanzmann
Alsof dit nog niet genoeg is, voegt Hira er aan toe:
Het is opvallend dat de misdaad die op de vierde plaats staat de meeste erkenning heeft gehad in films, schoolboeken, documentaires en zelfs in geld. Er is € 200 miljard betaald door de Duitsers aan herstelbetalingen aan de staat Israël en dat gaat ieder jaar nog door. Vorig jaar was het € 180 miljoen.
Deze rabiate heksenjacht tegen het zionisme en deze onverbloemde jodenhaat, in dienst van Hira’s heilige roeping om de geest van alle onderdrukten ter wereld ‘endgültig’ te dekoloniseren, maken steeds duidelijker dat de historicus en wetenschapper Sandew Hira is verworden tot een roepende in de woestijn, die als hij niet uitkijkt een dezer dagen in een dwangbuis moet worden afgevoerd naar een soort Wolfenbuttel als dat van de Surinaamse vakbondsleider Louis Doedel, om er – in tegenstelling tot Doedel – met recht en reden voor de rest van zijn leven ter observatie te blijven.

 

Daarom pleit ik ervoor om aan de ‘Ausradierung aller Juden’ alleen nog maar als shoah te refereren.

‘Helden van Mariënburg’ pionnen in de strijd van de antikoloniale emancipatiebeweging

Mariënburg. Foto @ Nicolaas Porter
door Rolf van der Marck
De Helden van Mariënburg, zoals de slachtoffers van het oproer te Mariënburg in 1902 sinds een aantal jaren door het leven gaan, zijn volop in het nieuws. Op 30 juli 2012 was het precies 110 jaar geleden dat 17 Hindoestaanse contractarbeiders werden neergeschoten en een groot aantal gewond raakte door soldaten van het Nederlandse leger, uit angst dat het oproer nog meer uit de hand zou lopen. De in Nederland woonachtige en werkzame Surinaamse historicus Sandew Hira schreef op diezelfde dag een brief aan de Indiase regering met de namen van de omgekomen contractarbeiders en het verzoek om hun nabestaanden in India te traceren en ze op de hoogte te stellen van wat er met hun voorouders (Hira bedoelt natuurlijk ‘verwanten’) is gebeurd, als zou daarvoor nog iemand belangstelling hebben behalve ‘n handje vol genealogen.
Mariënburg. Foto @ Nicolaas Porter

 

Volgens Hira ging het om een koelbloedige executie. De kolonisten drukten op die manier een opstand de kop in op de plantage Mariënburg in Commewijne. Die opstand was een week eerder begonnen toen zo’n tweehonderd razende arbeiders onder leiding van Jumpa Ray Garoo zich beklaagden over het (te) zware werk tegen ook nog eens verlaagde lonen. Op 29 juli 1902 gingen ze in staking. Dat liep uit de hand toen de stakers de directeur van de Suikerfabriek Mariënburg, James Mavor, lynchten, mede op grond het verhaal dat hij vrouwen van contractarbeiders misbruikte. De koloniale machthebbers stuurden de volgende dag vanuit Frederiksdorp een gewapende leger- en politiemacht op ze af en de daders werden gearresteerd. Toen de slechts met houwers gewapende arbeiders hun vrijlating eisten bij de districtscommissaris werd gericht geschoten op de arbeiders. Hierbij zijn direct 17 doden gevallen, terwijl daarna nog eens 7 gewonden zijn komen te overlijden. De 17 doden van het eerste uur werden overgoten met ongebluste kalk en in een massagraf op de plantage begraven. Ter herinnering aan de opstand werd op 30 juli 2006 door toenmalig Vice-President Ramdien Sardjoe op Mariënburg een gedenkteken onthuld, waartoe de Stichting Gevallen Helden 1902 het initiatief had genomen.
Mariënburg. Foto @ Nicolaas Porter
Het verzet wetenschappelijk benaderd
Op 30 juli van het afgelopen jaar hield voormalig Minister van Binnenlandse Zaken, de historicus Maurits Hassankhan, verbonden aan de Anton de Kom Universiteit van Suriname, opleidingscoördinator van de Masteropleiding geschiedenis bij het Institute for Graduate Studies and Research  (IGSR), tevens belast met de voorbereiding van de studierichting geschiedenis bij de (sub)faculteit Humaniora van de Universiteit van Suriname een lezing getiteld De opstand van Mariënburg 1902 en haar betekenis voor de Surinaamse samenleving. Hij is sinds 25 jaar, met korte onderbrekingen, bezig met onderzoek over immigratie van contractarbeiders, toegespitst op het onderwerp verzet.
Alhoewel ik helaas nog niet de hand heb kunnen leggen op de tekst van deze lezing, moet ik het hier stellen met wat staat vermeld in de aankondiging, namelijk dat Hassankhan niet alleen de vraag zal beantwoorden wat de directe aanleiding was van deze noodlottige gebeurtenissen, maar dat hij ook zal ingaan op de diepere achtergronden van het verzet van contractarbeiders tegen vermeende onderdrukking. Hij zal proberen een verklaring te vinden voor het feit hoe het komt dat schijnbaar willige en onderdanige Brits Indiërs konden overgaan tot gewelddadige acties als aanslagen op opzichters en directeuren van plantages en confrontaties met het overheidsgezag, toegespitst op:
• Wat zijn de redenen geweest waarom zij een botsing met de gewapende machten trotseerden, hoewel zij van te voren wisten dat zij bij elk gewelddadig treffen het onderspit zouden delven?
• Waarom hebben de immigranten Mavor vermoord?
• Was het alleen een zaak van te zware taken en te lage lonen of speelden ook andere motieven een rol? Wat is er waar van het verhaal dat Mavor intieme relaties onderhield met vrouwen van immigranten?
• Als dit waar is, waarom zwijgen de officiële bronnen hieromtrent? Hoe komt het dat de kranten van toen, die de rechtszaak uitgebreid hebben behandeld, geen melding maken van deze relaties. Speelden zij onder één hoedje met de koloniale autoriteiten?
V.l.n.r. Soewarto Moestadja, Ben Mitrasingh, Paulus Todirjo, Ingrid Karta-Bink, Michel Sjak Shie, foto BiZa
Opgraving massagraf
Reeds enige tijd is de Surinaamse archeoloog Drs. B.S. (Ben) Mitrasingh bezig toestemming te verkrijgen opsporingen te verrichten om de juiste plaats van het massagraf vast te stellen, het open te leggen en de stoffelijke resten – ‘if any’ – van de slachtoffers een eervolle herbegrafenis te geven. Ondanks dat hem daarbij reeds steun was toegezegd door de Nederlandse Ambassade, lag de “projectdrager duurzame toekomstmogelijkheden voor Mariënburg en Peperpot”, tevens President Commissaris van de Raad van Commissarissen van de Surinaamse Cultuurmaatschappij N.V, Michel Sjak Shie, nog altijd dwars, omdat “in gesprekken met bewoners van Mariënburg duidelijk is gebleken dat zij liever zien dat deze zaak met rust gelaten wordt.” Mitrasingh cum suis liet het er echter niet bij zitten en heeft door Shabir Ishaak van de Stichting Hindostaanse Immigratie een verzoek om toestemming laten richten aan President Bouterse, die daarin onmiddellijk heeft bewilligd. Sjak Shie bleef toen geen andere mogelijkheid meer over dan eveneens te bewilligen in dit onderzoek.
Kennelijk om de laatste plooien glad te strijken had minister Soewarto Moestadja van Binnenlandse Zaken afgelopen maandag een ontmoeting georganiseerd met alle deelhebbenden in het onderzoek naar het massagraf te Mariënburg, te weten de districtscommissaris van Commewijne Ingrid Karta-Bink, de projectdrager van Mariënburg Michel Sjak Shie, de archeoloog Ben Mitrasingh en Paulus Todirjo van het landmeterskantoor Eleazer. Verder zijn ook – alhoewel niet aanwezig bij dit treffen – het ministerie van Regionale Ontwikkeling en het Directoraat Cultuur betrokken bij deze plannen. Mij trof de verklaring van Moestadja na afloop “dat zo gauw de werkzaamheden zullen aanvangen dit internationaal een positief effect zal hebben voor Suriname in het algemeen en het district Commewijne in het bijzonder. Door het onderzoek kan precies komen vast te staan wat er heeft plaatsgevonden op 30 juli 1902 op de toenmalige suikerplantage.” Niet alleen is mij een raadsel hoe dit een positief effect kan hebben op Suriname in het algemeen en Commewijne in het bijzonder, maar nog groter raadsel is hoe in godsnaam de minister denkt dat het openleggen van dit graf duidelijkheid kan verstrekken over wat is gebeurd op 30 juli 1902.
De strijdkreet van Hira
Bovengenoemde Sandew Hira, de historicus achter het door hem in het leven geroepen International Institute for Scientific Research (IISR), heeft Twee stromingen in de Surinaamse Geschiedschrijvingals # 1 van de door hem te publiceren IISR Research papers uitgebracht op 12 oktober j.l. Uit de inleiding op dit paper citeer ik:
In deze bijdrage wordt het vraagstuk behandeld van de dekolonisatie van de Surinaamse geschiedschrijving. De volgende stelling wordt verdedigd: er zijn twee stromingen binnen de Surinaamse geschiedschrijving: een stroming – die ik noem het wetenschappelijke kolonialisme – die een beeld presenteert van de Surinaamse geschiedenis waarbij kolonialisme als een legitiem verschijnsel wordt gepresenteerd en een stroming – die ik noem Decolonizing the Mind – die het kolonialisme als een misdaad beschouwt. De verschillen tussen beide stromingen zijn heel groot. Ze zijn geworteld in verschillende tradities: de eerste in het eurocentrisme die het kolonialisme verdedigt, de tweede in de strijd tegen het kolonialisme. Ze hebben verschillende analysekaders. De eerste is geworteld in ideologie (hoe zou je naar de wereld moeten kijken), de tweede in de wetenschap (hoe zit de wereld in elkaar). Ze hebben verschillende research agenda’s. De eerste is gericht op de aandacht verschuiven van de misdaad van onderdrukking en uitbuiting naar onderwerpen die weinig betekenis hebben voor het blootleggen van die misdaad. De tweede is gericht op het blootleggen van de mechanismen van waarmee onderdrukking en uitbuitingen zijn opgezet en in stand gehouden alsmede haar erfenis in het heden.
(…)
Dekolonisatie van de Surinaamse geschiedschrijving is sociale strijd, niet een academisch onderonsje. De vraag voor de toekomst is hoe deze strijd tot een succesvol einde te brengen.
Zeker deze laatste alinea uit de inleiding op zijn paper maakt duidelijk waar Hira staat, hij is niet langer historicus, wetenschapper, nee, nu is hij ‘social worker’, straatvechter, die ons met z’n allen moet en zal overtuigen van het onrecht dat ons in de loop der eeuwen is aangedaan. De nauwelijks verholen aantijgingen alleen al in dit kleine citaat laten geen misverstand bestaan over Hira’s te volgen – voor historici overigens niet onbekende – strijdmethode.
Directeurswoning Suikerfabriek Mariënburg
De praktijken
Nu ben ik historicus noch wetenschapper, dus ik zal geen debat aangaan met Sandew Hira. Wel wil ik aan de hand van het bovenstaande aangeven dat ik het dikwijls met hem eens kan zijn, maar zijn strijdmethoden zijn beslist niet de mijne, sterker nog, ik denk dat hij daarmee alleen maar verder af komt te staan van zijn eigen gelijk.
Zo ben ik het bijvoorbeeld blindelings eens met Hira waar hij zegt dat het op 30 juli 1902 te Mariënburg ging om een “koelbloedige executie”. Hoezeer het koloniale gezag ook in zijn eer was aangetast dat de contractarbeiders het welhaast door God boven hun aangestelde gezag in de persoon van hun directeur James Mavor hebben gelyncht, om een gewapende leger- en politiemacht gericht te laten schieten op zo’n tweehonderd alleen met houwers gewapende mannen gaat alle perken te buiten. Machtsmisbruik uit vermeende superioriteit.
Maurits Hassankhan

 

De vraagstelling van Hassankhan is hier en daar – uiteraard om polemische redenen – wat simplistisch, bijvoorbeeld waarom de contractarbeiders de gewapende macht trotseerden en waarom zij Mavor hebben vermoord. Alleen knechting en zwaar onrecht, leidend tot een nauwelijks meer menswaardig bestaan, kunnen een dergelijke woede-uitbarsting genereren. Ik wil ook aannemen dat dit Hassankhan’s conclusie is geweest, hij geeft dit in zijn voorbeschouwing ook al min of meer aan door te vermelden dat er volgens het immigratieverdrag van 1870 tarieven van taken en lonen waren vastgesteld, die echter in tijden van recessie eenzijdig werden verlaagd.
Of Mavor intieme relaties onderhield met vrouwen van immigranten zullen we wel nooit meer met zekerheid te weten komen, maar het lijkt nauwelijks waarschijnlijk dat dit een uit de lucht gegrepen verhaal is, temeer omdat bekend is dat de koloniale praktijken door de eeuwen heen niet anders waren. Waarom de officiële bronnen hierover zwijgen, is evenzeer duidelijk: omdat ze officieel waren. Dit soort praktijken vielen onder het adagium “horen, zien & zwijgen”. Vandaar ook dat de kranten van toen tijdens de behandeling van de rechtszaak hiervan geen melding hebben gemaakt, tenslotte wordt door de pers in Suriname nog altijd zelfcensuur togepast en gerespecteerd. Mijn antwoord aan Hassankhan luidt dan ook: “Ja, op die manier speelden de kranten onder een hoedje met de koloniale autoriteiten.” Multatuli zou er aan toevoegen: “En dat is zo gebleven tot op deze dag!” Maar dat wist Hassankhan ook al.

Sandew Hira ‘in denial’

door Rolf van der Marck

Hugo Essed 

Na mijn verontwaardigde reactie op de laatste column van Sandew Hira in 2012 op StarNieuws, getiteld Terugblik, was ik blij om vandaag op StarNieuws een weerwoord aan Hira te kunnen lezen van de hand van Hugo Essed, een van de Surinaamse juristen die de nabestaanden van de 8-december-moorden bijstaan, getiteld Amnestie vanuit welk perspectief?

Essed verwijt Hira, auteur van het boek Decolonising the Mind, het thema amnestie “vrijwel geheel te bekijken vanuit een Nederlandse bril”, een pijnlijk verwijt voor wie Sandew Hira ook maar een beetje kent. Waar Hira uitdrukkelijk de door Nederland in 1947 en 1971 verleende amnestie verwerpt voor de tussen 1945 en 1950 in Indonesië begane oorlogsmisdaden, concludeert hij volgens Essed ten onrechte dat Nederland zijn oorlogsmisdadigers beschermt “omdat macht geen moraal kent.”

Essed stelt daar tegenover dat het adagium “macht kent geen moraal” nu juist de eigenlijke rechtvaardiging is voor de Nederlandse regering en de ‘gemiddelde’ Nederlander voor hun amnestie aan zichzelf, “omdat het voor hun werkt als het sussen van een geest die zich historisch collectief schuldig voelt”, er onmiddellijk aan toevoegend dat dit hun amnestie natuurlijk niet minder verwerpelijk maakt. Na erop gewezen te hebben dat Nederland geheel anders staat tegenover Nederlanders die met de Duitsers hebben geheuld en die Nederlandse verzetsstrijders van het leven hebben beroofd, stelt Essed terecht dat een vergelijking met de in Suriname aangenomen Amnestiewet voor de 8-december-moordenaars met de Nederlandse amnestie inzaken Indonesië “behoorlijk mank gaat”, omdat in Suriname in 2012 amnestie is verleend aan Surinamers die Surinaamse verzetsstrijders hebben vermoord.

Concluderend stelt Essed: “De in Suriname in 2012 verleende amnestie wordt in Suriname totaal niet als het collectief dragen van een historische schuld beleefd. Duizenden hebben ondanks intimidaties gedurfd tegen die wet in verzet te komen en tot op heden werkt die wet gelukkig niet. (…) Ik betwijfel daarom of Suriname als natie bereid is voor de 8-december-moorden een collectieve schuld te dragen onder het adagium dat macht nu eenmaal geen moraal kent. Ik denk daarom dat in de traditie van denken van Anton de Kom, Frantz Fanon en Sandew Hira een heel ander kijk op de Amnestiewet 2012 open staat.”

Hira’s antwoord beneden de maat 

Esseds weerwoord werd vanmorgen om 07.00 uur gepubliceerd. Hira’s antwoord daarop kwam veel te snel, vanmiddag om 14.00 uur reeds, en mede daarom zeer teleurstellend. Inhoud en omvang zijn evenzeer teleurstellend, alsof hij er gedachten noch woorden vuil aan wil maken. Hij zegt getroffen te zijn (niet eens pijnlijk) door Esseds reactie, om vervolgens toe te geven dat deze met zijn kernargument dat macht moraal kan verslaan een punt heeft. Opmerkelijk is echter dat hij dan zegt: “Aan dat gevoel zouden we niet moeten toegeven.” Waarom hier opeens ‘we’, en wie zijn die ‘we’, en in welke stroming deelt hij zichzelf hier in?

Foto @ Vince Lauro

Alhoewel hij het met twijfel uit, wéét hij dat hij en Essed het niet eens zijn “hoe je tegenover de hele amnestiekwestie moet staan”, om dan voor de zoveelste keer terug te komen op de drie door hem aangegeven mogelijk- heden: de weg van de huidige regering, de weg van een deel van de oppositie en zijn eigen voorstel, namelijk om amnestie laten geven door een waarheidscommissie en een proces van maatschappelijke en morele verwerking van de 8-december-moorden op gang brengen. In feite is het absurdistisch wat Hira hier stelt, want hij wil er kennelijk niet eens aan denken om het recht z’n gang te laten gaan, alsof hij het begrip ‘recht’ niet meer kent.

Al met al een hoogst onbevredigend antwoord van Hira, ik kan me niet aan het gevoel onttrekken dat hij laf probeert weg te kruipen, maar wat hij werkelijk denkt of van zins is blijft volstrekt duister.

Sandew Hira niet meer te handhaven als columnist van StarNieuws

Gedenkteken voor het door Nederland aangerichte bloedbad te Rawagede
door Rolf van der Marck
Het is inmiddels genoegzaam bekend dat ik absoluut geen fan ben van de ‘obsessive compulsive’ columnist Sandew Hira van StarNieuws, die maar al te dikwijls volstrekt oninteressante verhalen vertelt, die dan ook nog eens veel te breed en met veel te veel omhaal van woorden worden uitgemeten, zodat je aan het eind van zijn verhaal oververzadigd en onmachtig bent van zoveel gebakken lucht. Zijn verhalen die wél de moeite waard zouden kunnen zijn, namelijk waar hij zich op zijn vakgebied begeeft, worden eveneens gehinderd door wijdlopigheid, maar dat is het ergste niet, maar door zijn monomane, rabiate ‘disorder’ die aan de dag treedt zodra het begrip dekolonisatie ook maar even aan de horizon daagt, zijn die letterlijk onverdraaglijk, onverteerbaar en een wetenschapper onwaardig.
Dikwijls heb ik mij derhalve afgevraagd waarom Hira nog altijd als columnist wordt gehandhaafd doorStarNieuws, zeker toen hij ruim een half jaar geleden zijn bijval betuigde bij de oekaze van de kant van het Kabinet van de President om alle gebouwen op het Fort Zeelandia-complex te doen ontruimen en terug te brengen in de schoot van het beleidscentrum, waarvoor ik verwijs naar mijn artikel Sandew Hira, de afgewezen minnaar van Suriname. Vandaag echter, na lezing van Hira’s column Terugblik op StarNieuws, vraag ik mij opnieuw af – maar nu luidkeels in de hoop bijval te krijgen – hoe lang Hira nog wordt gehandhaafd als columnist. Want de woorden die ik toen heb gebruikt om Hira’s optreden te kwalificeren: “niet zinnig, onkies, welhaast onethisch”, schieten te kort bij Hira’s verhaal over de amnestiewet, die hij nu tot onderwerp heeft gemaakt van zijn eindejaarsbeschouwing.
Plaquette aan de zijgevel van de Mozes & Aäronkerk te Amsterdam
Hira staat stil bij twee gebeurtenissen, de dood van zijn vader, die hem naar hij zegt verweesd heeft achtergelaten, om dan direct over te stappen op de volgende gebeurtenis (en die niet meer los te laten): “De tweede gebeurtenis is van maatschappelijke aard en hangt samen met de pijn van mijn ouders en dat is de hele kwestie rond de amnestiewet. Die kwestie heeft flink ingehakt bij mij: de discussies, de manipulaties, de uitkomst.” Wat hij er echter niet bij vertelt is, dat de op 8 december 1982 samen met de veertien anderen vermoorde John Baboeram zijn broer was en dat het daarom zeer begrijpelijk is dat zijn ouders dubbel getraumatiseerd waren, eerstens door de moord op hun zoon, en tweedens door de aanname van de gewijzigde amnestiewet, waardoor de moordenaar van hun zoon vrijuit gaat. Maar bij Dew Baboeram, pseudoniem Sandew Hira, ligt dat allemaal duidelijk heel anders, waarschijnlijk daarom ook dat hij het niet erbij vermeldt en dat hij het liever onder zijn pseudoniem Sandew Hira houdt. Bonter had hij het nauwelijks kunnen maken.
Hira vervolgt zijn verhaal dan alsvolgt: “Toevallig kwam ik op internet een oude weblog uit 2009 tegen van Harry van Bommel met als titel ‘Amnestie voor Nederlandse oorlogsmisdaden’. Het verhaal is schokkend en toont aan wat we in Suriname ook zien: macht kent geen moraal.” Natuurlijk kwam Hira het niet toevallig tegen, nee, hij is ernaar op zoek gegaan, het drama Rawagedewaarover het gaat is kort geleden immers prominent in het nieuws geweest bij het opduiken van nooit eerder ontdekte foto’s van een massa-executie in Nederlands Indië. Nu had Hira het hierbij kunnen laten, want dit is de kern van zijn verhaal: als het is toegestaan dat de Nederlandse macht geen moraal kent, dan is het evenzeer toegestaan dat de Surinaamse macht geen moraal kent. De rest, nog eens zo’n 700 woorden, heeft hij nodig om op Hiraëske wijze met veel te veel woorden niets nieuws meer te vertellen.
John Baboeram heeft zich ongetwijfeld in zijn graf omgedraaid bij deze stellingname van zijn broer, een stellingname die overigens niet echt meer verrast na wat hij allemaal heeft geraaskald over het Fort Zeelandia-complex. Maar schokkend is het wel, want zoals ik hierboven al zei, bonter kan hij het nauwelijks maken. Hij vermeldt een aantal nooit goed te praten gruwelijkheden uit de verzachtend ‘politionele acties’ genaamde militaire acties van destijds, alleen maar omdat hij ze nodig heeft voor zijn stellingname, immers zoveel gruwelijkheden als Nederland heeft Suriname niet gepleegd, dus als zíj amnestie kunnen verlenen dan moet dat ons ook mogelijk zijn.
Sandew Hira is niet langer alleen het pseudoniem van Dew Baboeram, maar ook het merkteken van een gespleten, ‘decolonised mind’.

Ismene Krishnadath is gewoon kwaadaardig

door Rolf van der Marck
 
met dank aan Michiel van Kempen dat die Surinaamse schrijvers zo goed verkopen!
 
In mijn post Ismene Krishnadath uit de bocht gevlogen heb ik het al gehad over de lezing die Krishnadath heeft gehouden bij het 35-jarig bestaan van Schrijversgroep ’77, waarin ze aan het slot die wonderbaarlijke ‘tournure’ maakte door haar lezing over de bijdrage die Surinaamse schrijvers hebben geleverd aan de nationalistische ontwikkeling van ons land af te sluiten met een onmogelijke vergelijking om zodoende tot een politiek statement te komen. Het is over die onmogelijke vergelijking dat ik het nu wil hebben.
 “Kritiek van Nederlandse critici werkt versterkend op de populariteit van schrijvers en personen in Suriname” is het eerste deel van haar vergelijking. Dat “en personen” is hier niet op z’n plaats, want ze heeft het over Surinaamse schrijvers, maar daar kom ik dadelijk op terug. Als voorbeeld haalde ze hierbij aan het boek Hoe duur was de suiker? van Cynthia McLeod, dat destijds “sterk bekritiseerd is door de Nederlandse Michiel van Kempen”. Met andere woorden, dankzij de sterke kritiek van Van Kempen gaat dat boek als warme bollen over de toonbank.
Dit is een versimpeling en verdraaïing van zaken die je van een academisch gevormd persoon als Krishnadath, daarbij zelf schrijver, niet zou verwachten. Van Kempen heeft als literatuurwetenschapper Hoe duur was de suiker? beoordeeld aan de hand van geldende literaire begrippen en maatstaven, met als conclusie dat het niet tot de Surinaamse literatuur gerekend kan worden. Daarmee is echter niet gezegd dat het boek geen waarde zou hebben of waardeloos zou zijn, alhoewel Krishnadath suggereert als zou dat Van Kempen’s oordeel zijn.
In feite is het gewoon kwaadaardig van Krishnadath, omdat zij als academicus en schrijver heel goed het onderscheid kent en zelf ook kan maken tussen literatuur en lectuur, maar zij weigert dit te accepteren omdat het even niet in haar kraam te pas komt. Maar dat is het zeker niet alleen, hier speelt duidelijk ook haar gekwetste trots mee dat een representant van de voormalige kolonisator het lef heeft om negatieve literaire kritiek te leveren op een veel bejubelde en verkochte Surinaamse auteur. De derde factor is dat zij het nodig heeft voor het “verrassende” tweede deel van haar vergelijking.
Het tweede deel van haar vergelijking, en daarvoor moesten “personen” worden toegevoegd aan de “schrijvers”, is enerzijds die tussen de literaire kritiek op Surinaamse schrijvers die verkoopstimulerend zou werken en anderzijds de negatieve kritiek vanuit Nederland op de persoon Bouterse, die “niet gelust wordt door de Nederlandse regering”, waaraan hij zijn presidentsverkiezing te danken zou hebben. Behalve dat het vals is, is het natuurljk ook appels met peren vergelijken. Maar, zoals eerder gezegd, Krishnadath heeft de lage strijdmethoden van de NDP tot de hare gemaakt!
Dit gezegd zijnde moet ik om misverstanden te voorkomen terugkeren naar Hoe duur was de suiker?, anders zou men nog kunnen denken -en Krishnadath zou de eerste zijn om dat te roepen- dat ik dat boek niet de moeite waard vind. Het tegendeel is waar, dit -zoals ik hierboven al zei- veel bejubelde en verkochte boek is een bestseller van de bovenste plank en het heeft een bereik waar veel literatoren jaloers op zijn. De vormende werking die het boek sinds het in 1987 op de markt kwam heeft gehad en nog heeft op de Surinaamse jeugd mag niet worden onderschat. Daarmee heeft McLeod een grote bijdrage geleverd aan het dekolonialiserend- of bevrijdingsnationalisme dat onderwerp was van Krishnadath’s lezing, ondanks de negatieve literaire kritiek van Van Kempen. Het boek heeft z’n grote eigen verdiensten, maar andere dan literaire. Neks no fout!
Dat Ismene Krishnadath bewust dit onderscheid niet heeft willen maken is inderdaad gewoon kwaadaardig, maar ja, anders had ze haar idool Bouterse er niet bij kunnen betrekken, hetgeen ze kennelijk tot haar opdracht rekende. Helaas is Krishnadath’s kleine achterban van seniore burgers niet meer voldoende ‘compos mentis’ om bezwaar te kunnen aantekenen tegen dergelijke onzinnige handelwijzen van hun voorzitter.
 
 

Krishnadath bewijst haar eigen ongelijk

door Rolf van der Marck

Ismene Krishnadath

 

Eerder heb ik hier al duidelijk gemaakt dat de door Ismene Krishnadath geponeerde stelling dat Surinaamse schrijvers ertoe hebben bijgedragen dat het nationalisme vandaag de dag aanwezig is in het collectieve denken van de Surinamers, neerkomt op het intrappen van een open deur. Die stelling had zij gelanceerd aan de vooravond van het 35-jarig bestaan van de Schrijversgroep ’77, waarvan zij de voorzitter is. Toen heb ik ook gesteld dat nationalisme alléén niet voldoende is, maar dat het moet worden gekanaliseerd tot natievorming, waarvan wij echter nog lichtjaren verwijderd zijn. Inmiddels heeft de viering plaatsgevonden, waarbij Krishbadath een lezing heeft uitgesproken met als titel: “Literatuur, nationalisme en politiek, oftewel de invloed van schrijvers op het maatschappelijk denken in Suriname vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw tot heden”.
Definities
Misschien is het goed eerst een paar definities te geven, opdat we weten waarover we praten:

 

Nationalisme is een politieke ideologie die stelt dat de staat als politieke eenheid congruent moet zijn aan de natie als sociaal-culturele eenheid. Er zijn verschillende vormen van nationalisme te onderscheiden, zoals etnisch nationalisme, nationaalsocialisme, liberaal nationalisme, politiek nationalisme, dekoloniserings- of bevrijdingsnationalisme en economisch nationalisme.
Nationaliteit duidt de relatie aan tussen een individu en een staat, cultuur of loyaliteit. Nationaliteit heeft een tweeledige betekenis:
1) Het bezit van het staatsburgerschap van een land of meer landen.
2) Het op grond van herkomst of afstamming behoren tot een bepaalde etniciteit; nationaliteit staat in deze definitie los van het staatsburgerschap.
Een natie wordt wel genoemd ‘een verbeelde politieke gemeenschap’. Het begrip is niet alleen academisch, maar heeft ook een sterke politieke lading en kent dan ook vele definities. Criteria kunnen objectief zijn, bijvoorbeeld verwantschap, cultuur, taal of religie. Subjectieve criteria zijn verbondenheid en solidariteit, die gevoeld worden door een groep.

 

Aan de hand van deze definities kan worden geconcludeerd dat nationalisme in Suriname, gezien het grote aantal uiteenlopende etnische bevolkingsgroepen, zal moeten leiden tot de vorming van een natie, een ‘verbeelde politieke gemeenschap’ dus, enkel op basis van subjectieve, door de politiek te bevorderen criteria. Geen eenvoudige opgave, daar zijn nog generaties strijdende schrijvers voor nodig.
Taal als strijdmiddel
Het is duidelijk dat de door Krishnadath genoemde schrijvers allen hun aandeel hebben in het Surinaamse dekoloniserings- of bevrijdingsnationalisme. Anton de Kom was in 1933 met zijn Wij slaven van Suriname een eenzame voorloper, internationaal bezien zelfs bijna twee decennia voordat Frantz Fanon met dezelfde ideeën als De Kom de wereld veroverde. Jammer dat Krishnadath (althans blijkens het verslag in de Ware Tijd) voorbij is gegaan aan Julius Gustaaf Arnout “Papa” Koenders, die met zijn vereniging Pohama en met zijn maandblad Foetoe-boi (mei 1946 t/m april 1956) dé grote voorvechter was van het Sranan en van de creoolse cultuur, tevens voorganger en lichtend voorbeeld niet alleen voor Eddy Bruma en diens culturele vereniging Wie Eegie Sanie, maar ook voor Trefossa en Michaël Slory.
Ook mis ik (wederom volgens het verslag in dWT) de naam van Edgar Cairo, die veel meer en veel indringender het Sranan in zijn boeken heeft verwerkt dan de door Krishnadath genoemde dialogen in Cynthia McLeod’s Hoe duur was de suiker?, maar wellicht is dat een gevolg van het door hem dikwijls gehanteerde “Cairojaans”, dat in Suriname vreemd genoeg onvoldoende op z’n merites wordt gewaardeerd, zoals nu maar weer blijkt.
De politiek-maatschappelijke positie van S’77
Aangezien mijn kritiek op Krishnadath’s stellingname dat S’77 zich graag en goed zou lenen  voor een bemiddelingsrol bij politieke tegenstellingen door haar is afgestraft met een lasterverhaal over mij, was ik uiteraard benieuwd hoe deze gedachte door Krishnadath tijdens haar lezing voor het voetlicht is gebracht, maar daar is in het dWT-verslag helaas niets over te lezen. Daar staat alleen dat inleider eindigde met de stelling: “Kritiek van Nederlandse critici werkt versterkend op de populariteit van schrijvers en personen in Suriname. (…) Ik denk dat de populariteit van Bouterse ook op die manier gestuwd wordt. Het is bekend dat hij niet gelust wordt door de Nederlandse regering. En wat zien we? Bouterse wordt gekozen tot president. Misschien heeft hij dit aangevoeld en gevoed met zijn slogan ‘Neks no fout’. In ieder geval zien we dat hij momenteel als president functioneert en zijn functioneren als zodanig vrij algemeen geaccepteerd is in ons land.”

 

Opnieuw een vreemde stelling van Krishnadath, omdat ze haar verhaal hiermee onmiddellijk politiseert. Waarom breidt ze “de populariteit van schrijvers in Suriname” uit naar “schrijvers en personen uit Suriname”? Duidelijker bewijs dat S’77 niet geschikt is voor een bemiddelingsrol bij politieke tegenstellingen kan Krishnadath niet leveren, want ze kiest hier duidelijk voor Bouterse en tegen zijn Nederlandse critici. Beter had zij zich bij haar leest gehouden en zich afgevraagd wat die Nederlandse kritiek op Surinaamse schrijvers nu precies inhoudt en of die niet even serieus te nemen is als die Nederlandse kritiek op Bouterse. Maar het ontbreekt haar ten enen male aan kritisch onderscheidingsvermogen, anders had ze niet gezegd dat Bouterse als president vrij algemeen geaccepteerd is in ons land. Schoenmaker, houd je bij je leest!
Intussen begin ik mij af te vragen hoe de leden van S’77 staan tegenover Krishnadath en de door haar geventileerde meningen en opvattingen, slikken die dit allemaal voor zoete koek? Eerder sprak ik over S’77 als een elitair clubje, maar gezien Krishnadaths uitlatingen Is het clubje allerminst elitair, gezien echter de foto met dat handjevol mensen dat naar Krishnadaths lezing luisterde (zie hier) is het wel een verdomd klein clubje van overwegend seniore burgers. Is dat wellicht de reden dat Krishnadath geen weerwerk krijgt?
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter